Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1540

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-04-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
200.162.595_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:9019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

burenzaak, erfdienstbaarheid van overpad door verjaring verkregen, oud BW en nieuw BW, buurweg, noodweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.162.595/01

arrest van 4 april 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. N.P.H. Vissers te Leusden,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] ,

advocaat: mr. H.J. Amsing te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 oktober 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 9 juli 2014, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellante] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde 1] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/187447/HA ZA 14-50)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord tevens reactie op de eiswijziging.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

Tegen de feitenvaststelling door de rechtbank in de r.o. 2.1.-2.4. van het vonnis waarvan beroep zijn geen grieven aangevoerd of anderszins bezwaren ingebracht. Ook het hof gaat daarom uit van deze feiten. Daarnaast staan nog andere feiten tussen partijen vast.
Het hof zal hierna een overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

a. a) Partijen zijn buren van elkaar.
b) [appellante] is sinds enig moment in 1999 eigenaar van de woning met aanhorigheden aan de [straatnaa][nr 2] te [woonplaats] . De kadastrale aanduiding van het perceel waarop de woning ligt is gemeente [woonplaats] , [sectieletter 1] nr. [sectienummer] (hierna: perceel [perceel 1] ).

c) Voordien, en wel vanaf 1 maart 1991, huurde [appellante] de woning op [nr 2] .
d) [geïntimeerde 1] is sinds enig moment in mei 2013 eigenaar van de woning met aanhorigheden aan de [straatnaam] 13 te [woonplaats] . De kadastrale aanduiding van het perceel waarop de woning ligt is gemeente [woonplaats] , [sectieletter 1] nr. [sectieletter 2] (hierna: perceel [perceel 2] ).
e) De woning op [nr 1] was vanaf 1984 tot in december 2011 eigendom van mw. [eigenaar] (hierna: [eigenaar] ), die haar hoofdverblijf had in Amsterdam en die de woning op [nr 1] dus niet permanent bewoonde. [eigenaar] heeft de woning met aanhorigheden in december 2011 geschonken aan de Stichting [stichting] , die de woning c.a. heeft verkocht en geleverd aan [geïntimeerde 1] . Vanaf enig moment in 2011 tot in 2013 heeft de woning leeggestaan.

f) Bezien vanaf de [straatnaam] ligt de woning van [geïntimeerde 1] rechts van de woning van [appellante] .

g) Tussen de woningen van partijen loopt een brandgang, geheel over het perceel van [appellante] . De muur van de woning van [geïntimeerde 1] staat tegen de erfgrens aan.

h) Gaande vanaf de [straatnaam] door de brandgang naar achteren is er aan het einde daarvan een opening naar rechts, die toegang verschaft tot het perceel van [geïntimeerde 1] .
i) Tussen de brandgang en het perceel van [geïntimeerde 1] is sprake van een hoogteverschil. Het perceel van [geïntimeerde 1] ligt 1,5 meter lager dan de brandgang. Om vanuit de brandgang het perceel van [geïntimeerde 1] te bereiken kan (althans kon in het verleden) gebruik worden gemaakt van een houten dan wel metalen trapje.
j) Ten gunste van de eigenaar van perceel [perceel 2] (op dit moment van [geïntimeerde 1] ) en ten laste van de eigenaar van perceel [perceel 1] (op dit moment van [appellante] ) zijn in het verleden twee erfdienstbaarheden (van ‘doorgang’ c.q. ‘uitweg’) gevestigd, die die het mogelijk maken om vanaf het perceel van [geïntimeerde 1] via ‘het bestaande poortje’ en ‘over de bestaande brandtrap’ en vervolgens door de brandgang van [nr 2] te komen van en te gaan naar de [straatnaam] .
k) [appellante] heeft vanaf 1991 tot 2013 via de brandgang en de trap, en vervolgens via het perceel van [nr 1] , hout(stammen) naar haar achtertuin gebracht, die zij daar heeft verwerkt tot houtblokken. Deze houtblokken heeft zij daarna via de brandgang naar de voorzijde van haar woning en toen via de voordeur naar binnen gebracht. Aldaar zijn zij vervolgens gebruikt om een (op de centrale verwarming aangesloten) houtkachel te stoken.

l) In dezelfde periode heeft [appellante] ook de poort op het perceel van [nr 1] , onmiddellijk grenzend aan het perceel [straatnaam][nr 3] , gebruikt om via een pad over het perceel van [nr 1] hout naar haar achtertuin te brengen.

m) In de zomer van 2013 heeft [geïntimeerde 1] [appellante] verboden om nog langer gebruik te maken van zijn perceel om, via de brandgang dan wel de poort en vervolgens over het perceel van [nr 1] , naar haar achtertuin te gaan.
n) In november 2013 heeft [geïntimeerde 1] de doorgang aan het einde van de brandgang afgesloten met een houten plank en de rechtstreekse doorgang van zijn perceel naar de achtertuin van [appellante] afgesloten met een hekwerk.
o) [appellante] heeft [geïntimeerde 1] gesommeerd om haar opnieuw toegang te geven tot haar achtertuin, via de brandtrap en de poort. [geïntimeerde 1] heeft niet voldaan aan deze sommatie.

p) [appellante] heeft op enig moment hekken neergezet in de brandgang.

De eerste aanleg

3.2.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg, samengevat en voor zover hier van belang, gevorderd:
1) de verklaring voor recht dat ter zake de beide doorgangen naar haar achtertuin sprake is van (a) een recht van erfdienstbaarheid (met de veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. om mee te werken aan de vastlegging van deze erfdienstbaarheid in de daartoe bestemde registers),
dan wel subsidiair (b) een buurweg, dan wel meer subsidiair (c) de beide doorgangen aan te wijzen als noodweg;

2) de veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, door hem aangebrachte beperkingen ter zake de uitoefening van de onder 1) bedoelde rechten te verwijderen;

3) de veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. tot vergoeding van de schade aan de schuur van [appellante] ,

met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, met rente.

3.2.2.

[geïntimeerde 1] c.s. heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft zijnerzijds in reconventie gevorderd, samengevat, de veroordeling van [appellante] om hekwerken te verwijderen die zij in de brandgang tegen de zijgevel van [geïntimeerde 1] heeft geplaatst, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.3.

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank, bij wege van eindvonnis en samengevat, de vorderingen in conventie zoals hiervoor weergegeven onder 1) en 2) afgewezen en, in reconventie, de vordering van [geïntimeerde 1] toegewezen.
Ter zake de vordering in conventie onder 3) heeft de rechtbank, bij wege van tussenvonnis, [appellante] in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren.

De grieven en de omvang van het hoger beroep

3.4.1.

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. De grieven hebben uitsluitend betrekking op de afwijzing van de vorderingen van [appellante] , zoals hiervoor weergegeven onder 1) en 2). In verband hiermee heeft [appellante] haar eis in hoger beroep verminderd en concludeert zij tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van (uitsluitend) de vordering onder 1) en de (geherformuleerde) vordering onder 2), met veroordeling van [geïntimeerde 1] c.s. in de proceskosten in beide instanties.

3.4.2.

De grieven hebben geen betrekking op de toewijzing in het bestreden vonnis van de vordering in reconventie (ter zake de hekwerken in de brandgang), zodat deze kwestie in dit hoger beroep niet verder aan de orde is.

3.4.3.

Het bestreden vonnis bevat geen beslissing inzake de proceskosten, anders dan de processuele beslissing om iedere verdere beslissing daarover aan te houden. In dit hoger beroep zijn de proceskosten in eerste aanleg daarom niet verder aan de orde.

De erfdienstbaarheid

3.5.1.

Met grief 1 maakt [appellante] bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een erfdienstbaarheid van weg in de door [appellante] bedoelde zin, die haar het recht geeft om via de brandgang en de trap dan wel via de poort bij [nr 3] en vervolgens over het perceel van [nr 1] te gaan naar haar achtertuin (en vice versa).
De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van de overweging dat aan de zijde van [appellante] geen sprake is geweest van het bezit, dat wordt vereist voor de verkrijging door verjaring van de erfdienstbaarheid zoals door [appellante] gesteld.
Volgens [appellante] heeft de rechtbank daarmee miskend dat door het dagelijks, althans meerdere keren per week, althans met bestendige regelmaat ongestoord en zonder tegenspraak gaan over het perceel van [nr 1] , via de brandtrap en/of via de poort, naar de achtertuin van [nr 2] , sprake is geweest van bezit, waardoor krachtens oud BW en/of krachtens het huidige BW een recht van erfdienstbaarheid van weg met betrekking tot de beide routes is ontstaan.

3.5.2.

Het hof overweegt dat [appellante] heeft gesteld dat zij de beide toegangen naar haar achtertuin over het perceel van [nr 1] heeft gebruikt vanaf 1 maart 1991, maar dat ‘naar het zich laat aanzien’ dat gebruik ook al in de periode daarvóór plaatsvond. [appellante] heeft deze laatste stelling niet verder geconcretiseerd. Dat had op haar weg gelegen, des te meer nu het gebruik dat [appellante] heeft gemaakt van de beide toegangen, haar eigen stellingen volgend, steeds heeft samengehangen met de aanvoer van hout voor haar houtkachel en het niet zonder meer voor de hand ligt dat ook eerdere eigenaren/bewoners van de woning op [nr 2] gebruik hebben gemaakt van deze vorm van verwarming en (de toegangen via het perceel [nr 1] naar) hun achtertuin hebben gebruikt om boomstammen en andere grote stukken hout aan te voeren en te verwerken tot houtblokken.
Het hof neemt daarom tot uitgangspunt dat vóór 1 maart 1991 geen sprake is geweest van het gebruik van de beide toegangen en van de paden over het perceel van [nr 1] waarop [appellante] zich beroept. Daarop sluit aan dat de schriftelijke verklaringen van bewoners van de woning van [appellante] en van buurtgenoten die [appellante] in eerste aanleg heeft overgelegd alle betrekking hebben op de periode vanaf 1992 (of later).

3.5.3.

Tussen partijen staat vast dat in het verleden geen erfdienstbaarheden zijn gevestigd ten gunste van de eigenaar van perceel [perceel 1] (nu: [appellante] ) en ten laste van perceel [perceel 2] (nu van [geïntimeerde 1] ). De door [appellante] bedoelde erfdienstbaarheid kan dus alleen zijn ontstaan door verjaring - waarop [appellante] zich dan ook beroept.
Zowel naar oud BW als naar huidig BW geldt dat van verkrijging door verjaring van een recht alleen sprake kan zijn als voordien sprake is geweest van het bezit van dat recht. Daarnaast wordt, afhankelijk van het type verjaring waarop een beroep wordt gedaan, vereist dat het bezit te goeder trouw is verkregen en/of dat het bezit gedurende een bepaalde periode dan wel op een bepaald moment heeft bestaan.

3.5.4.

Nu het bezit in het onderhavige geval niet eerder kan zijn aangevangen dan op
1 maart 1991, kan geen sprake zijn van verkrijgende verjaring van de erfdienstbaarheid naar oud BW, reeds omdat niet is voldaan aan de hier toepasselijke termijneis - van dertig jaren - in artikel 2000 lid 2 BW (oud). Verder is niet voldaan aan de in artikel 744 BW (oud) gestelde eis dat het gebruik van het dienend erf voortdurend en zichtbaar is geweest, nu naar vaste jurisprudentie onder oud recht het gebruik dat men van een weg maakte nimmer voortdurend was in de in artikel 744 BW (oud) bedoelde zin (en een erfdienstbaarheid van weg dus niet door verjaring kon ontstaan). [appellante] heeft niets gesteld dat afdoet aan deze conclusies.

3.5.5.

Naar huidig BW zou sprake kunnen zijn van verkrijging van de erfdienstbaarheid door verjaring op grond van het bepaalde in artikel 3:99 BW (de verkrijgende verjaring) en op grond van het bepaalde in de artikel 3:105 jo. 3:306 BW (de extinctieve verjaring, gevolgd door verkrijging).

Van de verkrijgende verjaring op grond van artikel 3:99 BW kan alleen sprake zijn als [appellante] gedurende een periode van tien jaren onafgebroken het bezit heeft gehad van de erfdienstbaarheid.
Voor de verkrijging van de erfdienstbaarheid op grond van de artikelen 3:105 jo. 3:306 BW wordt vereist dat [appellante] in elk geval bezitter was van de erfdienstbaarheid op het moment van de voltooiing van de verjaring van de door de eigenaar van [nr 1] in te stellen rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit. Deze laatste verjaring treedt op grond van artikel 3:306 BW in door verloop van twintig jaren. Zij begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden van de erfdienstbaarheid of de onmiddellijke opheffing gevorderd kan worden van de onrechtmatige toestand waarvan dit bezit de voortzetting vormt.

3.5.6.

Naar het oordeel van het hof is [appellante] vanaf de invoering van het huidige wetboek nimmer bezitter geweest van de erfdienstbaarheid in de door haar bedoelde zin.
Het hof stelt in dit verband voorop dat de vraag of sprake is (geweest) van bezit moet worden beoordeeld op grond van de verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke bepalingen inzake het bezit en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW).

Uit het door [appellante] gestelde volgt niet dat zij zich in de periode na 1 januari 1992 heeft gedragen als de bezitter van een erfdienstbaarheid, inhoudende de verplichting voor de eigenaar van [nr 1] - dat zijn: [eigenaar] en/of de stichting - om te dulden dat [appellante] via de beide toegangen over het erf van [nr 1] naar haar achtertuin op [nr 2] zou gaan (en vice versa). Het enkele feit dat [appellante] van tijd tot tijd, of eventueel zelfs met enige regelmaat, met hout over het perceel van [nr 1] ging, zoals door haar gesteld, is daartoe onvoldoende. De eigenaar hoefde daaruit niet af te leiden dat [appellante] van mening was dat haar het recht toekwam om dat te doen, meer in het bijzonder het recht uit hoofde van een erfdienstbaarheid. [appellante] heeft geen andere uiterlijke feiten gesteld die in dit verband relevant zijn. Evenmin heeft [appellante] op dit punt een voldoende concreet bewijsaanbod gedaan. De door [appellante] te bewijzen aangeboden feiten houden namelijk uitsluitend verband met de aan- en afvoer van hout via de beide toegangen zoals in het voorgaande aan de orde gesteld en de bekendheid van [eigenaar] daarmee.

3.5.7.

Reeds omdat geen sprake is geweest van het vereiste bezit ervan, gedurende een periode van tien jaren (artikel 3:99 BW) dan wel na ommekomst van een periode van twintig jaren (artikel 3:105 en 3:306 BW), kan de door [appellante] gestelde erfdienstbaarheid niet zijn ontstaan door verjaring.

3.5.8.

Het voorgaande betekent dat grief 1 faalt.

De buurweg

3.6.1.

Met grief 2 maakt [appellante] bezwaar tegen het (naar haar mening: ongemotiveerde) oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een buurweg, die haar het recht geeft op het gebruik van de doorgangen via de brandgang en via de poort naast [nr 3] om via de achtertuin van [nr 1] te gaan naar de achtertuin van [nr 2] (en vice versa).

De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van de overweging dat het bestaan van een buurweg niet aannemelijk is geworden. De rechtbank heeft zich op dit punt uitdrukkelijk aangesloten bij het verweer van [geïntimeerde 1] (kort gezegd: geen gebruik als buurweg, geen bestemming tot buurweg).
Volgens [appellante] heeft de rechtbank daarmee miskend dat de beide toegangen tot haar achtertuin over het perceel van [nr 1] (ervan uitgaande dat géén sprake is van de erfdienstbaarheid zoals primair door haar gesteld) moeten worden aangemerkt als buurwegen. [appellante] stelt dat deze buurwegen vóór 1 januari 1992 zijn ontstaan door de - al dan niet stilzwijgende - bestemming daartoe door de eigenaar van het perceel van [nr 1] en dat zij na de invoering van het huidige BW zijn blijven bestaan op grond van het bepaalde in artikel 160 Overgangswet NBW.

3.6.2.

Het hof herhaalt (zie r.o. 3.5.2.) dat uit het door [appellante] gestelde volgt dat zij de beide toegangen naar haar achtertuin over het perceel van [nr 1] heeft gebruikt vanaf 1 maart 1991 en dat [appellante] haar stellingen over het (mogelijke) eerdere gebruik van deze toegangen naar de achtertuin van [nr 2] onvoldoende heeft toegelicht, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
In verband met de door [appellante] gestelde buurweg/buurwegen gaat het hof er daarom van uit dat vóór 1 maart 1991 geen sprake is geweest van een uitdrukkelijke bestemming daartoe en dat vóór 1 maart 1991 evenmin sprake is geweest van een - bijvoorbeeld uit een meer langdurig en openlijk toestaan van het gebruik van de toegangen als waren het buurwegen af te leiden - stilzwijgende bestemming tot buurweg.
Het hof verwerpt de stelling van [appellante] dat de bestemming tot buurweg in dit geval (ook en alleen) uit de feitelijke omstandigheden kan worden afgeleid. [appellante] heeft die stelling uitsluitend onderbouwd met een beroep op de onbereikbaarheid van de achtertuin van [nr 2] anders dan via de twee toegangen over het perceel van [nr 1] . Dat is onvoldoende, omdat uit deze onbereikbaarheid niet zonder meer kan worden afgeleid dat de buurman van [nr 1] de wil gehad heeft om de brandgang tot buurweg te bestemmen.

Het voorgaande betekent dat de buurweg/buurwegen waarop [appellante] zich beroept moet/moeten zijn ontstaan in de periode tussen 1 maart 1991 en 1 januari 1992.

3.6.3.

Het hof is van oordeel dat, mede gelet hierop, geen sprake kan zijn van de buurweg/buurwegen waarop [appellante] zich subsidiair beroept.

Het hof overweegt daartoe in de eerste plaats dat [appellante] niet heeft gesteld dat [eigenaar] in de genoemde periode van 10 maanden de door [appellante] bedoelde delen van het perceel op
[nr 1] uitdrukkelijk tot buurweg(en) heeft bestemd.
Het hof wijst er daarnaast op dat [appellante] evenmin heeft gesteld dat [eigenaar] in diezelfde periode uitdrukkelijk heeft ingestemd met het gebruik van de beide toegangen via haar perceel naar Tiemans achtertuin. [appellante] heeft alleen gesteld dat [eigenaar] hiervan op de hoogte was en er geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Tussen partijen staat echter tevens vast dat [eigenaar] niet permanent in [woonplaats] woonde, zodat moet worden aangenomen dat zij slechts van tijd tot tijd kennis heeft kunnen nemen van het gebruik van haar perceel door [appellante] . Het hof is van oordeel dat, zelfs als [eigenaar] op die momenten daartegen niet heeft geprotesteerd (hetgeen niet vaststaat, gelet op de stellingen van [geïntimeerde 1] ), dat niet-protesteren - gedurende maximaal 10 maanden - onvoldoende is geweest om [appellante] het gerechtvaardigde vertrouwen te geven dat [eigenaar] de beide toegangen naar de achtertuin van [nr 2] stilzwijgend tot buurweg wilde bestempelen, zodat hooguit sprake kan zijn geweest van een gedogen door [eigenaar] .

3.6.4.

Het voorgaande betekent dat grief 2 faalt.

De aanwijzing tot noodweg

3.7.1.

Met grief 3 maakt [appellante] bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat geen reden bestaat om (een van) de beide tot in 2013 door [appellante] gebruikte toegangen naar haar achtertuin via het perceel van [nr 1] aan te wijzen tot noodweg(en).
De rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van de overweging dat [appellante] behoorlijke toegang heeft tot de openbare weg, namelijk via haar voordeur.

Volgens [appellante] miskent de rechtbank daarmee dat de route via de voordeur niet geschikt is om het door haar benodigde hout naar de achtertuin van [nr 2] te vervoeren.
[geïntimeerde 1] stelt hier tegenover dat beide uitwegen waarop [appellante] doelt niet gelijktijdig als noodwegen kunnen worden aangemerkt, omdat het BW het bestaan van twee noodwegen ‘naast elkaar’ niet kent. [geïntimeerde 1] stelt verder dat [appellante] vanaf haar eigendom een ‘behoorlijke’ toegang heeft tot de openbare weg via de voordeur op [nr 2] , maar ook via de brandgang, zodat zij ook om die reden geen aanspraak kan maken op enige aanwijzing van een deel van perceel [nr 1] tot noodweg.

3.7.2.

Het hof overweegt dat [geïntimeerde 1] reeds in eerste aanleg het standpunt heeft ingenomen dat [appellante] niet alleen via de voordeur, maar ook via de brandgang (naar het hof begrijpt: door een in de muur van de woning van [appellante] aan de zijde van de brandgang bevindende deur; zie de bij productie 3 bij inleidende dagvaarding gevoegde foto’s) toegang heeft tot haar perceel. Deze stelling is door [appellante] niet weersproken, zodat het hof uitgaat van de juistheid ervan. Ook de stelling van [geïntimeerde 1] dat (in elk geval) deze tweede toegang naar de openbare weg ‘behoorlijk’ is in de zin van het bepaalde in artikel 5:57 BW heeft [appellante] aldus niet weersproken. Reeds gelet op dit een en ander oordeelt het hof dat geen grond bestaat om enig deel van het perceel van [geïntimeerde 1] thans aan te wijzen tot noodweg.

3.7.3.

Het hof wijst er verder op dat [appellante] aanspraak maakt op de aanwijzing tot noodweg ten behoeve van (in elk geval in hoofdzaak:) de verwarming van haar woning met hout. Het staat [appellante] vrij om haar woning te verwarmen op de wijze die haar goed dunkt. Dat [appellante] kiest voor een houtkachel wil echter niet zeggen dat haar buren daaraan per se moeten meewerken, ook als die keuze betekent dat boomstammen en dergelijke worden aangevoerd, om er pas ter plaatste kleinere houtblokken van te maken. Hier is geen sprake van een ‘normale exploitatie’ (in de zin van ‘normaal gebruik’) van een erf, waarvoor aanspraak kan worden gemaakt op de aanwijzing van een noodweg (vgl. HR 23 januari 1998, NJ 1998, 457).
Gegeven de keuze voor houtverwarming en gelet op de situatie ter plaatse ligt het voor de hand dat [appellante] kiest voor de aanvoer van hout in kleiner formaat, dat door de voordeur naar binnen kan dan wel via de deur in de muur aan de zijkant van de brandgang. Het zou kunnen zijn dat dit economisch minder gunstig is (zoals [appellante] in eerste aanleg nog heeft aangevoerd). Deze omstandigheid maakt echter niet dat alsnog een aanwijzing tot noodweg geboden is, des te minder nu is gesteld noch gebleken dat [appellante] de bereidheid heeft (en heeft getoond) om [geïntimeerde 1] een schadevergoeding te betalen zoals bedoeld in artikel 5:57
lid 1 BW.

3.7.4.

Het voorgaande betekent dat grief 3 faalt.

De verwijdering van plank en hekwerk

3.8.1.

Met grief 4 maakt [appellante] bezwaar tegen de afwijzing van haar vordering onder 2), om [geïntimeerde 1] te veroordelen om een tweetal door hem aangebrachte beperkingen ter zake de uitoefening van de erfdienstbaarheid c.q. de buurwegen c.q. de noodweg te verwijderen.

De rechtbank is tot haar oordeel ter zake gekomen op grond van de overweging dat [geïntimeerde 1] zijn eigendom mag afgrenzen [bedoeld wordt: afsluiten; hof], nu geen van de rechten waarop [appellante] zich beroept om over het perceel van [geïntimeerde 1] te gaan blijkt te bestaan.

De rechtbank miskent daarmee volgens [appellante] dat wel degelijk sprake is van een erfdienstbaarheid, althans de buurwegen, althans een noodweg. Voor het geval zulks niet komt vast te staan, beroept [appellante] zich erop dat de belemmeringen waarop zij doelt ten dele zijn bevestigd aan haar eigendommen: de plank aan een houten balk aan de gevel van [appellante] en het hekwerk aan een paal van een hekwerk van [appellante] . Aldus heeft [geïntimeerde 1] jegens [appellante] een onrechtmatige daad gepleegd en is hij verplicht om de plank en het hekwerk te verwijderen. Aan deze tweede grond voor toewijzing van de vordering onder 2) is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan; deze vordering dient alsnog (zoals geherformuleerd) te worden toegewezen, aldus [appellante] .

3.8.2.

[geïntimeerde 1] voert ten verwere aan dat hij het recht heeft om zijn eigendom af te sluiten en dat zowel de plank als het hekwerk zich volledig op zijn eigendom bevinden. [geïntimeerde 1] heeft deze laatste stelling niet nader gemotiveerd, hetgeen op zijn weg had gelegen, gelet op de concrete stellingen van [appellante] in de memorie van grieven over de wijze van bevestigen van de plank en van het hekwerk aan eigendommen van [appellante] . Het hof komt daarom tot het oordeel dat [geïntimeerde 1] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de plank en het hekwerk ten dele zijn bevestigd aan een houten balk aan de gevel van [appellante] respectievelijk aan een paal van een hekwerk van [appellante] . Een deugdelijke reden om zijn plank zijn hekwerk aldus (ook) aan andermans eigendommen te bevestigen heeft [geïntimeerde 1] niet gesteld. Door aldus te handelen op maakt [geïntimeerde 1] een onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht van [appellante] .

3.8.3.

Dit betekent dat grief 4 gedeeltelijk slaagt, namelijk waar het betreft de bevestigingen van de plank c.q. het hekwerk aan eigendommen van [appellante] .
Verder faalt de grief, nu de plank en het hekwerk zich voor het overige - kennelijk - bevinden op het perceel van [geïntimeerde 1] en dienen om dat perceel af te sluiten. Die bevoegdheid komt [geïntimeerde 1] toe, op grond van het bepaalde in artikel 5:48 BW én omdat geen sprake is van de door [appellante] gestelde erfdienstbaarheid, buurweg(en) en noodweg(en).


Slotsom

3.9.1.

Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om het vonnis waarvan beroep te vernietigen voor zover daarin de vordering van [appellante] onder 2) is afgewezen. Het hof zal [geïntimeerde 1] veroordelen om de eerder genoemde bevestigingen van de plank en het hekwerk aan eigendommen van [appellante] te verwijderen. Het hof zal de vordering onder 2) voor het overige afwijzen, omdat het hof geen termen aanwezig acht om aan de uit te spreken veroordeling een dwangsom te verbinden en omdat de vordering voor het overige ongegrond is. Het vonnis waarvan beroep zal voor het overige (en voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen) worden bekrachtigd.

3.9.2.

[appellante] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt het tussen partijen op 9 juli 2014 gewezen vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en uitsluitend voor zover daarin de vordering onder 2) (zoals genoemd in r.o. 3.2.1.) is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde 1] om de bevestiging van de plank aan het einde van de brandgang aan een houten balk aan de gevel van [appellante] en de bevestiging van het hekwerk (met zeil) in zijn achtertuin aan een paal van het hekwerk van [appellante] te verwijderen;


bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders door [appellante] gevorderde;

veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] tot op heden begroot op € 308,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.I.M.W. Bartelds en W.J.J. Beurskens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 april 2017.

griffier rolraadsheer