Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1529

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2017
Datum publicatie
01-06-2017
Zaaknummer
16/00279
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:2320, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende de vereiste aangifte gedaan, omdat de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt heeft dat het op basis van de aangifte verschuldigde BPM-bedrag in absolute zin aanzienlijk lager is het daadwerkelijk verschuldigde BPM-bedrag. Het Hof overweegt voorts ten overvloede dat niet voldaan is aan de bewustheidstoets. Vervolgens overweegt het Hof dat sprake is van een situatie waarop het EU-recht van toepassing is. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Het gebruik van het eigen aankoopcijfer van een auto valt niet binnen de wettelijke systematiek van artikel 10 van de Wet BPM 1992. De door belanghebbende verdedigde methode van koerslijstwaarde minus schade, voor zover dit meer dan normale gebruiksschade is, acht het Hof in beginsel wel toegestaan. Het Hof stelt de handelswaarde van de onderhavige auto in goede justitie vast op een bedrag van € 1.043, door uit te gaan van een koerslijstwaarde van € 7.543 en een bedrag aan schade van € 6.500.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/35.22.2
V-N Vandaag 2017/1272
NTFR 2017/1911 met annotatie van mr. P.A.M. Breekpot
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00279

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 7 april 2016, nummer BRE 14/477, in het geding tussen

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 26 september 2013 onder aanslagnummer [aanslagnummer] een naheffingsaanslag (hierna: de naheffingsaanslag) in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd naar een bedrag van € 726. Tevens is bij beschikking belastingrente (hierna: de beschikking belastingrente) in rekening gebracht tot een bedrag van € 16.

1.2.

Belanghebbende heeft, bij geschrift met dagtekening 7 oktober 2013, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente. Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 22 januari 2014 heeft de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd met € 112 tot een bedrag van € 614 en de beschikking belastingrente verminderd met € 2 tot een bedrag van € 14. Voorts heeft de Inspecteur een forfaitaire kostenvergoeding van € 235 toegekend.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 56, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 1.238 en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 328 aan haar te vergoeden.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 22 februari 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , verbonden aan [bedrijf] B.V. te [plaats 1] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heren [B] en [C] (taxateur), alsmede, namens de Inspecteur, de heren [D] , [E] en [F] .

1.6.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft ter zake van de registratie van een gebruikte personenauto van het merk [merk] , type [type] met identificatienummer [nummer] (hierna: de auto) op 22 oktober 2012 aangifte BPM (hierna: de aangifte) gedaan. De aangifte vermeldt een te betalen bedrag aan BPM van € 149, welk bedrag op 21 december 2012 is voldaan. Hierbij is belanghebbende uitgegaan van een netto-catalogusprijs inclusies opties van € 14.181. Belanghebbende heeft bij de berekening van de te betalen BPM gebruik gemaakt van een taxatierapport dat in opdracht van belanghebbende is opgesteld door [G] B.V. te [plaats 2] (hierna: [G] . Volgens het taxatierapport van [G] bedraagt de historische nieuwprijs inclusief opties € 21.660. De handelsinkoopwaarde is vastgesteld op € 750, waarbij op de taxatiewaarde (handelswaarde) volgens de koerslijst X-RAY van € 7.543 een bedrag aan schade/herstelkosten in mindering is gebracht van € 7.325. Verder is op de taxatiewaarde een waardecorrectie toegepast van € 532. De datum eerste toelating van de auto is 21 januari 2009.

2.2.

De Inspecteur heeft een hertaxatie (hierna: de hertaxatie) laten uitvoeren door [H] B.V. te [plaats 3] (hierna: [H] ). In het taxatierapport van 27 november 2012 heeft [H] de netto-catalogusprijs inclusief opties vastgesteld op € 14.056. De verkoopwaarde is vastgesteld op € 13.000, waarbij wordt verwezen naar de gemiddelde vraagprijs van twee vergelijkbare voertuigen. De herstelkosten van de geconstateerde schade is vastgesteld op € 10.000. De handelsinkoopwaarde met inachtneming van de aanwezige schade is vervolgens vastgesteld op € 4.000. Dit bedrag is berekend door de verkoopwaarde van € 13.000 te verminderen met een handelsmarge van € 2.500 en een waardevermindering vanwege schade van € 6.500.

2.3.

Naar aanleiding van de hertaxatie heeft de Inspecteur met dagtekening 26 september 2013 de naheffingsaanslag opgelegd van € 726 en in hetzelfde geschrift € 16 belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

2.4.

Bij de uitspraak op bezwaar met dagtekening 22 januari 2014 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende (deels) gegrond verklaard. De Inspecteur heeft in overeenstemming met het bezwaar van belanghebbende de verschuldigde BPM herberekend met toepassing van het tussentijds tarief van 1 januari 2010 en een extra leeftijdskorting van 2,25%, hetgeen leidde tot een verschuldigde BPM van € 763. De Inspecteur heeft daarop, rekening houdende met het bedrag aan BPM dat belanghebbende reeds op aangifte heeft voldaan, de naheffingsaanslag verminderd tot € 614. De beschikking belastingrente is verminderd tot € 14.

2.5.

De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verder verminderd tot een bedrag van € 56. Daarbij heeft de Rechtbank de handelsinkoopwaarde in goede justitie vastgesteld op € 1.043, uitgaande van de koerslijstwaarde van € 7.543 verminderd met een geschat bedrag aan schade van € 6.500. Voorts heeft de Rechtbank de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan?

IIa. Indien vraag I bevestigend wordt beantwoord: heeft belanghebbende overtuigend aangetoond dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd?

IIb. Indien vraag I ontkennend wordt beantwoord: heeft de Inspecteur de door hem verdedigde handelsinkoopwaarde aannemelijk gemaakt?

Belanghebbende is van mening, dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Ten aanzien van de tweede vraag zijn beide partijen van mening dat het bewijs dat de wederpartij moet leveren, niet is geleverd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben partijen daaraan het volgende toegevoegd.

Belanghebbende:

Bij de toepassing van artikel 110 van het VWEU gaat het om de eerste registratie. De eigen aankoopnota is in dit kader niet relevant.

De Inspecteur:

De Europese rechtspraak is hier niet van toepassing, omdat belanghebbende de auto heeft gekocht op de Nederlandse markt van een Nederlandse handelaar. Dat hier sprake is van een eerste registratie in Nederland van een uit het buitenland afkomstige auto, is niet relevant.

Belanghebbende hanteert een systeem van koerslijst minus schade. Ik ben van mening dat je niet moet uitgaan van de laagste koerslijst, maar van een gemiddelde van verschillende koerslijsten. Bij hantering van een gemiddelde van verschillende koerslijsten kan hierop de schade in mindering gebracht worden.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I: Dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard omdat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan?

4.1.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan en dat om die reden omkering en verzwaring van de bewijslast geldt. Volgens de Inspecteur is de vereiste aangifte niet gedaan, omdat de aangegeven waarde exclusief BPM en BTW significant afwijkt van de door belanghebbende betaalde inkoopprijs. Een dergelijke grote afwijking duidt volgens de Inspecteur op een irreële aangegeven waarde.

4.2.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij de vereiste aangifte wél heeft gedaan door stellig en zonder voorbehoud aangifte te doen en door zich met betrekking tot de taxatie van de auto te wenden tot een registertaxateur die aan alle regels voldoet.

4.3.

In het arrest Hoge Raad 24 april 2015, nr. 14/04104, ECLI:NL:HR:2015:1083 (hierna ook: het arrest 14/04104) heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Voor de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: belasting) geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (zie HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47).”

Naar het oordeel van het Hof heeft hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld ten aanzien van de aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, ook te gelden voor de aangifte BPM. Het Hof zal dan ook aan de hand van de hierboven opgenomen rechtsoverwegingen uit het arrest 14/04104 beoordelen of in het onderhavige geval de vereiste aangifte is gedaan.

4.4.

Uit het voormelde arrest 14/04104 volgt in de eerste plaats dat, wil het gevolg van de omkering en verzwaring van de bewijslast intreden, de Inspecteur aannemelijk moet maken dat de op basis van de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk lager is dan de daadwerkelijk verschuldigde belasting.

4.5.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een verschuldigde BPM van € 149. De Inspecteur verdedigt na uitspraak op bezwaar een verschuldigde BPM van € 763, een bedrag derhalve dat € 614 hoger is dan het in de aangifte aangegeven verschuldigde BPM-bedrag. Naar het oordeel van het Hof kan van een bedrag van € 614 niet worden gezegd dat dit op zich zelf beschouwd een aanzienlijk bedrag is, nog afgezien van de vraag of de door de Inspecteur verdedigde BPM ook werkelijk verschuldigd is. Om die reden kan reeds hierom niet worden gezegd dat de vereiste aangifte niet is gedaan en dat er reden is voor omkering en verzwaring van de bewijslast.

4.6.

Het Hof overweegt ten overvloede nog als volgt. Uit het arrest 14/04104 volgt dat bij inhoudelijke gebreken niet alleen een relatieve en absolute toets moet worden aangelegd, maar dat ook beoordeeld dient te worden of belanghebbende zich ten tijde van het doen van aangifte bewust moest zijn geweest dat zij tot een te laag bedrag aan belasting aangifte heeft gedaan (bewustheidstoets). In het onderhavige geval heeft belanghebbende, naar het oordeel van het Hof, mogen vertrouwen op de door haar aangestelde taxateur en de door de taxateur verrichte taxatie van het schadebedrag, waardoor naar het oordeel van het Hof niet is voldaan aan de bewustheidstoets, zodat ook om die reden geen sprake is van het niet doen van de vereiste aangifte.

4.7.

Vraag I dient ontkennend te worden beantwoord. Vraag IIa behoeft dan geen beantwoording.

Vraag IIb. Heeft de Inspecteur de door hem verdedigde handelsinkoopwaarde aannemelijk gemaakt?

4.8.

De Inspecteur heeft ter zitting gesteld dat de Europeesrechtelijke jurisprudentie niet van toepassing is, omdat de auto door belanghebbende van een Nederlandse handelaar op de Nederlandse markt is gekocht. Voorts stelt de Inspecteur, naar het Hof begrijpt, dat voor de vaststelling van de waarde van de auto het eigen aankoopcijfer van belanghebbende een goede maatstaf is.

4.9.

Het Hof verwerpt het standpunt van de Inspecteur dat de Europeesrechtelijke jurisprudentie in het onderhavige geval niet van toepassing is. In dit geval is sprake van een uit het buitenland afkomstige auto, die door belanghebbende voor het eerst in Nederland wordt geregistreerd. Hoewel partijen zich hier niet over hebben uitgelaten, gaat het Hof ervan uit dat sprake is van een auto die afkomstig is uit een andere EU-lidstaat. Belanghebbende heeft zich immers beroepen op artikel 110 VWEU en de Inspecteur heeft niet gesteld dat de auto afkomstig is uit een ander land dan een EU-lidstaat.

Ter zake van de eerste registratie in Nederland vindt heffing van BPM plaats. Vóórdat die registratie plaatsvindt, bevindt de auto zich nog niet op de binnenlandse markt in de zin van het bepaalde in artikel 110 van het VWEU. Naar het oordeel van het Hof is hier dan sprake van een situatie, waarop het EU-recht van toepassing is. Dit betekent dat de Europeesrechtelijke jurisprudentie, kort gezegd inhoudende dat op deze vanuit een andere EU-lidstaat afkomstige auto geen hogere belasting mag drukken dan op vergelijkbare auto’s die zich reeds op de binnenlandse markt bevinden, van toepassing is. Noodzakelijk is derhalve om vast te stellen welke rest-BPM drukt op vergelijkbare auto’s op de binnenlandse markt. Daarvoor is het nodig om de waarde van een dergelijke vergelijkbare auto op de binnenlandse markt te bepalen.

4.10.

De Rechtbank heeft ten aanzien van de onderbouwing door de Inspecteur van de door hem verdedigde waarde het volgende geoordeeld:

“2.10. De inspecteur heeft ter onderbouwing van de naheffingsaanslag naar het onder 2.2 vermelde taxatierapport verwezen. Verder heeft de inspecteur ter zitting een print screen van de website GasPedaal (www.gaspedaal.nl) overgelegd waarop verscheidene [merk] te koop aangeboden worden voor vraagprijzen variërend tussen de € 12.950 en de € 15.500.

2.11.

De stelling van belanghebbende dat het taxatierapport van [H] niet als onderbouwing van de handelsinkoopwaarde kan dienen, nu [H] een firma is die in tweedehands auto’s handelt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De inspecteur heeft dit standpunt gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet in hetgeen partijen dienaangaande hebben aangevoerd geen reden om aan de deskundigheid van de taxateur van [H] te twijfelen. De rechtbank zal dan ook voor de beantwoording van de vraag of de inspecteur is geslaagd in zijn bewijslast het taxatierapport van [H] in ogenschouw nemen.

2.12.

De rechtbank merkt ten aanzien van het taxatierapport van [H] op dat enkel staat vermeld dat marktonderzoek is gedaan en dat een vergelijking is gemaakt met twee voertuigen. In het taxatierapport is, zoals belanghebbende terecht stelt, geen informatie opgenomen over de twee objecten die voor de vergelijking zijn gebruikt. Door het ontbreken van informatie over deze twee objecten en dus over de mate van vergelijkbaarheid met de auto, is oncontroleerbaar of en in welke mate de twee bedoelde voertuigen daadwerkelijk vergelijkbaar waren met de auto ten tijde van de invoer daarvan. Daarnaast wordt voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde uitgegaan van vraagprijzen in plaats van verkoopprijzen. Vraagprijzen van gelijksoortige voertuigen kunnen niet dienen als referentie, ook niet indien daarbij nog rekening wordt gehouden met een handelsmarge. Die marge is immers geen absoluut gegeven. Datzelfde geldt voor de vraagprijzen, die aanmerkelijk kunnen afwijken van de prijzen die feitelijk worden betaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd.”

4.11.

Het Hof onderschrijft dit oordeel van de Rechtbank en maakt dit tot de zijne. In hoger beroep stelt de Inspecteur, naar het Hof begrijpt, dat voor de vaststelling van de waarde van de auto het eigen aankoopcijfer van belanghebbende een goede maatstaf is. Het Hof volgt de Inspecteur niet in diens stelling. Het wettelijke systeem van artikel 10 van de Wet BPM 1992 bepaalt op welke wijze de vermindering van BPM, en daarmee de handelswaarde, bepaald dient te worden. De aldaar vermelde opsomming omvat niet het eigen aankoopcijfer.

4.12.

Belanghebbende heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zij zich kan vinden in de handelswaarde zoals die door de Rechtbank is bepaald (€ 1.043), door uit te gaan van een koerslijstwaarde van € 7.543 verminderd met een schadebedrag van € 6.500. De Inspecteur bestrijdt deze methode, en subsidiair meent hij dat in dat geval uitgegaan moet worden van een gemiddelde van de diverse koerslijstwaarden.

4.13.

Ten aanzien van het door de Inspecteur onder 4.12 ingenomen standpunt oordeelt het Hof als volgt.

Bij de wijziging van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling BPM 1992 bij ministeriële regeling van 22 januari 2007, nr. DV2007/40M, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten en de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, Stcrt. 2007,
nr. 19, heeft de besluitgever een toelichting gegeven op de invoering van de feitelijke afschrijving als uitgangspunt voor de maatstaf van BPM-heffing. Voor zover te dezen van belang is in de toelichting (pagina 6) vermeld:

“In voorliggende wijziging wordt in de Uitvoeringsregeling BPM op de eerste plaats opgenomen welke bescheiden bij een BPM-aangifte moeten worden overgelegd ter onderbouwing van de feitelijke afschrijving. Dit zijn ofwel een afschrift van de gehanteerde passage uit een in de handel algemeen gebruikte koerslijst voor de verkoop in Nederland van handelaar aan particulier, ofwel een recent taxatierapport van een onafhankelijke taxateur. De inspecteur kan in dit geval overigens eveneens een taxatie laten uitvoeren ter verifiëring van het aangegeven belastingbedrag. Wanneer wordt gekozen voor toepassing van de werkelijke afschrijving, is de werkelijke afschrijving ook leidend. Ingevolge artikel 10, tweede en zesde lid, van de wet, zoals dit artikel luidt per 1 februari 2007, is het niet mogelijk op een later tijdstip alsnog terug te vallen op de forfaitaire afschrijvingstabel, ook niet wanneer zou blijken dat de werkelijke afschrijving lager is dan de afschrijving die uit de tabel voort zou vloeien.”

Het Hof leidt uit de toelichting af dat indien wordt gekozen voor de werkelijke afschrijving, niet meer kan worden teruggevallen op de forfaitaire afschrijving. De beperking die de Inspecteur wenst aan te brengen – het verbod om een mix te hanteren van een koerslijst en de feitelijk getaxeerde schade – volgt echter noch uit de tekst van de wet en uitvoeringsregeling, noch uit de parlementaire geschiedenis en de toelichting op de uitvoeringsregeling.

4.14.

In aansluiting op het vorenstaande gaat het Hof ervan uit dat de auto’s, waarvan de waarden de grondslag hebben gevormd bij de totstandkoming van koerslijsten, in een gemiddelde staat verkeren, dat enkel rekening is gehouden met gebruikssporen die inherent zijn aan de leeftijd van de auto en dat bijzondere vormen van schade niet zijn verdisconteerd. Alsdan mag naar het oordeel van het Hof, nadat de handelswaarde aan de hand van een koerslijst is berekend, rekening worden gehouden met de afzonderlijk, feitelijk vastgestelde extra waardevermindering als gevolg van schade, buiten de normale gebruikssporen. Anders dan de Inspecteur meent, bestaat er geen enkele grond om een gemiddelde van diverse koerslijstwaarden te hanteren. Nog los van het feit dat de Inspecteur deze ter zitting ingebrachte stelling niet heeft onderbouwd.

4.15.

Het Hof heeft geen reden om over de door de Rechtbank in goede justitie vastgestelde waardevermindering als gevolg van schade anders te oordelen en neemt deze over. Het Hof wijst ten overvloede op het feit dat de eigen taxateur van de Inspecteur eveneens uitgaat van een waardevermindering als gevolg van schade van € 6.500.

Slotsom

4.16.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.17.

Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 503.

Ten aanzien van de proceskosten

4.18.

Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.19.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 990, vermeerderd met een bedrag aan kosten voor deskundige bijstand ter zitting van € 81,40 (exclusief BTW).

4.20.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    bepaalt dat van de Inspecteur door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 503; en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof, aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op, in totaal, € 1.071,40.

Aldus gedaan op 6 april 2017 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, J. Swinkels en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.