Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1696

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-04-2017
Datum publicatie
19-04-2017
Zaaknummer
200.172.700_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:2113
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeidszaak; pensioenrecht; verzekeringstechnisch nadeel bij vrijwillige aansluiting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2038
PJ 2017/76 met annotatie van E. Lutjens
AR-Updates.nl 2017-0508
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.172.700/01

arrest van 18 april 2017

in de zaak van

1 Stichting Bibliotheek [vestigingsnaam 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. Stichting Bibliotheek [vestigingsnaam 2],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als bibliotheek [vestigingsnaam 1] , respectievelijk bibliotheek [vestigingsnaam 2] en gezamenlijk aan te duiden als de bibliotheken,

advocaat: mr. R.J.G. Veugelers te Vlaardingen,

tegen

Stichting Pensioenfonds ABP,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als ABP,

advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 juni 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 maart 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht gewezen tussen de bibliotheken als eiseressen en ABP als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3168805 CV EXPL 14-7030)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

  • -

    het op 15 maart 2017 gehouden pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

De kantonrechter heeft in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.13 van het vonnis feiten vastgesteld. Tegen die rechtsoverwegingen zijn geen grieven gericht. Het hof zal de door de kantonrechter vastgestelde feiten hieronder weergeven (vernummerd tot 3.1.1 tot en met 3.1.13).

3.1.1.

De bibliotheken werden tot 1 januari 2013 aangemerkt als publiekrechtelijk lichaam en de personen in haar dienst als overheidswerknemers. De werknemers waren tot het moment van privatiseren van de bibliotheken verplicht aangesloten bij ABP, laatstelijk onder de werking van de Wet privatisering ABP.

3.1.2.

Met ingang van 1 januari 2013 zijn de bibliotheken geprivatiseerd. Als gevolg hiervan is de verplichte deelneming in ABP geëindigd. De op dat moment in dienst zijnde werknemers van de bibliotheken werden met ingang van 1 januari 2013 verplicht aangesloten bij het Pensioenfonds Openbare Bibliotheken (hierna: POB).

3.1.3.

Door de privatisering verviel de grondslag voor verplichte deelneming in ABP. Vervallen van het deelnemerschap impliceert dat er geen pensioen meer wordt opgebouwd bij ABP en dat een ex-deelnemer die tot het moment van privatisering voorwaardelijke pensioenrechten opgebouwd had, daar jegens ABP geen aanspraak meer op kon maken. Teneinde voorwaardelijke rechten te behouden dienden werknemers dus aangesloten te blijven bij ABP.

3.1.4.

Het POB heeft bij onderscheiden brieven van 11 januari 2013 (voor bibliotheek [vestigingsnaam 1] ) en 30 januari 2013 (voor bibliotheek [vestigingsnaam 2] ) dispenstatie verleend van de verplichtstelling van deelneming in het POB voor de zogenoemde ‘oude werknemers’, dat wil zeggen werknemers die tot 1 januari 2013 verplicht aangesloten waren bij ABP. Toekomstige (‘nieuwe’) werknemers, met inbegrip van degenen voor wie per 1 januari 2013 of later een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd omgezet was of zou worden, zijn wel verplicht aangesloten bij het POB.

3.1.5.

Teneinde de voorwaardelijke pensioenrechten van de ‘oude werknemers’ veilig te stellen alsmede de pensioenopbouw bij ABP voort te zetten, hebben de bibliotheken bij ABP geïnformeerd naar een vrijwillige aansluiting bij ABP, hetgeen mogelijk was. Wel is er door ABP op gewezen dat aan de vrijwillige aansluiting (mogelijk) nadelige gevolgen voor ABP verbonden waren en dat daarvoor aan de bibliotheken een vergoeding in rekening gebracht zou worden, de zogenoemde afwikkelingscompensatie. Een dergelijke compensatie achtte ABP niet nodig indien ook alle ‘nieuwe’ werknemers van de bibliotheken zouden deelnemen in ABP.

3.1.6.

Bibliotheek [vestigingsnaam 2] is na correspondentie over de mogelijkheid van vrijwillige aansluiting en een daarvoor verschuldigde ‘afwikkelingscompensatie’ (zie in het bijzonder de brief van ABP van 9 mei 2012) met ABP en de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel (hierna: Vut-fonds) een overeenkomst inzake vrijwillige aansluiting aangegaan. Deze overeenkomst is namens bibliotheek [vestigingsnaam 2] op 14 oktober 2013 ondertekend en voorzien van de handmatig bijgeschreven tekst: “met inachtneming van de brief van 14 oktober 2013 met het kenmerk [kenmerk] ”. In de overeenkomst is het volgende artikel opgenomen:

“Artikel 2. Kosten afwikkelingsaansluiting

  1. De instelling is aan ABP kosten afwikkelingsaansluiting verschuldigd ten bedrage van € 830.837,00.

  2. De instelling is aan Vut-fonds kosten afwikkelingsaansluiting verschuldigd ten bedrage van € 11.473,00.

  3. Bij overschrijding van de in de factuur genoemde betaaldatum is wettelijke rente verschuldigd.”

3.1.7.

In de brief van 14 oktober 2013 heeft bibliotheek [vestigingsnaam 2] aan ABP laten weten dat het POB geen volledige vrijstelling wenste te verlenen. Bibliotheek [vestigingsnaam 2] verklaarde dat zij aan haar werknemers duidelijkheid diende te geven en de voorwaardelijke pensioenaanspraak moest respecteren. Zij zag zich om die reden genoodzaakt de ‘aansluitovereenkomst’ (daarmee is de in 3.1.6 genoemde overeenkomst bedoeld) te ondertekenen. Bij het onderdeel ‘kosten afwikkelingsaansluiting’ – door beide partijen ook wel als verzekeringstechnisch nadeel (VTN) aangeduid – heeft bibliotheek [vestigingsnaam 2] de volgende kanttekening geplaatst:

“Bij het tekenen van deze overeenkomst zijn wij er wel vanuit gegaan dat, indien na bezwaar en eventueel beroep alsnog door POB een volledige vrijstelling wordt gegeven, de bijgevoegde overeenkomst door ABP wordt omgezet naar een volledige aansluitingsovereenkomst per 1 januari 2013 zodat geen verzekeringstechnisch nadeel of andere kosten verschuldigd zullen zijn, en het reeds betaalde in 2013 inzake de afwikkelingsaansluiting, zal worden gerestitueerd. Eén en ander geldt mutatis mutandis als alsnog blijkt dat op basis van wet- en regelgeving geen dispenstatie is vereist.

Bij het tekenen van deze overeenkomst zijn wij er verder vanuit gegaan dat het ABP zich ervan bewust is dat zij, gezien het bovenstaande een sterke positie heeft en dat zij daar geen misbruik van wil maken. Wij gaan er tevens vanuit dat de bijgevoegde overeenkomst in overeenstemming is met de wettelijke vereisten, zoals onder andere vastgelegd in artikel 25 Pensioenwet en artikel 6:248 BW en dat derhalve het (zeer) aanzienlijke bedrag dat verschuldigd is als afwikkelkosten (verzekeringstechnisch nadeel) daadwerkelijk een redelijk en reëel nadeel is voor ABP. Wij gaan er om die reden vanuit dat indien dit niet het geval is, het genoemde bedrag zal worden aangepast.”

3.1.8.

Bibliotheek [vestigingsnaam 2] heeft het in de overeenkomst onder art. 2 lid 2 genoemde bedrag betaald. De ‘kosten afwikkelingsaansluiting’ zijn onbetaald gebleven.

3.1.9.

Bibliotheek [vestigingsnaam 1] is, na correspondentie over de mogelijkheid tot vrijwillige aansluiting en de daarvoor verschuldigde ‘kosten afwikkelingsaansluiting’ (art. 2 latere overeenkomst) of ‘afwikkelingscompensatie’ (zie in het bijzonder de brief van 20 april 2012) met ABP en het Vut-Fonds ook een overeenkomst inzake vrijwillige aansluiting aangegaan. De overeenkomst is namens bibliotheek [vestigingsnaam 1] op 19 november 2013 ondertekend en daaraan is de volgende handgeschreven opmerking toegevoegd: “ondertekening geschiedt onder het uitdrukkelijke voorbehoud van het bepaalde in de brief van 16 oktober j.l. die bij deze overeenkomst wordt gehecht en geacht wordt onlosmakelijk onderdeel uit te maken van deze overeenkomst.” De overeenkomst is namens ABP op 5 december 2013 ondertekend. Op grond van deze overeenkomst heeft bibliotheek [vestigingsnaam 1] zich vrijwillig aangesloten bij ABP teneinde de reeds opgebouwde pensioenrechten van de ‘oude werknemers’ veilig te stellen. In de overeenkomst is het volgende artikel opgenomen:

“ Artikel 2. Kosten afwikkelingsaansluiting

  1. De instelling is aan ABP kosten afwikkelingsaansluiting verschuldigd ten bedrage van € 1.621.034,--

  2. De instelling is aan Vut-fonds kosten afwikkelingsaansluiting verschuldigd ten bedrage van € 20.348,--

  3. Bij overschrijding van de in de factuur genoemde betaaldatum is wettelijke rente verschuldigd.”

3.1.10.

In de brief van 16 oktober 2013, waar bibliotheek [vestigingsnaam 1] naar verwijst, is verder – voor zover van belang – de volgende kanttekening geplaatst:
“ Op 10 oktober jl. is ons meegedeeld dat de volledige vrijstelling helaas niet wordt gegeven.
(..)
In het belang van onze medewerkers willen wij nu niet langer wachten met het tekenen van de aansluitingsovereenkomst. Wij willen hen nu de nodige duidelijkheid geven. Verder dienen wij de voorwaardelijke pensioenaanspraken van onze werknemers te respecteren. Wij verzoeken u dan ook ons de aansluitovereenkomst ter ondertekening toe te sturen. Pas na toestemming van de Raad van Toezicht van de Stichting Bibliotheek [vestigingsnaam 1] en de Gemeente Rotterdam zullen wij de getekende overeenkomst aan u doen toekomen. (..)
Zoals gezegd, is het zoeken naar andere oplossingen nog niet afgerond. Daarom zullen wij de aansluitovereenkomst onder voorbehoud tekenen. Zo zullen wij bij ondertekening het voorbehoud maken dat, indien na bezwaar en eventueel beroep alsnog door POB een volledige vrijstelling wordt gegeven, de overeenkomst door ABP wordt omgezet naar een volledige aansluitingsovereenkomst per 1 januari 2013 zodat geen verzekeringstechnisch nadeel of andere kosten verschuldigd zullen zijn, en het reeds betaalde in 2013 inzake de afwikkelingsaansluiting, zal worden terugbetaald. Een en ander geldt eveneens als alsnog blijkt dat op basis van wet- en regelgeving geen dispensatie is vereist.

Bij het tekenen van deze overeenkomst zal voorts het navolgende voorbehoud gelden. Wij gaan ervan uit, dat de bijgevoegde overeenkomst in overeenstemming is met de wettelijke vereisten, zoals onder andere vastgelegd in artikel 25 Pensioenwet en artikel 6:248 BW en dat derhalve het aanzienlijke bedrag dat verschuldigd is als afwikkelkosten (verzekeringstechnisch nadeel) daadwerkelijk een redelijk en reëel nadeel is voor ABP. Mocht echter blijken, dat dit niet het geval is, dan verwachten wij dat het genoemde bedrag wordt aangepast.”

3.1.11.

Door ABP is op 21 oktober 2013 gereageerd op voormelde brief.

3.1.12.

ABP heeft de bibliotheken, ieder afzonderlijk, een op 25 oktober 2013 gedateerde factuur toegezonden.

3.1.13.

Bibliotheek [vestigingsnaam 1] heeft de bedragen zoals genoemd in art. 2 lid 1 en 2 van de met haar aangegane overeenkomst betaald.

3.2.

De bibliotheken hebben in eerste aanleg gevorderd (samengevat):

1. voor recht te verklaren dat de bibliotheek [vestigingsnaam 2] geen vergoeding verschuldigd is aan ABP voor VTN, dan wel voor kosten inzake de afwikkelingsaansluiting, althans uitsluitend een bedrag van € 101.697,-, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

2. voor recht te verklaren dat de bibliotheek [vestigingsnaam 1] € 1.621.034,- onverschuldigd heeft betaald, behoudens een bedrag van € 181.236,-, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag;

3. ABP te veroordelen tot terugbetaling van € 1.621.034,- aan bibliotheek [vestigingsnaam 1] , althans dat bedrag verminderd met € 181.286,-, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, vanaf de dag van betaling, althans vanaf 12 maart 2014, althans de dag van dagvaarding, tot de dag der voldoening;

4. APB te veroordelen in de proceskosten.

3.3.

ABP heeft in reconventie gevorderd (samengevat):

1. bibliotheek [vestigingsnaam 2] te veroordelen tot betaling van € 830.837,- te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente, vanaf 1 januari 2013, althans vanaf 28 februari 2014;

2. bibliotheek [vestigingsnaam 2] te veroordelen in de proceskosten.

3.4.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter (samengevat) de vorderingen in conventie afgewezen en de bibliotheken veroordeeld in de proceskosten. In reconventie heeft de kantonrechter bibliotheek [vestigingsnaam 2] veroordeeld om aan ABP € 830.837,00 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van 24 juli 2014 tot de dag van algehele voldoening en de proceskosten gecompenseerd.

3.5.

De bibliotheken zijn tijdig in hoger beroep gekomen. Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en voorts dat het hof - uitvoerbaar bij voorraad - (samengevat):

1. de vorderingen van ABP zal afwijzen, voor zover die in het vonnis zijn toegewezen;

2. voor recht zal verklaren dat bibliotheek [vestigingsnaam 2] geen vergoeding verschuldigd is aan ABP voor verzekeringstechnisch nadeel of voor kosten afwikkelingsaansluiting, althans uitsluitend € 101.697,-, althans niet meer dan een door het hof te bepalen bedrag;

3. voor recht zal verklaren dat bibliotheek [vestigingsnaam 1] geen vergoeding verschuldigd is aan ABP voor verzekeringstechnisch nadeel of voor kosten afwikkelingsaansluiting, althans uitsluitend € 181.286,-, althans niet meer dan een door het hof te bepalen bedrag;

4. ABP zal veroordelen om € 830.837,- aan bibliotheek [vestigingsnaam 2] terug te betalen, althans dat bedrag minus € 101.697,-, althans een door het hof te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat dit bedrag aan ABP is betaald;

5. ABP zal veroordelen om € 1.621.034,- aan bibliotheek [vestigingsnaam 1] terug te betalen, althans dat bedrag minus € 181.286,-, althans een door het hof te bepalen ander bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat dit bedrag aan ABP is betaald, althans vanaf een andere door het hof te bepalen datum;

6. ABP zal veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten.

3.6.

ABP is in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij heeft geconcludeerd tot (samengevat) vernietiging van het vonnis waarvan beroep uitsluitend voor wat betreft de datum waarop bibliotheek [vestigingsnaam 2] wettelijke rente verschuldigd is en voorts dat het hof die wettelijke rente zal toewijzen vanaf 1 januari 2013, althans 26 oktober 2013, althans 1 november 2013, althans 26 november 2013, althans 29 februari 2014, met veroordeling van de bibliotheken in de proceskosten van het hoger beroep.

3.7.

Het hof zal in navolging van partijen de kosten voor de afwikkelingsaansluiting hierna steeds VTN noemen.

in principaal hoger beroep

3.8.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.9.

Kern van het geschil is de vraag of de bibliotheken bij het sluiten van de in 3.1.6 en 3.1.9 genoemde overeenkomsten (hierna telkens: de overeenkomst of de overeenkomsten) een voorbehoud hebben gemaakt en zo ja, wat in dat geval de inhoud is van dat voorbehoud.

3.10.

Volgens vaste rechtspraak gaat het bij de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel om de taalkundige bewoordingen van de tekst van de overeenkomst, maar komt het tevens aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van belang, waaronder mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

3.11.

De grieven slagen voor zover de bibliotheken hebben betoogd dat de kantonrechter heeft miskend dat partijen een voorbehoud zijn overeengekomen. Immers, de bibliotheken hebben op de overeenkomst handmatig aangetekend dat werd ingestemd met inachtneming van de brief van 14 oktober 2013, respectievelijk 16 oktober 2013 en in bedoelde brieven wordt een voorbehoud gemaakt. ABP heeft de overeenkomst met bibliotheek [vestigingsnaam 1] nadien, dus met daarop de handgemaakte verwijzing, ondertekend en geretourneerd. Het procesdossier bevat geen door ABP ondertekende overeenkomst met bibliotheek [vestigingsnaam 2] , maar ABP heeft ter gelegenheid van het pleidooi verklaard dat het hof ervan uit kan gaan dat dit op dezelfde wijze is geschied. Dat er op de overeenkomsten een handmatige aantekening is vermeld valt op, zeker daar waar het gaat om de overeenkomst met bibliotheek [vestigingsnaam 1] , nu die handmatige aantekening de helft van de laatste bladzijde beslaat, maar ook de handmatige aantekening op de overeenkomst met bibliotheek [vestigingsnaam 2] kan ABP niet zijn ontgaan. ABP is een groot pensioenfonds. Van haar mag worden verwacht dat zij zich heeft gerealiseerd dat de bibliotheken met hun verwijzing naar de genoemde brieven hebben bedoeld een voorbehoud te maken. Het hof baseert dit oordeel uitsluitend op de schriftelijke communicatie tussen partijen, omdat partijen niet hebben gesteld dat er in 2013 nog besprekingen hebben plaatsgevonden. Desgevraagd hebben de bibliotheken ter gelegenheid van het pleidooi slechts in algemene termen kunnen verklaren dat er besprekingen hebben plaatsgevonden. Wanneer wisten zij niet. ABP heeft verklaard dat de besprekingen zeer geruime tijd voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten hebben plaatsgevonden, nog vóór 2012, hetgeen niet is weersproken door de bibliotheken.

3.12.

Volgens de bibliotheken gaat het bij het voorbehoud erom dat is overeengekomen dat het VTN ‘daadwerkelijk een redelijk en reëel nadeel is voor ABP’. Volgens ABP heeft dat voorbehoud geen inhoud. Dat was volgens haar de reden dat zij kon instemmen met een voorbehoud. ABP vond het voorbehoud niet relevant.

3.13.

Ook voor wat betreft de inhoud van het voorbehoud heeft te gelden dat het niet enkel gaat om de taalkundige bewoordingen, maar dat het tevens aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dit verband is van belang dat ABP heeft verklaard dat zij gedurende een al zeer lange periode duidelijk had gemaakt dat en waarom zij kosten in rekening zou brengen bij de bibliotheken. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft ABP verklaard dat al in 2010 besprekingen hebben plaatsgevonden met (de gemeenten als rechtsvoorgangers van) de bibliotheken en dat toen uitleg is gegeven over de berekening van VTN. Dat is niet weersproken door de bibliotheken. Dat al lange tijd voor de overeenkomsten meermaals overleg heeft plaatsgevonden, is niet betwist door de bibliotheken en blijkt ook duidelijk uit de stukken. Het hof heeft niet de beschikking over alle documenten (in meerdere brieven wordt verwezen naar stukken die niet tot het procesdossier behoren), maar in ieder geval is duidelijk dat partijen al lange tijd voorafgaand aan de overeenkomsten overleg met elkaar hebben gevoerd. De volgende stukken zijn in dit verband relevant.

3.14.

Uit de brief van 20 april 2012 van ABP aan de gemeente als rechtsvoorganger van de bibliotheek [vestigingsnaam 1] blijkt dat ABP het verschil heeft uitgelegd tussen toetreden en uittreden. Ook heeft ABP in die brief uitleg gegeven over de methode van berekening van VTN. Zij heeft in die brief ook gewezen op haar beleid om VTN in rekening te brengen in een situatie als de onderhavige. Verder heeft zij erop gewezen dat zij haar beleid hierin op consistente wijze toepast en dat het niet mogelijk is om voor bibliotheek [vestigingsnaam 1] een uitzondering te maken. In een bijlage bij deze brief heeft ABP uitleg gegeven over de reden waarom zij VTN in rekening brengt en hoe dat gebeurt.

ABP heeft in eerste aanleg (onbetwist) aangevoerd dat de gemeente [vestigingsnaam 1] toen al rekening hield met de mogelijkheid dat het om een aanzienlijk bedrag zou kunnen gaan (tussen € 0,- en € 2,5 miljoen).

Bij brief van 7 december 2012 heeft bibliotheek [vestigingsnaam 1] ABP verzocht om vrijwillige aansluiting voor het zittend personeel.

Op 6 augustus 2013 heeft ABP een uitvoerige brief gestuurd aan bibliotheek [vestigingsnaam 1] , kennelijk naar aanleiding van een e-mail van 21 juni 2013 met vragen en opmerkingen over het VTN. Klaarblijkelijk heeft bibliotheek [vestigingsnaam 1] in die e-mail onder andere gevraagd naar de geldende parameters. In deze brief heeft ABP nogmaals haar beleid toegelicht, waaronder de grondslag voor de door haar in rekening te brengen kosten. Ook wordt in die brief vermeld dat op 27 augustus 2012 een overleg heeft plaatsgevonden en dat met een e-mail op 11 september 2012 de uitgangspunten berekeningsmethodiek VTN zijn toegestuurd. Verder wordt in die brief gerefereerd aan een e-mail van 17 juni 2013 waarin is verzocht om onderbouwing van de berekening en dat daarop met een e-mail van 18 juni 2013 is gereageerd met uitleg over de bepaling van de kosten. In deze brief heeft ABP aangegeven dat zij er vanuit gaat dat zij inmiddels afdoende informatie heeft verstrekt en zij heeft verzocht de betreffende bedragen te voldoen en de overeenkomst getekend te retourneren. ABP heeft haar brief afgesloten met het verzoek om nog eventuele vragen zo concreet mogelijk aan te geven.

Op 16 oktober 2013 heeft bibliotheek [vestigingsnaam 1] de hiervoor genoemde brief gestuurd waarin zij het voorbehoud heeft gemaakt. In die brief wordt in een alinea vóór de hier aan de orde zijnde zinsnede vermeld dat een voorbehoud zal worden gemaakt voor de situatie dat POB alsnog een volledige vrijstelling zal geven of voor het geval dat later blijkt dat dispensatie van POB niet vereist is. Verder wordt na de hier aan de orde zijnde zinsnede iets opgemerkt over een lijst met namen van medewerkers.

ABP heeft bij brief van 21 oktober 2013 gereageerd op deze brief. Daarin is zij nader ingegaan op de namenlijst en op de dispensatie door POB. ABP heeft nogmaals verzocht de overeenkomst te ondertekenen en te retourneren.

3.15.

ABP heeft met haar brief met bijlage van 9 mei 2012 aan bibliotheek [vestigingsnaam 2] uitleg gegeven over haar beleid, over de kosten van afwikkelingsaansluiting en zij heeft een indicatieve berekening gemaakt van die kosten.

Bij brief van 21 december 2012 heeft bibliotheek [vestigingsnaam 2] het ABP verzocht om vrijwillige toetreding.

ABP heeft in eerste aanleg (onbetwist) aangevoerd dat de gemeente [vestigingsnaam 2] bij privatisering de onderhavige kosten in de gemeentebegroting had verwerkt.

Op 13 september 2013 heeft de gemeente [vestigingsnaam 2] een brief gestuurd aan ABP waarin melding wordt gemaakt van een reeds geruime tijd bestaand overleg over de vrijwillige aansluiting. Voorts wordt in die brief verzocht om toezending van juridische documenten op basis waarvan aansluiting van alle medewerkers van bibliotheek [vestigingsnaam 2] bij ABP gerealiseerd kan worden.

ABP heeft op 16 september 2013 een e-mail gestuurd waarin wordt gerefereerd aan door ABP verstrekte informatie over aansluiting van alle medewerkers. In die e-mail is uitleg gegeven over de vrijwillige aansluiting en dat bibliotheek [vestigingsnaam 2] kosten verschuldigd zal zijn. In deze e-mail worden drie opties gegeven: “.. of u: 1) gebruik maakt van de thans verleende vrijstelling met bijbehorende afwikkelingsaansluiting bij ABP en verschuldigd VTN; 2) dan wel u geen gebruik maakt van die vrijstelling en voor huidige en toekomstig personeel aansluit bij de Stichting Pensioenfonds Openbare Bibliotheken in welk geval u een VTN-Vut-fonds verschuldigd bent; 3) dan wel u alsnog om volledige vrijstelling verzoekt bij de Stichting Pensioenfonds Openbare Bibliotheken en met het huidige en toekomstige personeel aangesloten blijft bij ABP in welk geval er geen VTN verschuldigd is.” De e-mail wordt afgesloten met de mededeling dat met de e-mail wordt vooruitgelopen op een aangekondigde brief van ABP.

Met een brief van 19 september 2013 aan bibliotheek [vestigingsnaam 2] heeft ABP gereageerd op de brief van 13 september 2013 van de gemeente [vestigingsnaam 2] . In deze brief wordt gerefereerd aan eerdere brieven en mailberichten over het onderwerp waaronder een brief van 15 juli 2013 waarin bibliotheek [vestigingsnaam 2] kennelijk heeft aangegeven zich niet te kunnen verenigen met het opleggen van VTN en daarmee ook niet met de aangeboden overeenkomst en waarin is verzocht om een aangepast contract, kennelijk zonder VTN. ABP heeft medegedeeld dat een aangepast contract zonder VTN niet mogelijk is. Vervolgens heeft zij de redenen daarvan uiteengezet. Zij heeft dat in een uitvoerige brief toegelicht. ABP heeft in het slot van haar brief er met nadruk op gewezen dat een VTN een onlosmakelijk onderdeel is van de vrijwillige toetreding op grond van een afwikkelingsaansluiting. Bibliotheek [vestigingsnaam 2] is nogmaals de gelegenheid gegeven de overeenkomst te ondertekenen.

Op 14 oktober 2013 heeft bibliotheek [vestigingsnaam 2] de hiervoor genoemde brief gestuurd waarin zij het voorbehoud heeft gemaakt. In die brief wordt in een alinea vóór de hier aan de orde zijnde zinsnede vermeld dat een voorbehoud zal worden gemaakt voor de situatie dat POB alsnog een volledige vrijstelling zal geven of voor het geval dat later blijkt dat dispensatie van POB niet vereist is.

Op diezelfde dag heeft bibliotheek [vestigingsnaam 2] de overeenkomst ondertekend met verwijzing naar laatstgenoemde brief.

3.16.

Uit de inhoud van de hiervoor genoemde stukken blijkt dat ABP bij herhaling uitleg heeft gegeven over haar beleid, over de omvang van het VTN, over de reden waarom zij VTN in rekening wilde brengen en over de wijze waarop zij het VTN berekende. Uit die stukken blijkt wel dat de bibliotheken de grondslag voor het in rekening brengen van VTN ter discussie hebben gesteld, maar uit geen enkel document blijkt dat zij ooit hebben aangegeven waarom de door ABP genoemde grondslag niet juist zou zijn. Uit de stukken blijkt niet dat de bibliotheken ooit hebben aangegeven dat zij de uitgangspunten die ABP hanteerde niet juist achtten of zelfs maar dat zij daarover vragen hadden. Weliswaar hebben de bibliotheken ter gelegenheid van het pleidooi verklaard dat de bedragen in 2013 voor hen volledig uit de lucht kwamen vallen, maar dat rijmt niet met hetgeen in 3.14 en 3.15 is vermeld over de bedragen waarmee reeds voorafgaand aan de privatisering rekening werd gehouden. Volgens ABP waren de bedragen aanvankelijk nog hoger omdat het personeelsbestand aanvankelijk groter was. Ook de juistheid van die stelling blijkt uit de stukken. Volgens de bibliotheken hebben zij in september 2013 gevraagd hoe het kon dat er zulke hoge bedragen in rekening werden gebracht door ABP. Dat de bibliotheken het door ABP in rekening te brengen bedrag aan VTN te hoog vonden, kan wel worden afgeleid uit de hiervoor besproken correspondentie, maar niet blijkt dat de bibliotheken daarbij tevens hebben gevraagd om de berekeningen. ABP heeft met verwijzing naar stukken uitvoerig uiteengezet hoe zij gedurende enkele jaren de bibliotheken heeft voorzien van informatie. Voor zover de bibliotheken hebben gesteld dat de informatievoorziening onvoldoende was, is die stelling gelet daarop onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende onderbouwd. Uit de hiervoor besproken correspondentie blijkt niet dat de bibliotheken berekeningen hebben gevraagd. Zelfs als dat wel het geval was, dan waren de bibliotheken met die vraag te laat. In september 2013 moesten de overeenkomsten immers getekend worden, terwijl de bibliotheken die vraag vanaf 2010, maar in ieder geval vanaf 2012 hadden kunnen stellen.

ABP heeft terecht aangevoerd dat het voorbehoud voor haar geen inhoud had. Dat voorbehoud was onvoldoende concreet. In de brieven van 14 en 16 oktober 2013 staat niet vermeld dat of welke uitgangspunten van ABP onjuist waren. In die brieven wordt ook niet vermeld dat de bibliotheken van mening waren dat moest worden aangesloten bij hetgeen is bepaald in het Vrijstellings- en boetebesluit Bpf 2000 (hierna: het Vrijstellingsbesluit), zoals zij in deze procedure betogen. Het voorbehoud is in zeer vage bewoordingen gesteld. Uit de context valt ook niet af te leiden dat de bibliotheken een zo verstrekkend voorbehoud bedoelden te maken zoals zij in deze procedure aan de orde stellen. Zoals hiervoor immers al is vermeld is de betreffende zinsnede over het voorbehoud geplaatst na een passage over de situatie dat alsnog volledige dispensatie zou worden verleend door POB en (voor bibliotheek [vestigingsnaam 1] ) vóór een passage over een lijst met personeelsleden. Voor de hand liggend is dus dat het voorbehoud daarop betrekking zou hebben. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft de advocaat van de bibliotheken verklaard dat hij bij de opstelling van deze brieven betrokken is geweest. Dan valt nog minder te begrijpen dat het voorbehoud zo onduidelijk is geformuleerd. Immers, in een zeer uitvoerige brief van 20 februari 2014 heeft de advocaat van de bibliotheken aan ABP laten weten waarom de bibliotheken het niet eens zijn met het beleid van ABP, waarom VTN volgens hen niet verschuldigd is, althans onredelijk, en waarin uitvoerig wordt vermeld dat en waarom de door ABP gehanteerde uitgangspunten onjuist althans onredelijk zijn. Niet valt in te zien waarom niet reeds bij brieven van 14 en 16 oktober 2013 melding kon worden gemaakt van deze kritiekpunten, zodat ABP had kunnen begrijpen wat de bibliotheken bedoelden met hun voorbehoud. Dat het voorbehoud geen betekenis had in de visie van ABP, komt omdat zij niet behoefde te betwijfelen dat de bibliotheken na uitvoerige besprekingen, correspondentie en voorberekeningen, geheel andere uitgangspunten wensten. Gelet op de voorgeschiedenis en gelet op de context waarin het voorbehoud in de brieven is vermeld, hoefde ABP het gemaakte voorbehoud niet op te vatten zoals dat in deze procedure door de bibliotheken wordt bepleit. Gelet op dit lange voortraject kunnen de bibliotheken ook niet worden gevolgd in hun standpunt dat de overeenkomsten op korte termijn getekend moesten worden. Weliswaar zat er tijdsdruk op vanwege het risico van overlijden of arbeidsongeschiktheid van werknemers, maar partijen waren al jarenlang met elkaar in gesprek, waarbij, zoals hiervoor al is vermeld, ABP telkens bereid is geweest tot het verstrekken van nadere informatie en nergens uit blijkt dat die tijdsdruk werd veroorzaakt door omstandigheden die in de risicosfeer van ABP liggen, integendeel. Het feit dat ABP de berekeningen pas na het sluiten van de overeenkomsten aan de bibliotheken heeft verstrekt leidt niet tot een ander oordeel. ABP is steeds heel duidelijk geweest over de omvang van de kosten. De kosten zouden aanzienlijk zijn. Wanneer de bibliotheken twijfels hadden over de omvang van de kosten of over de wijze van berekening, dan hadden zij ABP vóór de totstandkoming van de overeenkomsten kunnen (en moeten) vragen om een berekening. Uit de overgelegde stukken blijkt dat ABP meermaals heeft aangegeven dat zij bereid was om nadere informatie te verstrekken als iets niet duidelijk was. Ook blijkt uit de stukken dat ABP heel duidelijk te kennen heeft gegeven niet bereid te zijn tot het aangaan van de overeenkomsten zonder vergoeding voor VTN.

Nu de bibliotheken hebben volstaan met een zeer beperkt en onduidelijk geformuleerd voorbehoud, terwijl zij niet hebben toegelicht waarom zij niet toen reeds duidelijk(er) hadden kunnen maken om welke redenen zij zich niet konden verenigen met VTN, hoefde ABP daar geen rekening mee te houden. ABP heeft dus terecht aangevoerd dat zij het voorbehoud heeft opgevat als niet relevant.

3.17.

De bibliotheken hebben aangevoerd dat het VTN geen daadwerkelijk redelijk en reëel nadeel is voor ABP. Voor zover dat nog beoordeeld zou moeten worden, kan het hof de bibliotheken in dat standpunt niet volgen.

Vooropgesteld dient te worden dat het gaat om een vrijwillige toetreding en dat het ABP vrijstaat om daaraan voorwaarden te verbinden. Die voorwaarden heeft zij neergelegd in beleid en dat beleid wenst zij consequent uit te voeren. Niet valt in te zien waarom van ABP in dit geval moet worden verlangd dat zij maatwerk levert in plaats van uitvoering van haar beleid. De bibliotheken zijn niet de enige geprivatiseerde organisaties. ABP heeft aangevoerd dat het voor haar ondoenlijk is om maatwerk te leveren.

Nu het gaat om vrijwillige toetreding is het uitgangspunt van de bibliotheken, dat ‘oude werknemers’ blijven deelnemen, onjuist. Volgens de bibliotheken heeft ABP dit zelf aldus geformuleerd op haar website. Voor zover de bibliotheken hebben bedoeld te betogen dat ABP hen hiermee verkeerd heeft geïnformeerd, faalt die stelling. ABP heeft immers in de hiervoor besproken correspondentie herhaaldelijk en specifiek op de situatie toegesneden uitleg gegeven. Niet valt in te zien waarom de bibliotheken in weerwil van die specifiek gegeven informatie zouden mogen afgaan op hetgeen op de website is vermeld (welke informatie volgens ABP overigens niet goed is weergegeven, althans onjuist wordt geïnterpreteerd, door de bibliotheken).

Dat voor de groep ‘oude werknemers’ in het verleden premie is afgedragen aan ABP, maakt niet dat zij ‘blijven’ deelnemen. ABP heeft terecht uiteengezet dat en waarom de bibliotheken uitgaan van een onjuist uitgangspunt. De verplichte deelneming is per 1 januari 2013 geëindigd. Per die datum is sprake van een vrijwillige aansluiting op basis van overeenkomsten. Die aansluiting betreft niet het gehele personeelsbestand van de bibliotheken, maar enkel de werknemers die op die datum reeds in dienst waren. De ‘nieuwe’ werknemers vallen niet onder de vrijwillige aansluiting. Gelet op de leeftijdsopbouw van de groep ‘oude werknemers’ is deze groep kostentechnisch gezien ongunstig voor ABP.

Het hof kan de bibliotheken niet volgen in hun betoog dat er geen enkel economisch nadeel voor ABP ontstaat. De bibliotheken beperken hun stelling in dit kader ten onrechte tot de groep ‘oude werknemers’. Daarmee miskennen zij dat er (niet alleen een juridisch) verschil is in de situatie voor en na 1 januari 2013. Het juridisch en feitelijk verschil is dat de ‘nieuwe’ werknemers niet deelnemen na 1 januari 2013. Volgens de bibliotheken houdt ABP er ten onrechte geen rekening mee dat zij een verzekeringstechnisch voordeel behaalt door het eindigen van de deelname van de groep ‘oude werknemers’. Met die redenering wordt door de bibliotheken echter slechts een vergelijking gemaakt met hun eigen situatie, terwijl ABP een vergelijking maakt met al haar deelnemers. Anders gezegd: volgens de bibliotheken gaat het om de vergelijking van het hele personeelsbestand ten opzichte van de groep ‘oude werknemers’, terwijl ABP, terecht, rekening houdt met de ‘gehele ABP-populatie’. In dit verband is van belang dat juist de deelname van jonge werknemers de financiering mogelijk maakt, omdat het gaat om aanspraken waarop jonge werknemers geen recht hebben, terwijl voor hen wel premies moeten worden afgedragen. Door het ontbreken van nieuwe instroom gaat het onderhavige personeelsbestand steeds meer afwijken van de gehele ABP-populatie, hetgeen financieel nadelig is voor ABP. Voorts is in dit verband van belang dat de premies die tijdens de periode van verplichte deelname zijn afgedragen, waren bedoeld voor de totaliteit van destijds. De thans ‘oude werknemers’ betaalden dus toen als jonge werknemers mee aan aanspraken voor de werknemers die toen ‘oud’ waren. Destijds bestond er evenwicht, terwijl dat evenwicht met de vrijwillige toetreding van slechts ‘oude werknemers’ is verstoord.

Voor wat betreft de ‘nieuwe’ werknemers is nog van belang dat ABP geen VTN zou hebben gevraagd als zij overeenkomsten had kunnen sluiten met de bibliotheken voor het gehele personeelsbestand. Om die reden hebben de bibliotheken ook voor de ‘nieuwe’ werknemers dispensatie gevraagd van het POB, maar deze is geweigerd. De bibliotheken hebben echter niet toegelicht waarom zij geen vervolg hebben gegeven aan daarover gevoerde procedures met POB.

Dat een andere berekeningswijze mogelijk is en dat het mogelijk is andere uitgangspunten te hanteren, betekent niet dat de door ABP genomen uitgangspunten niet redelijk en reëel zijn. Ook betekent dit niet dat het nadeel niet redelijk en reëel is. Het gaat in dit geval om uitleg van de overeenkomst en niet om schadebegroting, zoals de bibliotheken kennelijk menen. De vergelijking met het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2003 (ECLI:NLHR:2003:AI0894) gaat mank evenals het beroep op artikel 6:100 BW.

Het hof kan de bibliotheken evenmin volgen in hun stelling dat het VTN dient te worden berekend conform het Vrijstellingsbesluit. Het Vrijstellingsbesluit is in de onderhavige situatie niet van toepassing en, anders dan de bibliotheken hebben betoogd, is er ook geen reden om reflexwerking aan te nemen of ervan uit te gaan dat de bibliotheken reden hadden om erop te mogen vertrouwen dat ABP het VTN zou berekenen volgens het Vrijstellingsbesluit. De door de bibliotheken gemaakte vergelijking met HR 6 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3242) en de in die zaak door advocaat-generaal mr. M.H. Wissink genomen conclusie gaat niet op. Immers, anders dan in die zaak, hebben partijen gedurende zeer lange tijd met elkaar overleg gevoerd over de onderhavige overeenkomsten (zie 3.13 tot en met 3.15). De bibliotheken hadden dus kunnen en behoren te begrijpen dat ABP andere uitgangspunten hanteerde dan de uitgangspunten in het Vrijstellingsbesluit. Voor zover zij daarover twijfels hadden, hadden zij nadere inlichtingen kunnen en moeten vragen aan ABP. Zoals al in 3.16 is overwogen, had het, gelet op de herhaaldelijk gegeven toelichting van ABP op de weg van de bibliotheken gelegen om de berekeningen op te vragen. ABP kan dus ook niet worden verweten dat zij pas in mei 2014 de berekeningen aan de bibliotheken heeft verstrekt. Klaarblijkelijk is dat gebeurd naar aanleiding van de in opdracht van de bibliotheken gemaakte toetsing en berekening door [consultant] die zij bij brief van 20 februari 2014 aan ABP hebben verstrekt. Echter, niet valt in te zien, waarom de bibliotheken niet in een veel eerder stadium deze toets hebben laten uitvoeren. Zij hielden er immers reeds in 2012 rekening mee dat zij aanzienlijke bedragen kwijt zouden zijn aan ABP en al in 2010 is door ABP uitleg gegeven. De bibliotheken hebben alle tijd gehad om [consultant] in een veel eerder stadium in te schakelen.

Evenmin kan het hof de bibliotheken volgen in hun stelling dat het onjuist is om een doorsneepremie te hanteren omdat het kabinet voornemens is deze af te schaffen. Die plannen acht het hof onvoldoende concreet. Het hof acht het redelijk dat ABP met haar beleid uitgaat van de ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten geldende situatie.

Voor zover de bibliotheken hebben bedoeld te betogen dat ABP misbruik heeft gemaakt van haar positie, faalt ook dat betoog. Voor wat betreft de daartoe ingenomen stelling van de bibliotheken dat sprake was van tijdsdruk bij het tekenen van de overeenkomsten, verwijst het hof naar hetgeen daarover in 3.16 is overwogen. De in dat kader daarnaast ingenomen stelling dat de voorwaardelijke pensioenaanspraken uitsluitend behouden konden blijven wanneer de ‘oude werknemers’ bij ABP aangesloten zouden blijven, is onjuist. ABP heeft immers onbetwist daartegen ingebracht dat het ook mogelijk was om die aanspraken elders in te kopen. ABP heeft onbetwist gesteld dat dit aanzienlijke extra lasten had meegebracht voor de bibliotheken (de contante waarde van deze inkoopaanspraken is berekend op € 2,3 miljoen voor bibliotheek [vestigingsnaam 1] en € 1,4 miljoen voor bibliotheek [vestigingsnaam 2] ). Dat de kosten daarvan voor de bibliotheken in dat geval aanzienlijk hoger waren geweest, geeft steun aan het oordeel dat ABP een redelijk en reëel nadeel heeft.

3.18.

Subsidiair hebben de bibliotheken aangevoerd dat het beroep van ABP op de nakoming van de overeenkomsten (betaling van de overeengekomen bedragen) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uit het voorgaande volgt reeds dat de bibliotheken daarin niet worden gevolgd.

3.19.

Het hof passeert het bewijsaanbod van de bibliotheken als niet ter zake dienend.

3.20.

Het hof zal de bibliotheken veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

in incidenteel hoger beroep

3.21.

Het incidenteel hoger beroep heeft betrekking op de ingangsdatum van de wettelijke rente over het door bibliotheek [vestigingsnaam 2] verschuldigde bedrag. De kantonrechter heeft geoordeeld dat bibliotheek [vestigingsnaam 2] op 23 juli 2014 in verzuim is geraakt. Volgens ABP is verzuim eerder ingetreden.

3.22.

Het primaire standpunt van ABP dat de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf 1 januari 2013 faalt. Op dat moment kon bibliotheek [vestigingsnaam 2] nog niet in verzuim zijn, nu ABP pas op 25 oktober 2013 heeft gefactureerd. In die factuur is 1 januari 2013 als betaaldatum opgenomen, maar toen was de vordering nog niet opeisbaar.

3.23.

Als subsidiaire en meer subsidiaire ingangsdata heeft ABP aangevoerd dat een redelijke termijn heeft te gelden vanaf de factuurdatum, te weten een dag daarna, vijf dagen later of een maand later (26 oktober 2013, 1 november 2013, 26 november 2013). Ook daarin kan het hof ABP niet volgen. De factuur is niet in het geding gebracht. Kennelijk stond op deze factuur geen andere betaaldatum dan 1 januari 2013, die echter reeds was verstreken voordat de factuur werd gestuurd. Niet valt in te zien op welke grond een redelijke termijn zou moeten gelden en wat dan als redelijk moet worden gekwalificeerd.

3.24.

ABP heeft wel terecht aangevoerd dat zij bibliotheek [vestigingsnaam 2] met productie 17 in gebreke heeft gesteld. Anders dan ABP heeft gesteld, dateert die brief niet van 24 februari 2014, maar van 28 februari 2014. Dat ABP de onjuiste datum heeft genoemd in haar memorie van grieven is geen reden om de vordering van ABP af te wijzen. Uit de memorie van antwoord blijkt dat het bibliotheek [vestigingsnaam 2] duidelijk is op welke brief ABP heeft gedoeld. Ook het verweer dat een onjuist bedrag is vermeld in die ingebrekestelling, staat niet in de weg aan toewijzing van de wettelijke rente vanaf de in die brief gestelde datum. Dat een onjuist bedrag is genoemd door ABP, is veroorzaakt doordat ABP in die brief niet alleen aanspraak heeft gemaakt op de hoofdsom, maar ook op de wettelijke handelsrente die zij tot dat moment had berekend. De kantonrechter heeft geoordeeld dat wettelijke handelsrente niet verschuldigd is. Daartegen is geen grief gericht. Dat laat onverlet dat het bibliotheek [vestigingsnaam 2] voldoende duidelijk moest zijn dat ABP aanspraak maakte op in ieder geval de hoofdsom en dat zij in verzuim zou raken wanneer zij niet binnen de gestelde termijn zou betalen. Dat blijkt overduidelijk uit die brief. In die brief heeft zij bibliotheek [vestigingsnaam 2] een termijn gesteld van vijf dagen. Niet valt in te zien waarom de gestelde termijn niet redelijk zou zijn. Bibliotheek [vestigingsnaam 2] wist zeer geruime tijd dat ABP betaling verlangde van VTN en zij was ook zeer geruime tijd op de hoogte van het dienaangaande verschuldigde bedrag. Het hof heeft de bevoegdheid minder toe te wijzen dan het gevorderde. In plaats van de gevorderde ingangsdatum van 29 februari 2014 zal het hof de wettelijke rente toewijzen vanaf 6 maart 2014 .

3.25.

Bibliotheek [vestigingsnaam 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep uitsluitend voor zover in reconventie de wettelijke rente is toegewezen vanaf 24 juli 2014 en in zoverre opnieuw rechtdoende veroordeelt bibliotheek [vestigingsnaam 2] om de wettelijke rente te voldoen over het in dat vonnis toegewezen bedrag vanaf 6 maart 2014 en bekrachtigt dat vonnis voor het overige;

veroordeelt de bibliotheken in de proceskosten van het principaal hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van ABP op € 5.160,- aan griffierecht en op € 13.740,- aan salaris advocaat en veroordeelt bibliotheek [vestigingsnaam 2] in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ABP begroot op € 447,- aan salaris advocaat;

verklaart de veroordeling tot betaling van de wettelijke rente vanaf 6 maart 2016 en de veroordeling tot betaling van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, M. van Ham en A.W. Rutten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 april 2017.

griffier rolraadsheer