Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1581

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-04-2017
Datum publicatie
13-04-2017
Zaaknummer
15-01244
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6496
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:1582
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In deze zaken neemt een echtpaar (een eenverdienersgezin zonder kinderen) hun aanslagen inkomstenbelasting 2013 als aanknopingspunt om op te komen tegen de afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de partner zonder inkomen. Het Hof beslist dat het hoger beroep van de echtelieden ongegrond is. Het is niet aan de rechter om te treden in de politieke afwegingen en keuzes van de wetgever, en de rechter mag de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet beoordelen. De gewraakte bepaling levert volgens het Hof ook geen strijd op met door de echtelieden aangevoerde bepalingen van Europees recht of andere internationale verdragsbepalingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0928
V-N Vandaag 2017/830

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01244

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer [belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 13 oktober 2015, nummer AWB 14/6236, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna omschreven belastingaanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een definitieve aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.108. Rekening houdend met € 14.782 aan ingehouden loonheffing en € 3.482 gecombineerde heffingskorting, bestaande uit de algemene heffingskorting van € 2.001 en de arbeidskorting van € 1.481, heeft deze aanslag tot een teruggaaf van € 1.563 geleid. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 123. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 20 januari 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van belanghebbendes gemachtigde, de heer prof. mr. [A.] , verbonden aan Bureau Bestuursjuridische Advisering B.V., alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B.] , de heer mr. [C.] en mevrouw mr. [D.] . Te dezer zitting zijn gezamenlijk, doch niet gevoegd, behandeld de hoger beroepszaken van belanghebbende (kenmerk: 15/01244) en van belanghebbendes echtgenote (kenmerk: 15/01245).

1.5.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met deze uitspraak in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1954 en was heel 2013 gehuwd. Zijn echtgenote is geboren op [geboortedatum] 1967. Belanghebbende had in 2013 een inkomen uit werk en woning van € 42.108. Zijn echtgenote heeft in 2013 geen inkomsten genoten.

2.2.

Op 31 maart 2014 heeft belanghebbende aangifte IB/PVV over 2013 gedaan. Het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt € 42.108. Er is sprake van fiscaal partnerschap.

2.3.

Met dagtekening 16 mei 2014 is de definitieve aanslag IB/PVV 2013 ten name van belanghebbende vastgesteld, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.108. Rekening houdend met € 14.782 aan ingehouden loonheffing en € 3.482 gecombineerde heffingskorting, bestaande uit de algemene heffingskorting van € 2.001 en de arbeidskorting van € 1.481, leidt deze aanslag tot een teruggaaf van € 1.563.

2.4.

Met dagtekening 15 januari 2013 is aan belanghebbendes echtgenote een voorlopige aanslag IB/PVV 2013 opgelegd. Als gevolg van deze voorlopige aanslag is gedurende 2013 aan haar de algemene heffingskorting tot een bedrag van € 1.468 uitbetaald.

2.5.

Met dagtekening 23 mei 2014 is de definitieve aanslag IB/PVV 2013 ten name van belanghebbendes echtgenote vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil. Op grond van deze aanslag heeft belanghebbendes echtgenote recht op uitbetaling van de algemene heffingskorting tot een bedrag van € 1.468. Na verrekening van de voorlopige teruggave resteert een terug te ontvangen/te betalen bedrag van nihil.

2.6.

De maximale algemene heffingskorting bedraagt in 2013 € 2.001. Als gevolg van het feit dat de verhoging van de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner met ingang van het jaar 2009 wordt afgebouwd, is de echtgenote van belanghebbende gekort op haar algemene heffingskorting (artikel 8.9, tweede lid, laatste volzin, van de Wet IB 2001). De vermindering bedroeg 26,67%, oftewel € 533. Deze korting is niet, alsnog, bij belanghebbende als verhoging van zijn gecombineerde heffingskorting in aanmerking genomen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Dient de bestreden uitspraak te worden vernietigd omdat die niet deugdelijk is gemotiveerd en derhalve niet voldoet aan het bepaalde in artikel 7:12, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)?

II. Is de vermindering van de verhoging van de algemene heffingskorting als gevolg van artikel 8.9, tweede lid, laatste volzin, van de Wet IB 2001 op grond van het Europese recht dan wel het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: het IVBPR) toegestaan? En zo nee, moet belanghebbende alsnog aanspraak krijgen op het bedrag van deze vermindering?

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt, en hetgeen ter zitting is opgemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal. Belanghebbende heeft ter zitting zijn bedenkingen geuit ter zake van de samenstelling van de Belastingkamer van het Hof. Desgevraagd heeft hij te kennen gegeven daar geen formele consequenties aan te willen verbinden.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.108 en rekening houdend met een algemene heffingskorting van € 4.015 (€ 3.482 +€ 533). De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat de uitspraak op bezwaar enkel is gemotiveerd met de constatering dat de wet juist is toegepast en verder niet is gemotiveerd, en dat de Rechtbank reeds daarom de uitspraak op bezwaar had behoren te vernietigen. Ook stelt belanghebbende dat het Hof om die reden de uitspraak van de Rechtbank dient te vernietigen. Voor zover belanghebbende daarmee bedoelt te stellen dat de aanslag moet worden vernietigd, omdat de uitspraak op het bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, faalt deze grief, overigens daargelaten of deze gebrekkige motivering zich heeft voorgedaan. Het Hof verwijst in dit kader naar hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arresten van 28 oktober 1992, nr. 27 958, ECLI:NL:HR:1992:ZC5146, BNB 1993/36 en van 15 september 1993, nr. 29 175, ECLI:NL:HR:1993:ZC5458, BNB 1993/316. Hieruit volgt dat de mogelijk uit die onzorgvuldigheid voortvloeiende onjuistheden in (hoger) beroep kunnen worden hersteld. Voor zover belanghebbende betoogt dat de uitspraak op bezwaar moet worden vernietigd, omdat de daarin vervatte verwerping van belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag ontoereikend is gemotiveerd, overweegt het Hof dat eventuele onvolkomenheden in die motivering de uitspraak op bezwaar nog niet vernietigbaar maken. Zoals hierna wordt overwogen, is de aanslag bij uitspraak op bezwaar terecht gehandhaafd. Voor vernietiging van de uitspraak op bezwaar acht het Hof geen termen aanwezig.

Vraag II

4.2.

Ten behoeve het tweede geschilpunt, heeft het Hof de wetgeschiedenis inzake de algemene heffingskorting in de Wet IB 2001 in ogenschouw genomen. De algemene heffingskorting uit de Wet IB 2001 vervangt de basisaftrek en de bovenbasisaftrek van artikel 53, derde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. In de Memorie van Toelichting op de Wet IB 2001 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 727, nr. 3) is in dit verband het volgende opgemerkt:

1.1. Inleiding

(...) Ter ondersteuning van nationale beleidsdoelstellingen op het gebied van economische groei, werkgelegenheid, inkomensontwikkeling en milieu zijn verdere aanpassingen van het belastingstelsel onontbeerlijk.(…). Ons belastingstelsel heeft invloed op de ontwikkeling van de werkgelegenheid; vooral de loon- en inkomstenbelasting en de premies voor de sociale verzekeringen spelen daarbij een rol. Ondanks de aanzienlijke groei van de werkgelegenheid en een daling van de langdurige werkloosheid in de laatste jaren is de huidige arbeidsdeelname nog steeds te laag. De netto arbeidsparticipatie van vrouwen is nog steeds lager dan in veel andere landen. Daarnaast zijn laagopgeleiden en allochtonen oververtegenwoordigd in WW en bijstand. (…) Door de verdere stijging van het aantal 65-plussers zou de belasting- en premiedruk aanzienlijk moeten stijgen om de huidige collectieve voorzieningen en sociale zekerheid te kunnen handhaven. Deze ontwikkeling noopt tot het verbreden van het draagvlak door verhoging van de arbeidsparticipatie. Om de arbeidsparticipatie te vergroten zal ook in de komende periode de groei van de werkgelegenheid moeten worden gestimuleerd; een extra stimulans is nodig voor het scheppen van banen waarvoor geen hoge graad van scholing vereist is. (…) In het huidige fiscale stelsel bestaat voor niet-werkende partners en voor partners met een belastbaar inkomen beneden de belastingvrije som de mogelijkheid van overheveling van (het overdraagbare deel van) de belastingvrije som naar de hoofdkostwinner. De hoofdkostwinner heeft in 1999 een belastingvrije som van f 17 179 in plaats van de standaard belastingvrije som van f 8 799. Omdat het netto voordeel van de belastingvrije som afhankelijk is van het marginale belastingtarief heeft de overdraagbaarheid tot gevolg dat in sommige gevallen een inkomensverbetering van de niet-werkende of minstverdienende partner leidt tot een inkomensdaling voor het huishouden. Duidelijk is dat dit het (meer) werken door de partner ontmoedigt. (…) Aangezien het arbeidsaanbod van partners gevoelig is voor de netto inkomensverbetering op huishoudensniveau, vormt voor deze gevallen (de overdraagbaarheid van) de belastingvrije som een drempel voor de arbeidsparticipatie van partners. (…) Mede om de hierboven beschreven effecten te voorkomen wordt in het nieuwe stelsel de belastingvrije som vervangen door een heffingskorting. De netto waarde van de heffingskorting is niet afhankelijk van het marginale belastingtarief. Daardoor verdwijnt het hierboven beschreven negatieve inkomenseffect en wordt het aantrekkelijker voor partners om (meer) te gaan werken.

(…) Verwacht kan worden dat deze overgang een positief effect heeft op de werkgelegenheid.

(…)

2.5.

Emancipatie en economische zelfstandigheid

Bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid vormt een van de doelstellingen van de belastingherziening. Met de afschaffing van de mogelijkheid tot overdracht van de basisaftrek, de invoering van een individueel uit te betalen heffingskorting, de verlaging van de marginale tarieven, de mogelijkheid voor volledige individualisering op het gebied van de toerekening van inkomensbestanddelen en het voorstel om het aangrijpingspunt van de arbeidskorting – in aanvulling op het regeerakkoord – nader te bepalen op 50% WML wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het beleid inzake de bevordering van emancipatie en economische zelfstandigheid. (…)

3.4.

Individualisering

Een van de maatschappelijke ontwikkelingen sinds de inwerkingtreding van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 is een ontwikkeling naar een grotere mate van verzelfstandiging. Dit heeft zijn weerslag gevonden in de ontwikkeling van de inkomstenbelasting. In de periode tot en met 1972 werden alle inkomensbestanddelen van de vrouw toegerekend aan haar man. Met ingang van 1973 is dit systeem verlaten en werd een verzelfstandiging van de gehuwde vrouw, zij het beperkt, ingevoerd. Met ingang van 1984 is de situatie bereikt waarin echtgenoten ieder zelfstandig in de heffing worden betrokken voor de persoonlijke inkomensbestanddelen, terwijl de overige inkomensbestanddelen worden toegerekend aan de echtgenoot met het hoogste persoonlijke inkomen. Met ingang van 1992 zijn bij de invoering van de Brede Herwaardering I ook de inkomsten uit periodieke uitkeringen, waaronder lijfrenten, verzelfstandigd. Met de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt een stap gezet op de weg naar verdere individualisering van het belastingstelsel, waarbij draagkrachtbepalende factoren zoals het hebben van een partner zonder inkomen, niet worden veronachtzaamd.

Individualiseren op het terrein van de inkomenstoerekening betekent dat inkomsten worden belast bij de partner die genieter is van de inkomsten. Aftrekbare uitgaven komen in aanmerking bij de partner op wie de uitgaven drukken. Bij de vormgeving van de individualiseringsgedachte in dit wetsvoorstel is voor een praktische benadering gekozen. Voor de nog niet geïndividualiseerde inkomensbestanddelen is het uitgangspunt dat belastingplichtigen die dit wensen de mogelijkheid krijgen om hun eigen inkomsten en aftrekposten aan te geven, zonder op basis van een wettelijke toerekeningsregel gedwongen te zijn om bepaalde bestanddelen van het inkomen over te brengen naar de aangifte van de meestverdiener.

(…)

HOOFDSTUK 8

Heffingskorting

Afdeling 1

Aansluiting belasting- en premieheffing

In de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn de belastingvrije sommen zoals die in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing zijn, vervangen door heffingskortingen. Deze heffingskortingen verminderen het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Om de belasting- en premieschuld van de individuele belasting- en/of premieplichtige te kunnen vaststellen, is het noodzakelijk de heffingskorting te splitsen in belasting- en premiedelen. (…)

Artikel 8.1.8 Verhoging standaardheffingskorting bij minstverdienende partner

In het eerste lid van deze bepaling wordt geregeld dat minstverdienende partners in beginsel steeds recht hebben op de algemene heffingskorting. Daartoe wordt bepaald dat het bedrag van de op grond van artikel 8.1.7 bepaalde standaardheffingskorting voor de minstverdienende partner zonodig wordt verhoogd tot het bedrag van de algemene heffingskorting. Toepassing van artikel 2.3.1 en van artikel 10 van de Wet financiering volksverzekeringen leidt er vervolgens toe dat een negatieve verschuldigde belasting wordt vastgesteld die tot maximaal het beloop van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner wordt uitbetaald.

In het tweede lid wordt het uit te betalen deel van de heffingskorting beperkt tot maximaal het bedrag van de door de meestverdienende partner verschuldigde belasting en premie voor de volksverzekeringen.’

4.3.

In de toelichting op het Belastingplan 2008 (MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 205, nr. 3) is het volgende opgenomen:

Sociale samenhang (Pijler IV Coalitieakkoord)

8. Versobering uitbetaling algemene heffingskorting

Voor iedere belastingplichtige geldt de algemene heffingskorting. De algemene heffingskorting vermindert de verschuldigde inkomstenbelasting. De algemene heffingskorting is in beginsel dan ook niet hoger dan de verschuldigde inkomstenbelasting. Hierdoor kunnen niet of weinig verdienende belastingplichtigen de algemene heffingskorting niet of niet helemaal te gelde maken. Voor niet of weinig verdienende partners geldt hierop een uitzondering voor zover hun partner inkomstenbelasting verschuldigd is. In dat geval wordt de algemene heffingskorting uitbetaald aan de niet of weinig verdienende partner.

Het gevolg van de uitbetaling van de algemene heffingskorting is dat een partner die zich niet op de arbeidsmarkt begeeft of een kleine deeltijdbaan heeft nauwelijks een prikkel ervaart om (meer) te gaan werken. De uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner zal daarom (stapsgewijs, in 15 jaar met 6 2/3%-punt per jaar) worden afgebouwd. Het wordt dan steeds lonender om (meer) te gaan werken. In het kader van het streven van dit kabinet naar houdbare overheidsfinanciën is ervoor gekozen het afbouwtraject te versnellen ten opzichte van het Coalitieakkoord.

Er wordt gestreefd naar een zekere balans tussen de koopkrachtpositie van kostwinnersgezinnen en de participatiebevordering van niet of weinig verdienende partners. Daarom is er een uitzondering op de beperking: gezinnen met jonge kinderen. Onder gezinnen met jonge kinderen worden verstaan gezinnen met een kind van vijf jaar of jonger. Voor hen blijft de uitbetaling van de algemene heffingskorting onverkort van toepassing. Daarnaast is er een tweede uitzondering voor partners die geboren zijn voor 1 januari 1972; ook voor hen blijft de uitbetaling van de algemene heffingskorting onverkort van toepassing.

De uitbetaling van de algemene heffingskorting wordt veelal via de voorlopige teruggaaf (VT) ontvangen. Aangezien de afbouw niet meer verwerkt kan worden in de programmatuur voor de VT 2008 gaat deze maatregel niet in per 1 januari 2008 maar per 1 januari 2009. Hierdoor wordt voorkomen dat belastingplichtigen in 2008 een te hoog bedrag uitbetaald krijgen en daardoor gedurende 2008 of na afloop van dat jaar een deel moeten terugbetalen. De opbrengst van deze maatregel loopt in de komende jaren op tot het structurele niveau van € 1,4 miljard dat wordt bereikt in 2036.

(…)

Artikelen II, onderdeel J, en III, onderdeel D (artikelen 8.9 en 10.6a van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Bij de vaststelling van de omvang van in aanmerking te nemen heffingskortingen geldt als hoofdregel dat deze in totaal niet op een hoger bedrag wordt vastgesteld dan de inkomensheffing die zonder toepassing van de heffingskortingen verschuldigd zou zijn; de toepassing van een heffingskorting kan in zoverre derhalve nooit tot een uitbetaling via een negatieve aanslag leiden. Op die hoofdregel is in artikel 8.9 een uitzondering geformuleerd en wel voor het geval dat de belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden een partner heeft die zelf een «overschot» heeft aan inkomensheffing. In dat geval kunnen bepaalde heffingskortingen wel leiden tot een negatieve aanslag en wel maximaal tot het overschot aan inkomensheffing van de partner. In het spraakgebruik wordt naar deze bepaling wel verwezen met de oneigenlijke (vermoedelijk uit het tot en met 2000 geldende regime voortkomende) term: de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting.

In het Coalitieakkoord is opgenomen dat de «overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting» geleidelijk in twintig jaar met 5%-punt per jaar wordt verminderd. In het kader van de houdbaarheid van de AOW wordt voorgesteld de afbouw te versnellen, zodat nu de uitbetaling van de heffingskorting in 15 jaar wordt afgebouwd met 6 2/3%-punt per jaar. Zoals toegelicht in het algemeen deel van deze memorie, is het technisch niet mogelijk deze geleidelijke vermindering al in 2008 te laten ingaan. Het eerste jaar waarin dit wel mogelijk is, is 2009. Om die reden wordt met ingang van 2009 de uitbetaling van de algemene heffingskorting verminderd met het eerder genoemde percentage. De jaren daarna groeit elk jaar de vermindering met 6 2/3%-punt, zodat met ingang van 2023 er geen «overdraagbaarheid» meer is.

Deze beperking van uitbetaling is van toepassing op degenen die na 1971 zijn geboren en geen kinderen hebben in de leeftijd van 0 tot en met 5 jaar. De beperking geldt derhalve niet voor belastingplichtigen die zijn geboren voor 1972. En de beperking geldt ook niet voor belastingplichtigen geboren na 1971 (hierna de nieuwe generatie) zolang zij nog een kind onderhouden van jonger dan 6 jaar.

De nieuwe regel, te weten dat de algemene heffingskorting geleidelijk niet meer via een negatieve aanslag wordt uitbetaald, is verwoord in het nieuwe eerste lid van artikel 8.9 van de Wet IB 2001. In 2009 kan volgens deze nieuwe regel nog maximaal 93 1/3% van de algemene heffingskorting via een negatieve aanslag worden uitbetaald. In 2010 en de jaren daarna neemt de vermindering elk jaar met 6 2/3%-punt toe, zodat in 2010 het percentage 86 2/3 wordt, in 2011 het percentage 80 wordt, enz. Deze aflopende reeks komt tot stand met behulp van een jaarlijkse bijstelling op de voet van het nieuwe artikel 10.6a (artikel III, onderdeel D).

De uitzondering op de nieuwe regel die wordt voorgesteld voor de generatie geboren vóór 1972 en de nieuwe generatie met jonge kinderen, is verwoord in het nieuwe tweede lid van artikel 8.9. Op grond van deze bepaling blijft voor deze groep alles bij het oude. Met andere woorden de algemene heffingskorting kan nog steeds tot 100% via een negatieve aanslag worden uitbetaald, mits uiteraard de partner een voldoende overschot heeft aan inkomensheffing.’

4.4.

Het Amendement van het Tweede-Kamerlid Vendrik van 9 november 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 31 205, nr. 14) bevat de volgende toelichting:

‘Dit amendement beoogt de met betrekking tot artikel 8.9 Wet IB 2001 voorgestelde leeftijdsgrens zodanig aan te passen dat de groep belastingplichtigen voor wie de beperking van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting niet geldt, wordt verkleind. Deze grens lag op grond van het wetsvoorstel bij belastingplichtigen die geboren waren vóór 1 januari 1972 maar komt door dit amendement te liggen bij belastingplichtigen die geboren zijn vóór 1 januari 1960.

(…)

Indiener beoogt met dit amendement de kostwinnersfaciliteit versneld af te schaffen. De generaties geboren tussen 1960 en 1972 zijn volledig opgegroeid in een cultuur van emancipatie en economische zelfstandigheid. Niet valt in te zien waarom voor deze generaties de overdraagbare heffingskorting blijft gehandhaafd. Dat geldt ook partners met de zorg voor jonge kinderen.

Afschaffing vormt een belangrijke impuls voor de economische zelfstandigheid van vrouwen, ook indien er sprake is van de zorg voor jonge kinderen. De «boete» op betaald werken wordt immers afgeschaft. Ervaring leert dat wanneer vrouwen langdurig naast de arbeidsmarkt staan, herintreding sterk wordt bemoeilijkt. Dat is niet in het belang van vrouwen zelf, noch in het belang van de samenleving. Bovendien leidt de door de regering beoogde uitzondering ertoe, dat de ongelijke verdeling van zorg tussen mannen en vrouwen wordt bestendigd. (…)’

4.5.

Dit amendement werd destijds verworpen.

4.6.

In de toelichting op het Belastingplan 2012 (MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 003, nr. 3) staat vermeld:

‘Op gebied van de heffingskortingen in de Wet IB 2001 wordt een aantal wijzigingen voorgesteld, waarbij sprake is van een beperking van de reikwijdte van de regelingen. (…) Ten derde wordt de regeling voor de uitzondering op de afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting uit de inkomstenbelasting aan de minstverdienende partner voor gezinnen met kinderen tot 6 jaar en voor belastingplichtigen geboren voor 1 januari 1972 in drie stappen stapsgewijs afgebouwd in de kalenderjaren 2012 tot en met 2014 (in plaats van in één keer per 2012 zoals opgenomen in het Regeer- en Gedoogakkoord). Deze aanpassing beperkt de negatieve koopkrachteffecten van de maatregel in 2012. Vanaf 2014 geldt nog alleen voor de minstverdienende partner geboren vóór 1 januari 1963 een uitzondering op de afbouw van de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner. Deze aanpassingen ten opzichte van het Regeer- en Gedoogakkoord worden budgettair gedekt binnen het koopkrachtpakket.’

4.7.

Het Hof overweegt als volgt. Uit bovenstaande wetgeschiedenis volgt dat met de invoering van de Wet IB 2001 een stap is gezet op weg naar verdere individualisering van het belastingstelsel. De algemene heffingskorting geldt in beginsel voor iedere belastingplichtige. Volgens de aanhef van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 betreft de aan de partner zonder inkomen toegekende heffingskorting een “verhoging van het maximum van de heffingskorting bij de minstverdienende partner”. Deze “verhoging van het maximum van de heffingskorting bij de minstverdienende partner” betreft een uitzondering op de individualiseringsgedachte die is neergelegd in de Wet IB 2001, waarmee de wetgever destijds uitdrukking gaf aan zijn wens ook rekening te willen houden met draagkrachtbepalende factoren zoals het hebben van een partner zonder inkomen. Voor zover belanghebbende betoogt dat de heffingskorting voor de niet of weinig verdienende partner wordt bekostigd uit het gezinsinkomen en wordt onttrokken aan het inkomen van de meest verdienende partner, berust dit standpunt op een onjuiste opvatting van het wettelijke systeem.

De wetgever heeft verder ook gemeend dat door de verdere stijging van het aantal 65-plussers de belasting- en premiedruk aanzienlijk zou moeten stijgen om de huidige collectieve voorzieningen en sociale zekerheid (waaronder de AOW) te kunnen handhaven, en dat deze ontwikkeling noopte tot het verbreden van het draagvlak door verhoging van de arbeidsparticipatie. In het Belastingplan 2008 is opgemerkt dat een nadelig gevolg van de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner is, dat die partner nauwelijks een prikkel ervaart om (meer) te gaan werken. Daardoor wordt de arbeidsparticipatie eerder verlaagd dan verhoogd, waardoor de betaalbaarheid van (onder meer) de AOW, volgens de wetgever, in gevaar komt. Om dat effect weg te nemen, heeft de wetgever ervoor gekozen de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner (stapsgewijs, in 15 jaar met 6 2/3%-punt per jaar) af te bouwen. Het wordt dan volgens de wetgever steeds lonender om (meer) te gaan werken. In het Belastingplan 2012 is de individualiseringsgedachte in de Wet IB 2001 verder doorgevoerd door de verhoging van het maximum van de gecombineerde heffingskorting bij de minstverdiende partner verder te beperken. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bedoelde verhoging heden ten dage volledig is afgeschaft voor iedereen die is geboren vanaf 1963.

4.8.

Gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28), dient de rechter volgens de wet recht te spreken en mag de rechter in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen. Het Hof dient derhalve niet te treden in de politieke afwegingen en keuzes van de wetgever, zoals hiervoor weergegeven. Dat de wetgever ervoor heeft gekozen om het belastingstelsel te individualiseren en om de verhoging van het maximum van de heffingskorting aan de minstverdienende partner versneld af te bouwen, mede in het kader van de houdbaarheid van de AOW, is een keuze die – als zodanig – niet ter toetsing aan de rechter kan worden voorgelegd, behoudens een toetsing aan in verdragen neergelegde rechtsbeginselen.

4.9.

Het Hof stelt voorop dat aan belanghebbende op basis van artikel 8.10 van de Wet IB 2001 een algemene heffingskorting is toegekend van € 2.001 en op basis van artikel 8.11 van de Wet IB 2001 een arbeidskorting van € 1.481.

De verhoging van het maximum van de gecombineerde heffingskorting bij de minstverdiendende partner van artikel 8.9 van de Wet IB 2001, en dus de vermindering van die verhoging als gevolg van art. 8.9, tweede lid, laatste volzin, van de Wet IB 2001, komt alleen aan de orde indien de gecombineerde heffingskorting door artikel 8.8 van de Wet IB 2001 is beperkt. Bij belanghebbende is geen sprake van een beperking als bedoeld in artikel 8.8 van de Wet IB 2001. Nu de wetgever heeft gekozen voor de individualisering van het belastingstelsel, en nu de stelling van belanghebbende dat de heffingskorting voor de niet of weinig verdienende partner wordt bekostigd uit het gezinsinkomen en wordt onttrokken aan het inkomen van de meest verdienende partner, berust op een onjuiste opvatting van het wettelijke systeem, moet belanghebbendes betoog worden verworpen. De namens belanghebbende aangevoerde grieven kunnen weliswaar nog aan de orde worden gesteld in de met de onderhavige zaak samenhangende belastingzaak van de echtgenote van belanghebbende (zaak 15/01245), maar behoeven in de onderwerpelijke zaak geen behandeling.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank, met verbetering van gronden als hiervoor vermeld, dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op

door M. Harthoorn, voorzitter, P.C. van der Vegt en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.