Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1688

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-04-2017
Datum publicatie
07-03-2018
Zaaknummer
200.180.553_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:8699
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:887
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

loonvordering; bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.180.553/01

arrest van 18 april 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J.M. Pals te Roermond,

tegen

[geintimeerde] , h.o.d.n. 't Gouden Haantje,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geintimeerde] ,

advocaat: mr. E.H.J.M. Dohmen te Roermond,

op het bij exploot van dagvaarding van 5 november 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 14 oktober 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geintimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3950927\ CV EXPL 15-2653)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 5 november 2015;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellante] , geboren op [geboortedatum] 1962 (thans 54 jaar), is op 15 oktober 2013 in dienst getreden bij [geintimeerde] op basis van een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd van 12 maanden. De arbeidsovereenkomst is geëindigd per 15 oktober 2014.

3.2.

In de onderhavige procedure heeft [appellante] in eerste aanleg gevorderd om [geintimeerde] , bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot:

- betaling van € 11.052,72 bruto wegens loon en vakantiebijslag, waarop een bedrag in mindering kan strekken van € 5.092,00 netto;

- verstrekking van een deugdelijke bruto-netto specificatie;
- betaling van de wettelijke verhoging en wettelijke rente;

met veroordeling van [geintimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties en de nakosten.

3.2.1.

Aan deze vordering heeft [appellante] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Zij was bij [geintimeerde] in dienst voor 20 uren per week en werkte op maandag tot en met vrijdag, van 09:00 uur tot 13:00 uur. Daarboven werkte zij regelmatig langer door en heeft ook op zaterdagen gewerkt. Zij kreeg slechts gedeeltelijk betaald, veelal in contanten.

Haar loon bedroeg € 852,83 bruto per maand (€ 9,84 bruto per uur), te vermeerderen met 8% vakantiebijslag. Zij zou derhalve over de periode van 15 oktober 2013 tot 15 oktober 2014 gerechtigd zijn tot een bedrag aan loon en vakantiebijslag van in totaal € 11.052,72 bruto, maar zij heeft van [geintimeerde] slechts een bedrag ontvangen van € 5.092,00 netto.

3.2.2.

[geintimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens haar blijkt uit een door haar in het geding gebrachte schriftelijke arbeidsovereenkomst dat [appellante] werkzaam was voor minimaal 4 en maximaal 12 uren per week. Alle gewerkte uren zoals vermeld in de salarisspecificaties zijn betaald, zodat [appellante] niets meer van haar te vorderen heeft.

3.3.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellante] , in het licht van de gemotiveerde en onderbouwde betwisting van [geintimeerde] , haar stelling onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. Aan bewijslevering is niet toegekomen en de vordering van [appellante] is afgewezen.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Zij heeft, na vermindering van eis, geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vordering, waarbij op het bedrag van € 11.052,72 bruto een bedrag van € 5.484,00 netto in mindering dient te strekken wegens een nabetaling van € 392,03 netto.

3.5.

Grief 1 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] niet in de gelegenheid is gesteld om, als bewijslevering op haar weg zou liggen, nader bewijs te leveren van, kort gezegd:
- de afspraak dat zij 20 uur werk per week zou werken; en
- het feit dat zij van maandag tot en met vrijdag 4 uur per dag heeft gewerkt (regelmatig meer uren, ook op zaterdagen).

3.6.

Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat [appellante] bij [geintimeerde] in dienst is geweest op grond van een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd van één jaar, van 15 oktober 2013 tot 15 oktober 2014. Verder staat vast dat [appellante] werkzaamheden heeft verricht voor [geintimeerde] en dat [geintimeerde] haar voor werkzaamheden heeft betaald, deels per bank en deels contant.

3.7.

Volgens [appellante] is sprake van een arbeidsovereenkomst voor 20 uren per week. [geintimeerde] heeft haar, toen zij al enkele dagen aan het werk was, tussen de bedrijven door een overeenkomst met een urenaantal van 20 per week ter ondertekening voorgeschoven. Anders dan [geintimeerde] heeft betoogd, was boekhouder [boekhouder] hier niet bij aanwezig, maar alleen de toenmalige bedrijfsleider, [toenmalig bedrijfsleider] . [appellante] kan geen exemplaar van de overeenkomst in het geding brengen, omdat zij die destijds niet heeft gekregen van [geintimeerde] .
[appellante] heeft vanaf het begin van het dienstverband tot medio juli 2014 tenminste 20 uren per week (van maandag tot en met vrijdag van 9:00 tot 13:00 uur) en regelmatig op zaterdag gewerkt, maar zijn deze uren niet vaan haar uitbetaald.
heeft tijdens haar dienstverband geen salarisstroken ontvangen. Medio juli 2014 heeft [geintimeerde] plotseling een ontslagbrief aan haar voorgelegd, waarschijnlijk omdat zij regelmatig vroeg naar salarisstroken en aanvullende betaling van loon omdat zij naar haar idee te weinig betaald kreeg. [appellante] heeft zich tot haar gemachtigde gewend en die heeft pas eind augustus 2014 salarisstroken van [geintimeerde] ontvangen. Die salarisstroken zien er anders uit dan de door [geintimeerde] in het geding gebrachte salarisstroken. De handgeschreven aantekeningen over contante betalingen en de daarbij geplaatste handtekening/parafen wijken van elkaar af en de salarisspecificatie over de maand mei 2014 bevat een ander aantal loonuren en een ander salaris. De door [geintimeerde] in het geding gebrachte salarisstroken kloppen dus niet. Diverse getuigen kunnen verklaren over de daadwerkelijk door [appellante] bij [geintimeerde] gewerkte uren, zoals de bedrijfsleider en enkele collega’s ( [toenmalig bedrijfsleider] , [collega 1] , [collega 2] , [collega 3] en [collega 4] ).

3.8.

[geintimeerde] heeft hiertegenover aangevoerd dat partijen een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan van gemiddeld minimaal vier en maximaal twaalf uren per week (cva productie 1). [appellante] heeft die arbeidsovereenkomst voor akkoord ondertekend, in aanwezigheid van [geintimeerde] en haar adviseur [boekhouder] . Ook heeft [geintimeerde] deze overeenkomst persoonlijk aan [appellante] overhandigd en later nog eens afgegeven ten kantore van de advocaat van [appellante] . [geintimeerde] heeft medio juli 2014 aan [appellante] heeft uitgelegd dat zij niet naar behoren functioneerde en dat zij, in strijd met de instructies om naar huis te gaan, in de zaak van [geintimeerde] aanwezig bleef. [geintimeerde] heeft daarom aan [appellante] te kennen gegeven dat haar tijdelijke arbeidsovereenkomst zou eindigen per 15 oktober 2014. Ook heeft zij aangegeven dat [appellante] niet meer in haar zaak werd toegelaten, maar dat zij bereid was om aan [appellante] het minimum aantal uren volgens contract te betalen zonder dat [appellante] hiervoor hoefde te werken: 18 uren in augustus, 18 uren in september en 8 uren in oktober 2014.

Volgens [geintimeerde] heeft [appellante] het aantal uren gewerkt zoals vermeld in de salarisspecificaties en is het daarbij behorende salaris aan haar uitbetaald (cva productie 2):
periode loonuren salaris bruto salaris netto betaling

oktober 2013 80 € 787,20 € 670,17 contant

november 40 € 393,60 € 378,25 contant

december 40 € 393,60 € 378,25 contant

januari 2014 50 € 492,00 € 472,66 contant

februari 40 € 393,60 € 378,13 contant

maart 42,5 € 418,20 € 402,00 bank

april 45 € 442,80 € 425,41 contant

mei 45 € 743,91 € 637,58 bank

juni 42,5 € 418,20 € 402,00 contant

juli 35,5 € 349,32 € 335,82 bank

augustus 18 € 177,12 € 170,16 bank

september 18 € 177,12 € 170,16 bank

oktober 8 € 174,77 € 131,42 bank

november 0 € 448,36 € 260,61 bank

totaal 504,5 € 5.508,69 € 5.212,62
De salarisstroken die [geintimeerde] aan de gemachtigde van [appellante] heeft overhandigd zijn gelijk aan die zij in het geding heeft gebracht, behalve de salarisstrook van mei 2014. Op die salarisstrook was aanvankelijk een nettoloon vermeld van € 602,63. [geintimeerde] heeft op eigen initiatief de salarisstrook opnieuw laten opmaken toen zij bemerkte dat [appellante] die periode twee uren meer had gewerkt dan berekend (nettoloon € 637,58, een verschil van € 34,95).

3.9.

Het hof overweegt als volgt. [appellante] heeft haar vordering tot betaling gegrond op de tussen partijen overeengekomen arbeidsovereenkomst. Volgens [appellante] is sprake van een arbeidsovereenkomst voor 20 uren per week en heeft zij (tot medio juli 2014) daadwerkelijk tenminste 20 uur per week gewerkt. [geintimeerde] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens haar zijn partijen schriftelijk een arbeidsovereenkomst aangegaan voor gemiddeld minimaal vier en maximaal twaalf uren per week en heeft [appellante] tot en met juli 2014 het aantal uren gewerkt zoals vermeld in de salarisspecificaties.

Gelet op het door [geintimeerde] gevoerde gemotiveerde verweer tegen de door [appellante] gestelde inhoud van de arbeidsovereenkomst én de omvang van het daadwerkelijk gewerkte aantal uren, zal [appellante] – nu volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast hiervan op haar rust omdat zij zich op de rechtgevolgen daarvan beroept als grondslag voor haar vordering – tot bewijslevering worden toegelaten zoals hierna in het dictum zal worden vermeld.

3.10.

Het hof gaat voorbij aan het aanbod van [appellante] om bewijs te leveren van haar stelling dat zij meer dan 20 uren per week en regelmatig op zaterdag zou hebben gewerkt. [appellante] heeft dit betoog niet, althans onvoldoende onderbouwd. Het had op haar weg gelegen om aan te geven welke op welke (zater)dagen zij extra uren zou hebben gewerkt, maar dat heeft zij niet gedaan. Daarbij komt dat de vordering van [appellante] van in totaal € 11.052,72 bruto is gegrond op een werkweek van 20 uren x € 9,84 bruto x 52 weken + 8% vakantiebijslag (in totaal € 11.052,29 bruto, een minimaal verschil van € 0,43). In zoverre kan haar bewijsaanbod derhalve ook worden gepasseerd als zijnde niet relevant.

3.11.

In afwachting van bewijslevering zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

4 De uitspraak


Het hof:

laat [appellante] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat zij:

- met [geintimeerde] een arbeidsovereenkomst is aangegaan voor 20 uren per week en wel van maandag tot en met vrijdag van 09:00 uur tot 13:00 uur;
- op maandag tot en met vrijdag telkens vier uren heeft gewerkt;

bepaalt, voor het geval [appellante] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. P.P.M. Rousseau als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 2 mei 2017 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] bij zijn opgave op genoemde roldatum een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellante] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, M.E. Smorenburg en W.H. van Empel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 april 2017.

griffier rolraadsheer