Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1580

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-04-2017
Datum publicatie
18-05-2017
Zaaknummer
16/00401
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2326, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu niet is voldaan aan de door de wetgever gestelde voorwaarden in artikel 8.15 van de Wet IB 2001, komt belanghebbende niet in aanmerking voor alleenstaande-ouderkorting.

Belanghebbende heeft nog de stelling ingenomen dat het in strijd zou zijn met de eisen van de redelijkheid en billijkheid als aan haar het recht op alleenstaande-ouderkorting zou worden onthouden. Ook die stelling kan haar niet baten.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 8.15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/35.22.11
V-N Vandaag 2017/1223
FutD 2017-1242
NTFR 2017/1498 met annotatie van De redactie
NLF 2017/1212 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00401

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 april 2016, nummer BRE 15/5826, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2012 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), aanslagnummer [aanslagnummer] .

Onderzoek ter zitting

De zitting heeft plaatsgehad op 24 maart 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en haar gemachtigde, de heer E. Gadzo van [B] te [C] , alsmede, namens de Inspecteur, de heer [D] en mevrouw [E] .

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 7 april 2017, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Gronden

Ten aanzien van het geschil

2.1.

Belanghebbende woonde gedurende het hele jaar 2012 aan de [adres 1] 15 te [woonplaats] en was daar ook in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA) ingeschreven. Zij was tot in 2001 gehuwd met haar (thans) ex-echtgenoot, met wie zij één kind heeft, geboren op [geboortedatum] 1997 (hierna: het kind). Het kind stond gedurende het hele jaar 2012 in de GBA ingeschreven op het adres [adres 2] 1 te [F] , zijnde het adres van behandelcentrum [G] . Feitelijk heeft het kind gedurende het jaar 2012 deels daar en deels bij belanghebbende gewoond: het kind verbleef in alle weekenden (van vrijdagmiddag tot en met maandagochtend) en in de schoolvakanties in de woning van belanghebbende.

2.2.

In de aangifte IB/PVV 2012 heeft belanghebbende de alleenstaande-ouderkorting in aanmerking genomen. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2012 heeft de Inspecteur de alleenstaande-ouderkorting gecorrigeerd. Het bezwaar van belanghebbende daartegen is afgewezen.

2.3.

In geschil is of belanghebbende voor het jaar 2012 in aanmerking komt voor de alleenstaande-ouderkorting.

2.4.

Artikel 8.15, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), tekst 2012, luidt als volgt:

“1. De alleenstaande-ouderkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden:

a. (…);

b. een huishouding voert met een kind dat in belangrijke mate door hem wordt onderhouden en op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, en

c. (…).”

2.5.

Het Hof stelt - met partijen - vast dat niet is voldaan aan alle voorwaarden van dit wetsartikel, nu het kind in 2012 volgens de GBA niet gedurende tenminste zes maanden op het adres van belanghebbende stond ingeschreven. Niet in geschil is dat aan alle overige, cumulatieve, voorwaarden van genoemd artikel 8.15 is voldaan en dat het kind feitelijk gedurende tenminste zes maanden op het adres van belanghebbende verbleef.

2.6.

De stelling van belanghebbende dat haar kind in 2012 feitelijk meer dan zes maanden op haar adres verbleef en dat (enkel) dit het uitgangspunt zou moeten zijn voor het recht op alleenstaande-ouderkorting, moet worden verworpen, aangezien het de uitdrukkelijke keuze van de wetgever is geweest om (ook) een helder, objectief en controleerbaar criterium in de vorm van “hetzelfde woonadres volgens de GBA” als voorwaarde te stellen.

2.7.

Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001 is ter zake van artikel 8.15 onder meer het volgende opgemerkt:

“In het wetsvoorstel is vastgehouden aan de bedoeling van de (aanvullende) alleenstaande-ouderaftrek en is geregeld dat de (aanvullende) alleenstaande-ouderkorting wordt verleend aan die ouder waarbij het kind volgens de basisadministratie persoonsgegevens woont.

Daarmee is aangesloten bij een helder criterium en wordt hersteld dat slechts één van de ouders in aanmerking komt voor de (aanvullende) alleenstaande-ouderkorting.”

(Kamerstukken I 1999/2000, 26.727 en 26.728, nr. 202c, blz. 53)

En verder:

“ Bij het wetsvoorstel IB 2001 hebben wij gekozen voor herstel van de oorspronkelijke bedoeling van de fiscale wetgever (toekenning van de aftrek, nu korting, aan één ouder) en is aangesloten bij een helder criterium. De ouders hebben overigens – vanuit de fiscaliteit gezien – de vrijheid het kind op het adres van de ene dan wel de andere ouder te laten opnemen in de basisadministratie persoonsgegevens. Voor ons gaat het niet om de vraag welke ouder de tegemoetkoming krijgt, maar om het gegeven dat het niet zo mag zijn dat voor één kind bij co-ouderschap een dubbele tegemoetkoming zou worden gegeven. Volgen van het voorstel van de heer [H] zou noodzakelijk maken co-ouderschap scherp te definiëren, wat tot andere problemen zou kunnen leiden”

(Handelingen I 1999/2000, 26.727 en 26.728, Noot met schriftelijke antwoorden van de staatssecretaris en de minister van Financiën op vragen, gesteld in de eerste termijn van de behandeling van de Belastingherziening 2001, blz. 1290-1302).

2.8.

Gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis biedt de tekst van artikel 8.15 van de Wet IB 2001 noch de uit de parlementaire behandeling blijkende bedoeling daarvan ruimte om voor de toekenning van alleenstaande-ouderkorting in plaats van de in de wet gestelde voorwaarde van een inschrijving van het kind volgens de GBA op het woonadres van belanghebbende aan te knopen bij het feitelijke woonadres van het kind, indien vaststaat dat dit kind gedurende meer dan zes maanden (feitelijk) op het adres van belanghebbende woont. Weliswaar is in de wetsgeschiedenis een relatie gelegd tussen situaties van co-ouderschap en de invoering van de inschrijvingseis, maar daaraan kan niet de uitleg worden gegeven die belanghebbende voorstaat, namelijk dat in een situatie waarin niet van co-ouderschap sprake zou zijn, die inschrijvingseis niet zou hebben te gelden. Een dergelijke uitleg verdraagt zich niet met de tekst van de wet waarin een relatie met co-ouderschap verder niet tot uitdrukking is gebracht. Nu voorts het inschrijvingscriterium zoals dat in de wet is opgenomen een helder, objectief en controleerbaar aanknopingspunt aangaande de woonsituatie biedt, is er geen ruimte daarvoor de feitelijke woonsituatie van het kind in de plaats te stellen.

2.9.

Opmerking verdient verder dat de Hoge Raad eerder (zie: HR 11 juli 2008, nr. 42106, ECLI:NL:HR:2008:BD6826) in het kader van toetsing aan het discriminatieverbod heeft geoordeeld dat de wetgever, door voor de toepassing van de alleenstaande-ouderkorting als voorwaarde te stellen dat het kind op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de GBA, binnen de hem toekomende (ruime) beoordelingsbevoegdheid is gebleven.

2.10.

Nu niet is voldaan aan de door de wetgever gestelde voorwaarden in de Wet IB 2001, komt belanghebbende dus niet in aanmerking voor de alleenstaande-ouderkorting.

2.11.

Belanghebbende heeft vervolgens nog de stelling ingenomen dat het in strijd zou zijn met de eisen van de redelijkheid en billijkheid als aan haar het recht op alleenstaande-ouderkorting zou worden onthouden. Volgens belanghebbende is in haar geval sprake van bijzondere omstandigheden die niet in de afwegingen van de wetgever zijn verdisconteerd en die aanleiding geven tot een andere uitkomst dan waartoe strikte toepassing van de wet zou leiden.

2.12.

Deze stelling kan belanghebbende niet baten. Uit de eerdere overwegingen van deze uitspraak volgt dat het de nadrukkelijke keuze van de wetgever is geweest om (onder meer) een objectief criterium te hanteren bij het bepalen van het recht op alleenstaande-ouderkorting. De wetgever is immers met het formuleren van dit criterium, gelet ook op voormeld oordeel van de Hoge Raad, binnen de aan hem toekomende beoordelingsbevoegdheid gebleven. Derhalve is het, ondanks begrip voor belanghebbendes verzoek om toekenning van de alleenstaande-ouderkorting, niet mogelijk om in onderhavig geval van de wet af te wijken.

2.13.

Gelet op het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

2.14.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

2.15.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Slot

Gelet op al het vorenoverwogene is beslist als bovenvermeld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door A.J. Kromhout, voorzitter, P.J.J. Vonk en J.W. Verstraate, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 april 2017.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 april 2017

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

‘s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in
cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.