Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1530

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2017
Datum publicatie
01-06-2017
Zaaknummer
16/00402
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2338, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de naheffingsaanslag BPM ter zake van een uit de US afkomstige Ford Shelby terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het door de Inspecteur ingediende verweerschrift is zonder opgaaf van redenen buiten de door het Hof gestelde termijn binnengekomen. In toekomstige zaken, waarin dit gebeurt, zal het Hof aan het handelen van de Inspecteur consequenties verbinden. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur, op wie de bewijslast rust omtrent de waarde van de auto, niet aan de bewijslast heeft voldaan. Voorts oordeelt het Hof dat de door belanghebbendes taxateur aangedragen Chrysler als referentievoertuig kan dienen, omdat dat voertuig en de auto zich in een concurrentiepositie bevinden. De handelswaarde van de Chrysler, zoals deze blijkt uit een door belanghebbende overgelegde koerslijst, van € 29.377 kan derhalve worden gevolgd. Het Hof stelt de waardevermindering als gevolg van schade in goede justitie vast op een bedrag van € 3.500. Voorts gaat het Hof uit van een CO2 uitstoot van 350 g/km in plaats van 370 g/km. De naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/35.22.3
V-N Vandaag 2017/1265
NTFR 2017/1910 met annotatie van mr. H.A. Elbert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00402

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 april 2016, nummer BRE 14/1026, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op in november 2012 aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de BPM) inzake de registratie van een uit Duitsland afkomstig gebruikte personenauto, merk [automerk] , type [type] , bouwjaar 2010, VIN eindigend op [nummer] (hierna: de auto). Het aangiftebiljet vermeldt als zodanig een te betalen bedrag aan BPM van € 12.075. Dit bedrag is door belanghebbende op 14 december 2012 voldaan. De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 24 oktober 2013 onder aanslagnummer [aanslagnummer] een naheffingsaanslag BPM opgelegd tot een bedrag van € 8.976 en bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 219.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 165. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 6.489, de Minister van Veiligheid en Justitie veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van immateriële schade tot een bedrag van € 500, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.005 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoedt.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 251.
De Inspecteur heeft buiten de daartoe door het Hof gestelde termijn een verweerschrift ingediend.

1.5.

De Inspecteur heeft (tijdig) incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.6.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.7.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend (brief van 21 september 2016). Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 22 februari 2017 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, zijn gemachtigde de heer [A] , adviseur te [B] , vergezeld van de heer [C] , taxateur, en de heer [D] , alsmede namens de Inspecteur, de heren [E] , [F] en [G] .

1.9.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage betreffende de factuur inzake deskundige bijstand ter zitting.

1.10.

De Inspecteur heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van een uitdraai met dagtekening 21 februari 2017 van de website van navaudio.nl betreffende een universeel navigatiesysteem.

1.11.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.12.

Van de zitting is geen proces verbaal opgemaakt.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op in november 2012 aangifte gedaan voor de BPM inzake de registratie van de auto. De auto had ten tijde van de registratie een kilometrage van 23.780. De datum van de eerste tenaamstelling was [datum] 2010. Dit type voertuig was tot dan toe in Nederland nog nimmer geleverd. Het aangiftebiljet vermeldt een bedrag aan verschuldigde BPM van € 12.075. Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van de heer [H] , VRT Registertaxateur, verbonden aan [J] B.V. te [woonplaats] (hierna: [J] ). In het taxatierapport wordt een handelswaarde “conform bijlage koerslijst” vermeld van € 28.042, doch in de bijgevoegde XRAY koerslijst wordt een taxatiewaarde van een referentievoertuig, merk Chrysler 300C, 6.1i SRT-8 HEMI Aut. (hierna: de Chrysler), vermeld van € 29.377. In het beroepschrift in eerste aanleg en ook in hoger beroep gaat belanghebbende uit van het laatstvermelde bedrag van € 29.377 (hierna: de handelswaarde). Het taxatierapport vermeldt voorts een waardecorrectie van € 5.439, ter zake van aanschaf Europees navigatiesysteem en ter zake van kosten in verband met herstel van beschadiging aan de carrosserie, de velgen en de elektrische installatie. In hoger beroep heeft belanghebbende de totale schade berekend op € 5.336, waarvan € 1.973 betrekking heeft op het navigatiesysteem. Tot de stukken behoort een door belanghebbende overgelegde factuur van 13 september 2016 betreffende “EU navigation 2010 Shelby GT500” van € 2.584 inclusief BTW.

2.2.

Op 12 december 2012 wordt de auto op verzoek van de Inspecteur getaxeerd door de heer [K] van [L] B.V. (hierna: [L] ). Op basis van dit taxatierapport legt de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag op uitgaande van een handelswaarde van € 40.000, zonder rekening te houden met enige waardecorrectie ter zake van schade.
2.3. De Rechtbank heeft het beroep, gericht tegen de afwijzende uitspraak van de Inspecteur op het bezwaarschrift tegen de onderhavige naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente, gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 6.489, berekend als volgt:
€ €
Bruto BPM (in goede justitie) 52.295
Historische nieuwprijs (in goede justitie) 98.661

Handelswaarde (in goede justitie) 36.000
Schade (navigatiesysteem) - 950
Waarde bij invoer 35.050

Afschrijving 63.611 (64,5%)
Afschrijving BPM 33.731
Verschuldigde BPM 18.564
Betaald op aangifte 12.075
Naheffing 6.489.

2.4.

De Rechtbank heeft daarbij overwogen, dat geen van partijen de historische nieuwprijs van de auto en het bedrag aan bruto BPM heeft onderbouwd en dat zij daarom deze in goede justitie heeft vastgesteld. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbendes beroep op de uitspraak van dit Hof betreffende de maximale CO2 uitstoot van 350 g/km niet gehonoreerd, aangezien belanghebbende de vindplaats van die uitspraak niet heeft genoemd. De handelswaarde van de auto is door de Rechtbank eveneens in goede justitie bepaald, omdat naar het oordeel van de Rechtbank geen van de partijen deze aannemelijk heeft gemaakt. Tot slot heeft de Rechtbank slechts een bedrag van € 950 voor het navigatiesysteem geaccepteerd als aftrek op de handelswaarde, omdat naar haar oordeel uit de foto’s opgenomen in het taxatierapport van belanghebbende blijkt dat slechts sprake is van normale gebruiksschade.

2.5.

In hoger beroep heeft belanghebbende zijn beroep, gedaan bij de Rechtbank, op de uitspraak van dit Hof herhaald en de vindplaats daarvan vermeld: het betreft de uitspraak van 7 januari 2016, nr. 14/00805, ECLI:NL:GHSHE:2016:15.

2.6.

In hoger beroep is niet in geschil dat de historische nieuwprijs van de auto € 99.702 bedraagt en de bruto BPM, vóór een eventuele aftrek ter zake van de CO2 uitstoot, op
€ 52.175 dient te worden vastgesteld, zoals door de Inspecteur gehanteerd in de uitspraak op bezwaar.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft in hoger beroep het antwoord op de vraag:

Is de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan, zakelijk weergegeven, onder meer, het volgende toegevoegd:

Belanghebbende
De eerste alinea van mijn pleitnota dient te vervallen; de Inspecteur is ontvankelijk in zijn incidenteel hoger beroep.
Ik claim kosten van deskundige bijstand overeenkomstig de bij de pleitnota behorende factuur. Belanghebbende is particulier.
De totale aftrek op de handelswaarde bedraagt inclusief de navigatie € 5.336, ook al heeft belanghebbende uiteindelijk een hoger bedrag aan navigatie uitgegeven dan in het taxatierapport is vermeld. Het navigatiesysteem dat door de Inspecteur thans is opgezocht op internet, betreft een universeel systeem, terwijl belanghebbende een origineel Ford Mustang systeem heeft laten inbouwen. Het verbaast me dat de Inspecteur nu pas komt met de stelling dat de factuur met betrekking tot de aankoop van het navigatiesysteem niet betrouwbaar zou zijn.
Primair stel ik dat de kosten voor 100% in aftrek moeten komen op de handelswaarde, subsidiair voor 100% minus aftrek van € 350 voor de normale gebruiksschade; meer subsidiair voor 72%.
Op de bruto BPM van € 52.175 dient nog een aftrek te worden toegepast van 20 x € 288 inzake de maximale CO2 uitstoot van 350 g/km.


Inspecteur
Kosten van de heer [J] inzake de bijstand ter zitting zijn akkoord.
Ik merk op dat de door belanghebbende overgelegde factuur voor het navigatiesysteem niet voldoet aan de eisen van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB). Ik zet zo mijn vraagtekens bij de authenticiteit van deze factuur, al zeg ik niet dat de factuur vals is.
Ik heb zelfs een nog goedkoper navigatiesysteem gevonden op internet. Dit systeem kost slechts € 499 inclusief BTW.
Chrysler is totaal een andere type auto dan de onderhavige auto.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank - naar het Hof verstaat behalve de beslissing omtrent de immateriële schadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht -; tot de vernietiging van de uitspraak op bezwaar; en primair tot de vernietiging van de naheffingsaanslag en een teruggaaf van de BPM van € 1.365; subsidiair tot verlaging van de naheffingsaanslag.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en gegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep.

4 Gronden

Overwegingen vooraf

4.1.

Het door de Inspecteur ingediende verweerschrift is zonder opgaaf van redenen buiten de door het Hof gestelde termijn ingekomen. Het Hof heeft geconstateerd dat dit verzuim niet berust op een incidentele fout, maar dat dit structureel plaatsvindt in zaken betreffende de heffing van BPM. Het handelen van de Inspecteur is in strijd met het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb. Een efficiënte procesgang wordt hiermee niet gediend. Het Hof volstaat op dit moment met een waarschuwing aan de Inspecteur. In toekomstige zaken, waarin dit gebeurt, zal het Hof aan het handelen van de Inspecteur consequenties verbinden, bij voorbeeld in het toekennen van een proceskostenvergoeding ongeacht de uitkomst van het geschil.

Ten aanzien van het geschil

4.2.

Belanghebbende heeft aangifte BPM gedaan van een voertuig oorspronkelijk afkomstig uit de Verenigde Staten van Amerika (USA), dat vervolgens naar Duitsland is geïmporteerd en daarna is geleverd naar Nederland. Dit type voertuig was tot dan toe in Nederland nog nimmer geleverd. Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de historische nieuwprijs van de auto € 99.702 bedraagt en de bruto BPM, vóór een eventuele aftrek ter zake van de CO2 uitstoot, op € 52.175 dient te worden vastgesteld, zoals door de Inspecteur gehanteerd in de uitspraak op bezwaar.

4.3.

De Inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust omtrent de waarde van de auto, beroept zich op het taxatierapport van [L] . Het Hof stelt vast dat in dat taxatierapport geen referentievoertuigen zijn genoemd en de afschrijving en de handelsmarge niet zijn onderbouwd. Gelet hierop heeft de Inspecteur niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast omtrent de waarde van de auto.

4.4.

Belanghebbende beroept zich in hoger beroep ter bestrijding van de naheffingsaanslag op het taxatierapport van [J] , waarin als referentievoertuig de Chrysler (zie 2.1) wordt gehanteerd, met een handelswaarde op basis van de koerslijst XRAY van € 29.377. Beide voertuigen zijn in de USA gemaakt, hebben dezelfde nieuwprijs, motorinhoud en vermogen.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de vergelijking met de Chrysler terecht door de Rechtbank is verworpen, omdat dit een voertuig betreft met een andere uitstraling en gevoelswaarde, en voor een andere klantengroep bestemd is.
4.5. De Rechtbank heeft belanghebbendes taxatie verworpen, overwegende dat daarbij “is uitgegaan van een verkeerd merk en type auto”. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het HvJ EU heeft in zijn arrest van 19 december 2013, C-437/12, X, ECLI:EU:C:2013:857, V-N 2014/2.18, ter zake van invoer uit een EU lidstaat overwogen:


“(…)
23. Wanneer deze producten op de markt voor tweedehands voertuigen van die lidstaat te koop worden aangeboden, moeten zij worden beschouwd als ‘gelijksoortige producten’, zijnde producten van dezelfde soort als ingevoerde tweedehands voertuigen, wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid. Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig. Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of het merk (zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C-101/00, Jurispr. blz. I-7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C-74/06, Jurispr. blz. I-7585, punten 29 en 37).
(…)
31. Derhalve wordt artikel 110 VWEU geschonden wanneer het bedrag van die belasting op een tweedehands voertuig uit een andere lidstaat hoger is dan het restbedrag van die heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen (arresten van 9 maart 1995, Nunes Tadeu, C-345/93, Jurispr. blz. I-479, punt 20, en 22 februari 2001, Gomes Valente, C-393/98, Jurispr. blz. I-1327, punt 23, en reeds aangehaald arrest Tulliasiamies en Siilin, punt 55).
(…)”

4.6.

Uit het hierboven aangehaalde arrest van het HvJ EU volgt, dat het merk van het voertuig slechts een van de kenmerken is, waarmee rekening wordt gehouden, doch dit betekent niet dat het referentievoertuig van hetzelfde merk moet zijn. Tussen partijen is niet in geschil dat het onderhavige type voertuig tot dan toe in Nederland nog nimmer was geleverd (de Inspecteur heeft één levering van een vergelijkbaar model aangetroffen doch dat was pas in het jaar 2014, derhalve twee jaren na het belastbare feit). Naar het oordeel van het Hof kan, anders dan de Rechtbank heeft overwogen, in dit geval de door belanghebbendes taxateur aangedragen Chrysler wél als referentievoertuig dienen, omdat dat voertuig en de auto zich in een concurrentieverhouding bevinden op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, en het referentievoertuig qua kenmerken het dichtst aanleunt bij die van de auto. De door belanghebbende in hoger beroep verdedigde op een koerslijst gebaseerde handelswaarde van € 29.377 kan derhalve worden gevolgd.

4.7.

Belanghebbende stelt in hoger beroep voorts dat de handelswaarde van de auto gecorrigeerd moet worden met een bedrag van € 5.336, dat is het bedrag vermeld in het taxatierapport van [J] betreffende de inbouw van een Europees navigatiesysteem en herstel van de beschadigingen aan de carrosserie, zoals krassen e.d., gecorrigeerd met de expertisekosten van de taxateur, die niet als schade kwalificeren en derhalve ten onrechte in het taxatierapport van belanghebbende waren meegenomen. De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat op de handelswaarde geen aftrek van schade mag worden toegepast, omdat de auto op het moment van registratie in het geheel geen schade had, andere dan normale gebruiksschade. Subsidiair stelt de Inspecteur dat ter zake van het inbouwen van een Europees navigatiesysteem slechts in mindering mag worden gebracht het bedrag van € 950 dat door de Rechtbank in aftrek is toegelaten, nu dat bedrag hoger is, dan het bedrag van een navigatiesysteem dat de Inspecteur nader op internet heeft gevonden.

4.8.

Het Hof is, anders dan de Rechtbank en de Inspecteur, van oordeel, dat uit de foto’s die zijn opgenomen in het taxatierapport van belanghebbende, afgeleid kan worden dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade, die hoort bij de leeftijd van de auto en de relatief lage kilometrage. Het Hof is evenwel van oordeel dat die schade niet tot waardevermindering leidt tot het volle bedrag dat door belanghebbende wordt gesteld, doch dat die waardevermindering op een lager bedrag moet worden vastgesteld, nu het aannemelijk is dat een vergelijkbaar referentievoertuig met dezelfde kilometrage enige sporen van gebruik zal vertonen. Het Hof stelt de waardevermindering als gevolg van herstel van de elektrische installatie (de navigatie) en talrijke beschadigingen van de carrosserie en de velgen, in goede justitie vast op € 3.500. Daarbij merkt het Hof op, dat het anders dan de Inspecteur, geen reden ziet aan de authenticiteit van de door belanghebbende overgelegde factuur ter zake van het navigatiesysteem van € 2.584 inclusief BTW te twijfelen.
4.9. Belanghebbende stelt voorts, onder verwijzing naar de uitspraak van dit Hof van
7 januari 2016, nr. 14/00805, ECLI:NL:GHSHE:2016:15, dat voor het vaststellen van de verschuldigde BPM moet worden uitgegaan van een CO2 uitstoot van 350 g/km overeenkomstig het bepaalde in artikel 9, lid 11, van de Wet BPM (tarief 2010), in plaats van de in de aangifte vermelde CO2 uitstoot van 370 g/km. De bruto BPM dient verlaagd te worden met een bedrag van 20 x € 288, dat is met € 5.760, omdat het mogelijk is, dat er in Nederland een gelijksoortige auto rondrijdt die tegen een lagere CO2 uitstoot is belast dan belanghebbendes auto. De Inspecteur bestrijdt dit standpunt van belanghebbende onder verwijzing naar een uitdraai uit het systeem van de Belastingdienst (hierna: de uitdraai), waaruit blijkt dat er in 2014 een Shelby met de datum eerste tenaamstelling 1 maart 2010 is ingevoerd, waarover afgerekend is op een uitstoot van 395 g/km. Hieruit blijkt, aldus de Inspecteur, dat belanghebbende niet benadeeld is door de vaststelling van zijn CO2 uitstoot op 370 g/km.

4.10.

Het Hof heeft in de uitspraak van 7 januari 2016, nr. 14/00805, ECLI:NL:GHSHE:2016:15, overwogen:

“4.2. Artikel 110 VWEU wordt volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) geschonden wanneer het bedrag van de heffing op een ingevoerd tweedehands voertuig hoger is dan het laagste restbedrag van de heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen (HvJ EU 22 februari 2001, C-393/98, Gomes Valente, ECLI:EU:C:2001:109, BNB 2001/395 en HvJ EU 19 december 2013, C-437/12, X, ECLI:EU:C:2013:857, V-N 2014/2.18).

(…)

4.3.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat niet kan worden uitgesloten dat de heffing ter zake van de auto hoger is dan het laagste restbedrag van de heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands auto’s. Zo heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat er niet altijd (meer) een CVO beschikbaar is op het moment waarop aangifte BPM moet worden gedaan. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat bij het ontbreken van een CVO geen meting in de zin van artikel 6a, aanhef en onder d. Uitv.reg. BPM kan worden afgedwongen. Hierdoor heeft een belastingplichtige, in een situatie waarin een CVO ontbreekt, als het ware de keuze om aangifte te doen tegen de daadwerkelijke uitstoot, zoals die door een meting wordt vastgesteld, of tegen de uitstoot die is opgenomen in artikel 9, lid 11, Wet BPM.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de daadwerkelijke CO2-uitstoot van de auto 388 gram per kilometer is. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat niet kan worden uitgesloten dat bij vergelijkbare voertuigen, waarvan de uitstoot niet bekend was, geen meting heeft plaatsgevonden en dat bij de bepaling van de verschuldigde BPM is uitgegaan van een uitstoot van 350 gram per kilometer. Het Hof is dan ook van oordeel dat voor zover wordt uitgegaan van een hogere uitstoot dan 350 gram per kilometer, in strijd met artikel 110 VWEU wordt gehandeld.”

4.11.

Het Hof verwerpt het beroep van de Inspecteur op de uitdraai, omdat het daar vermelde voertuig twee jaren na de registratie van de auto is ingevoerd, zodat daarmee niet is uitgesloten dat in 2012 de heffing op de auto hoger was dan de heffing die is vervat in de waarde van gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde, tweedehands auto’s. Belanghebbendes grief slaagt.

4.12.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dient de verschuldigde BPM als volgt te worden berekend:
€ €
Bruto BPM 52.175
Af; Correctie CO2 uitstoot - 5.760
Gecorrigeerde bruto BPM 46.415
Historische nieuwprijs 99.702

Handelswaarde 29.377
Correctie waardevermindering navigatie
en herstel schade - 3.500
Handelsinkoopwaarde 25.877

Afschrijving 73.825 (74,05%)
Afschrijving BPM 34.370
Verschuldigde BPM 12.045
Betaald op aangifte 12.075
Naheffing nihil.

4.13.

Het vorenoverwogene brengt met zich dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Anders dan belanghebbende kennelijk meent, betekent niet dat nu het op aangifte betaalde bedrag hoger is dan het bedrag aan de verschuldigde BPM, het verschil aan belanghebbende wordt teruggegeven. Belanghebbende heeft immers geen bezwaar gemaakt tegen eigen aangifte, waarmee het bedrag dat op aangifte is voldaan, onherroepelijk vaststaat.

Slotsom

4.14.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd, doch behoudens de beslissing omtrent de veroordeling van de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende en van de Inspecteur in de proceskosten en griffierecht.

Ten aanzien van het griffierecht

4.15.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 251 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.16.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit), op 3,5 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is in totaal € 1.732,50, vermeerderd met het bedrag van € 98,49 ter zake van de bijstand van de taxateur ter zitting. Het totale aan belanghebbende te vergoeden bedrag aan proceskosten komt daarmee op, afgerond, € 1.831.

4.17.

Niet gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond en het incidentele hoger beroep ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de veroordeling van de Minister van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende en van de Inspecteur in de proceskosten en griffierecht;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag;

  • -

    vernietigt de beschikking belastingrente;

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 251 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof, aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op, in totaal, € 1.831.

Aldus gedaan op 6 april 2017 door J. Swinkels, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.