Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1631

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-04-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
15/00494
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:306, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:670, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende, een BV, is opgericht op [datum 1] 2013 en heeft vanaf 1 januari 2014 verzekeringsplichtig personeel in dienst. De activiteiten van belanghebbende zijn nieuw. Het te verwachten premieplichtig loon in 2014 bedraagt € 4.000.000. In geschil is of belanghebbende ten aanzien van de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas terecht is aangemerkt als “kleine werkgever”, in welk geval een premiepercentage van 5,4 geldt, danwel dat zij als een startende “grote werkgever”, zoals bedoeld in artikel 2.17, lid 1 van het Besluit Wfsv, is te beschouwen zodat ze slechts 1,03 percent verschuldigd is. Het Hof is van oordeel dat in afwijking van artikel 2.5, lid 1, onderdeel b, van het Besluit Wfsv belanghebbende wel als een startende “grote werkgever” is te beschouwen ondanks het feit dat belanghebbende geen premieplichtig loon in 2012 heeft uitgekeerd. Steun voor dit oordeel vindt het Hof in de Toelichting bij het Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2014, gepubliceerd in de staatscourant nr. 24667, 2 september 2013.

Wetsverwijzingen
Besluit Wfsv 2.17
Besluit Wfsv 2.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1358
V-N 2017/37.1.2
FutD 2017-1480
Viditax (FutD), 12-01-2018
Viditax (FutD), 04-05-2018
NTFR 2017/1595
NLF 2017/1496 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/00494

Uitspraak op het hoger beroep van

De inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 januari 2015, nummer AWB 14/2831 in het geding tussen

[belanghebbende] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur,

met betrekking tot de hierna te noemen (afdracht op) aangifte.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 20 februari 2014 aangifte gedaan van de door haar voor het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 januari 2014 verschuldigde loonheffingen. Tegen deze afdracht op aangifte heeft zij op 1 april 2014 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 14 april 2014 het bezwaar afgewezen.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en bepaald dat de verschuldigde loonheffing wordt herrekend, waarbij voor de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas de rekenpercentages worden gehanteerd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.17, eerste lid, van het Besluit Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Besluit Wfsv).

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 14 juli 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens de Inspecteur, mevrouw [A] en de heren [B] , [C] en [D] , alsmede belanghebbendes gemachtigde de heer [E] .

1.5.

Het Hof heeft na afloop van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn voor zover van belang in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is opgericht op [datum 1] 2013. Op [datum 2] 2013 heeft zij zich als nieuwe werkgever bij de Belastingdienst aangemeld. Zij is voor de werknemersverzekeringen ingedeeld in sector 52 (Uitzendbedrijven). De activiteiten van belanghebbende zijn nieuw opgestart, dat wil zeggen niet afkomstig van een andere onderneming. Vanaf 1 januari 2014 heeft belanghebbende verzekeringsplichtig personeel in dienst. Belanghebbende heeft melding gemaakt van een te verwachten premieplichtig loon van € 4.000.000, bij een geschat aantal werknemers van 300.

2.2.

Met dagtekening 28 januari 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een mededeling Loonheffingen Gedifferentieerd premiepercentage Werkhervattingskas gezonden. Daarin is vermeld dat belanghebbende is aangemerkt als startende “kleine werkgever”, waardoor voor haar het gedifferentieerde premiepercentage Werkhervattingskas van 5,40 percent geldt.

2.3.

Bij brief van 1 april 2014 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aangifte loonheffingen voor het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 januari 2014. De aangifte is ingediend op 20 februari 2014 en de afdracht op aangifte is gedaan op 27 februari 2014. Bij uitspraak op bezwaar van 14 april 2014 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

2.4.

In de toelichting bij het Besluit gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2014 (hierna: de Toelichting), gepubliceerd in de Staatscourant nr. 24667, 2 september 2013, is ten aanzien van de startende werkgever het volgende vermeld:

“ De grote werkgever die in 2012, 2013 of 2014 start, betaalt op grond van artikel 2.17 van het Besluit Wfsv, het rekenpercentage, de kleine werkgever die in 2012, 2013 of 2014 start, betaalt de voor hem geldende sectorale premie. De middelgrote werkgever betaalt een gewogen gemiddelde van de voor hem geldende sectorale premie en het rekenpercentage.”

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende ten aanzien van de berekening van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas terecht is aangemerkt als “kleine werkgever”.

3.2.

De Inspecteur is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Belanghebbende is de tegenovergestelde opvatting toegedaan en vindt dat zij als “grote werkgever” dient te worden aangemerkt.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.4.

De Inspecteur concludeert tot, gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 38 van de Wet financiering sociale verzekeringen (hierna: Wfsv) in verbinding met paragraaf 2 van het Besluit Wfsv wordt het premiepercentage voor de Werkhervattingskas bepaald. Van belang is daarbij hoe de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas wordt vastgesteld. Indien belanghebbende als een "kleine werkgever" dient te worden aangemerkt is zij een gedifferentieerde premie Werkhervattingskas verschuldigd van 5,4 percent. Indien belanghebbende daarentegen is te beschouwen als een "grote werkgever", zoals belanghebbende bepleit, dan is zij als startende werkgever op grond van artikel 2.17, lid 1 van het Besluit Wfsv slechts een gedifferentieerde premie Werkhervattingskas verschuldigd van 1,03 percent.

4.2.

Belanghebbende, die eerst vanaf 1 januari 2014 verzekeringsplichtig personeel in dienst heeft, verwachtte voor het gehele jaar 2014 een premieplichtig loon van meer dan € 4.000.000. Zij meent dat zij daarom als een "grote werkgever" is te beschouwen. Niet in geschil is dat zij is ingedeeld in sector 52 (uitzendbedrijven).

4.3.

De Inspecteur is van mening dat belanghebbende als een "kleine werkgever" moet worden aangemerkt. Hij meent dat dit voortvloeit uit het eerste lid, onderdeel b, van artikel 2.5 van het Besluit Wfsv. Hierin is bepaald dat als "kleine werkgever" wordt aangemerkt: een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan (t-2), een premieplichtig loon is gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 10 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar (in 2014: € 30.700).

4.4.

Aangezien belanghebbende pas met ingang van 2014 premieplichtig loon is verschuldigd, volgt daaruit, aldus de Inspecteur, dat het premieplichtige loon in 2012 (het jaar t-2) minder bedraagt dan 10 maal het gemiddelde premieplichtig loon per werknemer zodat belanghebbende als een "kleine werkgever" dient te worden beschouwd. Het gevolg daarvan is dat de regeling voor startende werkgevers (artikel 2.17 Besluit Wfsv) op belanghebbende niet van toepassing is.

4.5.

Het eerste lid van het in onderdeel 4.4. vermelde artikel 2.17 van het Besluit Wfsv luidt als volgt:

" Voor een werkgever die, zonder dat er sprake is van een overgang van een onderneming als bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, in het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld, of in het eerste of tweede kalenderjaar onmiddellijk voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld de hoedanigheid van werkgever heeft verkregen, is het percentage van de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 2.6, vierde lid, gelijk aan de som van de rekenpercentages voor de WGA-lasten vaste dienstbetrekkingen, de WGA-lasten flexibele dienstbetrekkingen en de ZW-lasten, bedoeld in artikel 2.9.".

4.6.

Anders dan de Inspecteur, is het Hof van oordeel dat belanghebbende als een startende "grote werkgever" is te beschouwen. Weliswaar ontbreekt bij belanghebbende een premieplichtig loon in 2012 maar dat betekent niet dat zij daardoor niet in aanmerking kan komen voor de in artikel 2.17 van het Besluit Wfsv opgenomen regeling, nu niet in geschil is dat belanghebbende voor het gehele jaar 2014 een premieplichtig loon van meer dan € 4.000.000 verwachtte. Artikel 2.17 Besluit Wfsv betreft naar het oordeel van het Hof, in afwijking van het bepaalde in artikel 2.5 van het Besluit Wfsv, namelijk een specifieke regeling voor de startende “grote werkgever”.

4.7.

Voornoemde stelling van de Inspecteur leidt tot het ongerijmde gevolg dat startende "grote werkgevers", zoals belanghebbende, waarbij een premieplichtig loon in het jaar t-2 ontbreekt, niet in aanmerking kunnen komen voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie zoals bedoeld in artikel 2.17, lid 1, van het Besluit Wfsv. De opvatting van de Inspecteur zou namelijk het bepaalde in het eerste lid van artikel 2.17 van het Besluit Wfsv zinledig maken. Elke startende “grote werkgever” is in de visie van de Inspecteur een “kleine werkgever”, terwijl het eerste lid van artikel 2.17 van het Besluit Wfsv, door de verwijzing naar artikel 2.6, vierde lid van het Besluit Wfsv, juist ziet op de gedifferentieerde premie voor “grote werkgevers”. Niet is in te zien dat de (mede)wetgever met zijn in artikel 2.17, lid 1 van het Besluit Wfsv opgenomen verwijzing naar artikel 2.6, vierde lid van het Besluit Wfsv niet het oog heeft gehad op een startende werkgever met een premieplichtig loon in het startjaar van meer dan € 3.070.000.

4.8.

Steun voor dit oordeel ziet het Hof in de in onderdeel 2.4. vermelde Toelichting - ondertekend door de Voorzitter Raad van Bestuur van het UWV - waarin is opgenomen dat een startende “grote werkgever” de op grond van artikel 2.17 van het Besluit Wfsv te berekenen premie betaalt. Vermeldingswaard is daarbij dat de Inspecteur ter zitting van het Hof heeft verklaard dat het UWV, na daartoe door de Inspecteur te zijn bevraagd, het in de onderdelen 4.3 en 4.4 vermelde standpunt van de Inspecteur niet kon of wilde bevestigen.

4.9.

Anders dan de Rechtbank, ziet het Hof geen ruimte voor het oordeel dat door voornoemde Toelichting bij belanghebbende een in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat zij als startende “grote werkgever” aangemerkt dient te worden. De uitlatingen in de Toelichting zijn namelijk niet gedaan in het kader van de uitvoering van de belastingwet, maar in de hoedanigheid van (mede)wetgever, in welk geval het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geen opgeld doet (vgl. HR 8 augustus 2008, nr. 42946, ECLI:NL:HR:2008:BD9482).

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Aangezien de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 497.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.13.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, als volgt vast: 2 (punten wegens proceshandelingen) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990.

5 Beslissing

Het Hof:

-verklaart het hoger beroep ongegrond;

-bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

-bepaalt dat van de Inspecteur, op het moment dat deze uitspraak onherroepelijk is komen vast te staan, ter zake van het door hem ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 497; en

-veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990.

Aldus gedaan op 13 april 2017 door A.J. Kromhout, voorzitter, R. den Ouden en M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van A. Vellema, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.