Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1520

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
200.187.881_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzekeringszaak, mededelingsplicht, verzwijging?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/212
AR 2017/1820
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.187.881/01

arrest van 28 maart 2017

in de zaak van

N.V. Amersfoortse Algemene Verzekering Maatschappij,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

hierna aan te duiden als De Amersfoortse,

advocaat: mr. B. Holthuis te Deventer,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.M. van Schaick te Tilburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 maart 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 23 december 2015, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen De Amersfoortse als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/295641 / HA ZA 15-138)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, alsmede het vonnis in incident van 1 juli 2015 en de daarin genoemde producties en het tussenvonnis van 15 juli 2015.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Grief 1 richt zich tegen de feiten, zoals door de rechtbank vastgesteld in 3.1 van het beroepen vonnis. Het hof zal de feiten die voor de beslissing op de vorderingen relevant zijn opnieuw weergeven. Uit deze weergave blijkt in hoeverre de grief slaagt. Voor het overige heeft De Amersfoortse geen belang bij behandeling van de grief, nu het aan de rechter is om de feiten die hij relevant acht voor de beslissing weer te geven als ‘vaststaande feiten’.

3.2.

Het gaat om de volgende feiten.

  1. [geïntimeerde] is vanaf 1999 stratenmaker van beroep en werkt sinds augustus 2010 als zelfstandige zonder personeel (zzp’er).

  2. Met ingang van 10 oktober 2011 heeft [geïntimeerde] een arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: verzekering) afgesloten bij De Amersfoortse voor de duur van drie jaren, met stilzwijgende verlening voor telkens een jaar.

  3. Op grond van de polisvoorwaarden (onderdeel van prod. 1 inleidende dagvaarding) dient [geïntimeerde] in geval van arbeidsongeschiktheid zich direct te laten behandelen door een arts en dient hij De Amersfoortse zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de eigen risico-termijn van dertig dagen te laten weten dat hij arbeidsongeschikt is. [geïntimeerde] heeft op grond van deze poliswaarden recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering als hij ten minste 25% arbeidsongeschikt is. Indien de arbeidsongeschiktheid eenvoudig te beoordelen is, zullen de mate en de duur daarvan in overleg met [geïntimeerde] worden vastgesteld. Mocht dat niet het geval zijn, dan vraagt De Amersfoortse een arts en, indien nodig, ook een specialist en/of een arbeidsdeskundige om [geïntimeerde] te onderzoeken. In het polisblad is vermeld dat de uitkering begint als de eigen risico-termijn van dertig dagen voorbij is.

  4. Voorafgaand aan het sluiten van de verzekering heeft [geïntimeerde] een gezondheidsverklaring ingevuld en ondertekend op 11 augustus 2011.
    De gezondheidsverklaring (prod. 2 inleidende dagvaarding) bevat, onder meer, het volgende:
    “3A Uw gezondheidstoestand
    Heeft u hieronder een of meer categorieën aangekruist? Vul dan voor elke aandoening, ziekte of gebrek ook de vragen bij vraag 3B in bijvoorbeeld over raadpleging huisarts/specialist, blijvend letsel of arbeidsongeschiktheid.

Heeft u of heeft u ooit een of meer van de volgende aandoeningen, ziekten en/of gebreken (hier vallen ook klachten onder) gehad?
Let op!
U moet ook een rubriek aankruisen als u:
* een huisarts, hulpverlener of arts heeft geraadpleegd;
*opgenomen bent geweest in het ziekenhuis, sanatorium, psychiatrische inrichting of andere verpleeginrichting;
* geopereerd bent;
* nog medicatie gebruikt of heeft gebruikt;
* nog onder controle staat.”
[geïntimeerde] heeft van de daarop volgende categorieën A-L aangekruist:
“C verhoogde bloeddruk, beklemming of pijn op de borst, hartkloppingen, ziekten van hart of bloedvaten?” en daarachter handgeschreven vermeld “te hoog (onderdruk)”
[geïntimeerde] heeft niet aangekruist de categorieën:
“J huidaandoeningen, spataderen, open been, fistels, trombose, embolie?” en
“L ziekten, aandoeningen en/of gebreken (hier vallen ook klachten onder) die niet onder bovengenoemde categorieën kunnen worden geplaatst?”

Op 14 februari 2014 heeft [geïntimeerde] zijn linker onderbeen geschaafd aan een inritblok. Omdat de hierdoor ontstane wond niet heelde, is hij op 17 maart 2014 naar zijn huisarts gegaan en heeft hij zich arbeidsongeschikt gemeld. Kort daarna is vastgesteld dat [geïntimeerde] aan de (zeldzame) huidaandoening “pyoderma gangraenosum” lijdt (die ontstekingen van de huid veroorzaakt).

Bij formulier “Melding arbeidsongeschiktheid en ongevallen”, ondertekend op 11 april 2014 (prod. 4 inleidende dagvaarding), heeft [geïntimeerde] De Amersfoortse gemeld dat hij (voorlopig) volledig arbeidsongeschikt is vanwege een open wond aan zijn linker onderbeen. Daarbij heeft hij vermeld dat hij op 17 maart 2014 bij de dokter is geweest en zijn werk heeft gestaakt, maar dat hij het letsel al een paar weken had. Ook heeft hij aangegeven dat hij dezelfde klachten eerder heeft gehad, namelijk “om de zoveel tijd al 5 jaar”.

Naar aanleiding hiervan en de door [geïntimeerde] ondertekende machtiging heeft De Amersfoortse informatie opgevraagd bij de huisarts van [geïntimeerde] .

De huisarts heeft de medisch adviseur van De Amersfoortse bij brief van 23 mei 2014 (prod. 7 inleidende dagvaarding), met als bijlagen de brieven van de chirurg van 31 maart 2009 en 25 augustus 2010, onder meer laten weten dat [geïntimeerde] in 2008 en 2010 last had van ontstoken en moeilijk genezende wonden op zijn linker onderbeen, waarvoor hij op 27 december 2008 en 13 juli 2010 bij de huisarts is geweest en op 3 februari 2009 en 21 juli 2010 een chirurg heeft geraadpleegd alsmede medicatie (een zalf) heeft gekregen.

De Amersfoortse heeft [geïntimeerde] bij brief van 23 juni 2014 (prod. 9 inleidende dagvaarding), voor zover van belang, het volgende meegedeeld:

“(…) Door onvolledig en/of onjuist te beantwoorden heeft u niet voldaan aan de mededelingsplicht die in artikel 7:928 van het Burgerlijk Wetboek is vastgelegd. (…) Wat zijn de gevolgen? Als onze medisch adviseur bij het aanvragen van de verzekering op de hoogte was geweest van uw medische klachten, dan had hij ons geadviseerd de verzekering te accepteren met een uitsluiting voor arbeidsongeschiktheid als gevolg van verwondingen en ontstekingen. Dit advies hadden wij opgevolgd door het opnemen van een clausule in uw polis. Deze clausule luidt als volgt: “Er bestaat geen dekking bij arbeidsongeschiktheid ontstaan door dan wel verband houdend met verwondingen en/of ontstekingen van de huis inclusief oorzaken en gevolgen (waaronder een vertraagde wondgenezing). Wij nemen nu alsnog deze clausule op in uw polis. Het opnemen van de clausule betekent dat u geen recht heeft op een uitkering. Gaat u niet akkoord met de clausule? U heeft de mogelijkheid de verzekering te beëindigen per 23 juni 2014. Als u de verzekering wilt beëindigen laat dit ons dan binnen 30 dagen schriftelijk weten. De betaalde premies (…) betalen wij dan aan u terug. (…)”

[geïntimeerde] heeft op 25 juni 2014 op de mededeling van de Amersfoortse gereageerd door middel van een handgeschreven mededeling op de brief van 23 juni 2014. Deze mededeling luidt als volgt:
“Polis beeindigen ivm niet akkoord met clausule. [geïntimeerde] [handtekening] 25-06-2015 Graag premierestitutie over maand mei en juni 2014.”

Op 17 september 2014 is bij [geïntimeerde] een darmperforatie gediagnosticeerd, waarvoor hij in het ziekenhuis meerdere malen operatief is behandeld. Op de plaats waar operatief is ingegrepen is de huid vanwege zijn huidaandoening ontstoken geraakt, hetgeen het herstelproces bemoeilijkte. Op 14 november 2014 heeft [geïntimeerde] het ziekenhuis verlaten.

Bij brief van 9 oktober 2014 (prod. 11 inleidende dagvaarding) heeft [geïntimeerde] De Amersfoortse laten weten dat hij niet akkoord is gegaan met het opnemen van een uitsluitingsclausule in de polis en de polis heeft beëindigd. Voorts heeft [geïntimeerde] gevraagd of De Amersfoortse kan aantonen dat het opnemen van de betreffende clausule vast beleid van De Amersfoortse was ten tijden van het afsluiten van de polis door [geïntimeerde] .

De Amersfoortse heeft bij brief van 28 oktober 2014 (prod. 12 inleidende dagvaarding) schriftelijk meegedeeld dat [geïntimeerde] de polis heeft opgezegd in plaats van in te gaan op de gestelde uitsluiting. De Amersfoortse heeft dit gezien als een bevestiging van het door haar ingenomen standpunt ten aanzien van de verzwijging. Voorts heeft De Amersfoortse aangegeven dat er geen beleidsregels zijn vastgesteld, maar dat het aan de medisch adviseur is om een schatting te maken van het aangeboden risico. De medisch adviseur geeft aan of De Amersfoortse het aangeboden risico accepteert (eventueel met een uitsluitingsclausule). De hiervoor opgestelde interne richtlijnen worden door De Amersfoortse niet aan [geïntimeerde] verstrekt. Ten slotte heeft De Amersfoortse [geïntimeerde] er op gewezen dat deze brief een afwijzing van de vordering tot uitkering inhoudt, met verwijzing naar artikel 7:942 lid 3 BW inzake verjaring.

Bij brief van 2 februari 2015 (prod. 13 inleidende dagvaarding) heeft [geïntimeerde] De Amersfoortse gesommeerd binnen tien dagen uitkeringen per 28 februari [naar het hof begrijpt: 2015[ te doen en te bevestigen dat de verzekering onder dezelfde voorwaarden wordt voortgezet.

Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding op 23 februari 2015 was de wond aan het linkerbeen van [geïntimeerde] nog niet genezen en was hij onder behandeling van een dermatoloog.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gevorderd om uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] zijn mededelingsplicht niet heeft geschonden en dat De Amersfoortse een uitkering moet doen op basis van de geldende arbeidsongeschiktheidsverzekering en toepasselijke polisvoorwaarden;

  2. De Amersfoortse te veroordelen om de tussen [geïntimeerde] en haar gesloten verzekeringsovereenkomst met terugwerkende kracht vanaf 14 maart 2014 voort te zetten en het uitkeringstraject onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering te hervatten, met voldoening van de wettelijke rente over de achterstallige uitkeringen;

  3. De Amersfoortse te veroordelen om aan [geïntimeerde] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vergoeden de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, ter hoogte van twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, althans ter hoogte van een door de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

  4. De Amersfoortse te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten als De Amersfoortse deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis heeft betaald.

3.3.

In het eindvonnis van 23 december 2015 heeft de rechtbank de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, behoudens de gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente hierover.

De rechtbank heeft overwogen dat [geïntimeerde] als behoorlijk en zorgvuldig verzekeringnemer de (moeilijk genezende) wondjes uit 2008 en 2010 in redelijkheid niet als (klachten over) een huidaandoening in de gezondheidsverklaring hoefde te vermelden. Ten aanzien van de voorzetting van de verzekering heeft de rechtbank overwogen dat de wil van [geïntimeerde] uitsluitend was gericht op het opzeggen van een voorgelegde arbeidsongeschiktheidsverzekering met de door De Amersfoortse eenzijdig toegevoegde uitsluitingsclausule en niet op opzegging van de oorspronkelijk verzekering met (ongewijzigde) polisvoorwaarden. Aldus heeft [geïntimeerde] naar het oordeel van de rechtbank deze oorspronkelijke verzekering met polisvoorwaarden niet opgezegd, zodat deze nog immer bestaat. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] op grond van de nog altijd geldende verzekering en de toepasselijke polisvoorwaarden recht heeft op een uitkering ter zake zijn arbeidsongeschiktheid. Dat [geïntimeerde] per 17 maart 2014 (voor meer dan 25%) arbeidsongeschikt is geraakt, is volgens de rechtbank door De Amersfoortse onvoldoende gemotiveerd (en met stukken) betwist. Door de uitkering te weigeren, is De Amersfoortse tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichting, aldus de rechtbank.

3.4.

De Amersfoortse heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. De Amersfoortse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.
Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.

3.5.

De Amersfoortse stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde] zijn mededelingsplicht heeft geschonden door in de gezondheidsverklaring niet te vermelden dat hij in 2008 en 2010 open wonden aan zijn onderbenen heeft gehad, alsmede dat hij last had van vermoeide benen.

Ook heeft [geïntimeerde] volgens de Amersfoortse ten onrechte vraag 4 van de gezondheidsverklaring - waarin wordt gevraagd of de aspirant-verzekerde de laatste vijf jaar twee weken of langer achtereen geheel of gedeeltelijk niet heeft kunnen werken - ten onrechte ontkennend beantwoord.

De Amersfoortse voert aan dat een redelijke interpretatie van de gezondheidsverklaring met zich mee brengt dat De Amersfoortse geïnteresseerd is in zowel klachten met betrekking tot de in 3A onder A t/m K genoemde aandoeningen, ziekten en gebreken, als ook in klachten van niet met name te noemen aandoeningen, ziekten en/of gebreken, waarvoor bijvoorbeeld behandelende artsen geen diagnose hebben kunnen stellen.

De Amersfoortse betwist dat [geïntimeerde] niet wist dat hij aan een zeldzame huidaandoening leed. [geïntimeerde] wist of moet hebben geweten dat hij aan recidiverende open wonden leed, althans tot twee keer toe (recidiverend) een huidaandoening heeft gehad.

De Amersfoortse voert ook nog aan dat [geïntimeerde] bij het invullen van de gezondheidsverklaring is bijgestaan oor een assurantietussenpersoon. De Amersfoortse mocht erop vertrouwen dat deze [geïntimeerde] geadviseerd zou hebben voornoemde klachten in de gezondheidsverklaring te vermelden.

Als De Amersfoortse had geweten van de recidiverende open wonden, dan had zij de verzekering alleen onder een uitsluitingsclausule voor wat betreft verwondingen en ontstekingen aan de huid afgesloten.

Ten slotte beroept De Amersfoortse zich op rechtsverwerking. De verklaring van [geïntimeerde] en zijn handelswijze hebben bij De Amersfoortse het vertrouwen opgewerkt dat hij daadwerkelijk de overeenkomst heeft willen beëindigen. [geïntimeerde] heeft naast zijn verklaring de overeenkomst te willen beëindigen geen bezwaar gemaakt tegen de door De Amersfoortse voorgestelde clausule.

3.6.

[geïntimeerde] heeft de stellingen van De Amersfoortse betwist.

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat hij zijn mededelingsplicht niet heeft geschonden.

Hij stelt dat hij uit de formulering van de gezondheidsverklaring niet hoefde op te maken dat De Amersfoortse zou hebben willen weten dat [geïntimeerde] in 2008 en 2010 moeilijk genezende wondjes heeft gehad.

[geïntimeerde] heeft pas in 2014 het verband gelegd met de in 2008 en 2010 moeilijk genezende wondjes. Overigens is niet aangetoond dat [geïntimeerde] destijds aan de huidaandoening leed en/of dat een medisch causaal verband bestaat tussen die wondjes en de wond die op 14 februari 2014 ontstond. [geïntimeerde] heeft zich in 2014 niet arbeidsongeschikt gemeld met een open been, maar met een open wond op zijn linker onderbeen.

De uitleg bij onderdeel 3A van de gezondheidsverklaring impliceert dat De Amersfoortse pas informatie wenst als het gaat om een specifieke aandoening, ziekte of gebrek indien sprake is van een aandoening genoemd in een van de categorieën. Onder categorie L wordt alleen gevraagd naar ziekten, aandoeningen en/of gebreken die niet onder bovengenoemde categorieën kunnen worden geplaatst. Dat is dus niet hetzelfde als niet-gediagnosticeerde ziekten enz. Daarnaast moet sprake zijn van een zekere mate van ernst. Dat [geïntimeerde] voor het ingaan van de verzekeringsovereenkomst wist dat hij leed aan een zeldzame huidaandoening wordt door hem betwist. De wondjes uit 2008 en 2010 zijn volledig genezen en de diagnose “pyoderma gangraenosum” is pas in 2014 gesteld.

[geïntimeerde] betwist dat De Amersfoortse uit zijn reactie van 25 juni 2014 mocht opmaken dat hij het eens was met de afwijzing van zijn uitkering. De opzegging door [geïntimeerde] was noodgedwongen en gebaseerd op het onjuiste standpunt van De Amersfoortse dat hij zijn mededelingsplicht had geschonden.

3.7

In hoger beroep ligt de vraag voor of [geïntimeerde] zijn mededelingsplicht als bedoeld in artikel 7:928 lid 1 BW heeft geschonden door bij vraag 3A niet aan te kruisen en als toelichting te vermelden dat hij in het verleden last heeft gehad van moeilijk genezende wondjes en vermoeide benen en dat hij als gevolg hiervan arbeidsongeschikt is geweest.

3.8.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 7:928 lid 1 en 3 BW de verzekeringnemer vóór het sluiten van de verzekeringsovereenkomst aan de verzekeraar alle feiten moet meedelen die hij kent of behoort te kennen (het kennisvereiste) en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, deze de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen (het kenbaarheidsvereiste). Voor de beoordeling om welke feiten het gaat, geldt de maatstaf van een behoorlijk en zorgvuldig verzekeringnemer en bij die beoordeling moeten alle omstandigheden van het concrete geval worden betrokken.

Indien de verzekeraar gebruikt maar van een door de verzekeringnemer in te vullen vragenlijst wordt het kenbaarheidsvereiste nader ingevuld door wat bij de verzekeringnemer bekend mag worden verondersteld over het acceptatiebeleid van de verzekeraar en door hetgeen deze op dit punt weet of behoort te begrijpen. Voorts is uitgangspunt dat (in dit geval) [geïntimeerde] de op die vragenlijst voorkomende vragen mag opvatten overeenkomstig de zin die hij aan die vragen onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mag toekennen.

3.9.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] redelijkerwijs niet behoeven te begrijpen dat hij de eerdergenoemde lastig te genezen wondjes aan zijn been heeft moeten vermelden onder de onder 3A sub A tot en met L genoemde categorieën. [geïntimeerde] wist ten tijde van het invullen van de gezondheidsverklaring immers niet dat het hier om een huidaandoening (categorie J) ging; deze diagnose heeft hij ruim twee jaren na het afsluiten van de verzekering vernomen. Evenmin heeft [geïntimeerde] redelijkerwijs behoeven te begrijpen dat deze - niet spontaan opgetreden, maar ten gevolge van een stootincident opgetreden - wondjes zouden vallen onder categorie L, te weten: “ziekten, aandoeningen en/of gebreken (hier vallen ook klachten onder) die niet onder bovengenoemde categorieën kunnen worden geplaatst”.
Allereerst geldt hierbij dat de duur van de genezing van de wondjes niet uitzonderlijk was, dat [geïntimeerde] geen ingrijpende behandeling daarvoor heeft behoeven te ondergaan en dat hij geen blijvende klachten daaraan heeft overgehouden. [geïntimeerde] hoefde naar aanleiding hiervan niet te begrijpen dat hij de gevolgen van de stootincidenten diende aan te merken - en dus diende te vermelden - als “aandoening”, “ziekte” en/of “gebrek”

Op de gezondheidsverklaring heeft De Amersfoortse daarnaast weliswaar gevraagd naar “klachten” van de toekomstige verzekerde, maar hierbij heeft zij in het geheel geen beperking in de tijd aangebracht. Het standpunt van De Amersfoortse komt er dan (gelet op de tekst van de vragen onder 3A van de gezondheidsverklaring) op neer dat een toekomstig verzekerde alle klachten vanaf zijn geboorte op het aanvraagformulier moet vermelden, ook al is er geen arts of hulpverlener aan te pas gekomen, en zelfs als de klacht binnen zeer korte tijd en vanzelf is verdwenen. Gelet hierop heeft [geïntimeerde] in het onderhavige geval in redelijkheid mogen aannemen dat met de vragen werd gedoeld op klachten van een zekere ernst en heeft hij niet behoeven te begrijpen dat de eerder opgelopen wondjes aan zijn been relevant waren voor De Amersfoortse.

Het hof merkt hierbij ten overvloede nog op dat De Amersfoortse weliswaar suggereert dat [geïntimeerde] destijds mogelijk zijn werk verzuimd heeft ten gevolge van de (in het verleden opgelopen) wondjes, maar dit wordt door [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. De Amersfoortse heeft deze stelling niet voldoende specifiek te bewijzen aangeboden, zodat het hof ook daarom verder aan deze stelling voorbijgaat.

3.10.

Gelet op het voorgaande is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat [geïntimeerde] niet zijn mededelingsplicht heeft geschonden door niet aan De Amersfoortse te melden dat hij in 2008 en 2010 was behandeld door zijn huisarts en een chirurg in verband met de moeilijk genezende wondjes aan zijn onderbeen. De grieven falen in zoverre.

3.11.

Ter zake het beroep door de Amersfoorts op rechtsverwerking overweegt het hof het navolgende.

3.11.1.

Het hof is van oordeel dat de mededeling van [geïntimeerde] van 25 juni 2014, zoals hiervoor weergegeven in rov. 3.2 onder j, door De Amersfoortse mocht worden beschouwd als een schriftelijke opzegging van de verzekeringsovereenkomst. Uit de reactie blijkt dat [geïntimeerde] niet langer voor zijn risico op arbeidsongeschiktheid verzekerd wilde zijn bij de Amersfoortse en dat hij de door hem betaalde premie over de maanden mei en juni 2014 terug wilde ontvangen. In beginsel mag De Amersfoortse [geïntimeerde] aan deze opzegging houden.

3.11.2.

Ingevolge artikel 6:248 lid 2 BW is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

3.11.3.

[geïntimeerde] heeft over de door hem gedane opzegging van de verzekeringsovereenkomst gesteld dat hij ten tijde van de opzeggingsbrief van De Amersfoortse diep in de put zat, omdat hij nog maar net had vernomen dat hij leed aan een uiterst zeldzame aandoening waarover hij zich grote zorgen maakte vanwege de onzekere prognose. De afwijzing van de uitkering door de Amersfoortse heeft bij [geïntimeerde] tot frustratie, boosheid en gevoelens van onrechtvaardigheid geleid en bracht hem onmiddellijk in grote financiële problemen, aldus [geïntimeerde] , die verder stelt dat zijn opzegging noodgedwongen was en gebaseerd op het onjuiste standpunt van De Amersfoortse dat hij zijn mededelingsplicht had geschonden. [geïntimeerde] heeft direct na ontvangst, dat wil zeggen twee dagen na ontvangst van de opzeggingsbrief in deze emotionele toestand gereageerd, aldus nog steeds [geïntimeerde] .

3.11.4.

Gelet op deze stellingen van [geïntimeerde] , die waar het de feiten betreft door De Amersfoortse niet dan wel onvoldoende zijn weersproken, en gelet op het feit dat [geïntimeerde] relatief kort na de opzegging, te weten bij brief van 9 oktober 2014, heeft laten weten niet akkoord te zijn met opneming van de door De Amersfoortse voorgestelde uitsluitingsclausule, concludeert het hof dat [geïntimeerde] de consequenties van zijn opzegging op 25 juni 2014 niet heeft overzien. Naar het oordeel van het hof is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar indien de Amersfoortse [geïntimeerde] aan deze opzegging zou houden. Het hof heeft daarbij voorts gewicht toegekend aan de specifieke omstandigheden van dit geval, met name de omstandigheid dat De Amersfoortse ten onrechte kort daarvoor zich op het standpunt heeft gesteld dat zij uitkering op grond van de verzekering heeft geweigerd en dit aan [geïntimeerde] had meegedeeld.

Het enkele tijdsverloop is voor rechtsverwerking onvoldoende. De grieven falen in zoverre.

3.12.

Het vonnis waarvan beroep dient bekrachtigd te worden. Het bewijsaanbod van De Amersfoortse wordt gepasseerd, nu geen feiten te bewijzen aangeboden zijn die het hof, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden.

3.13.

De Amersfoortse is de in het ongelijk gestelde partij. Zij zal in de proceskosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

4.1.

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 december 2016;

4.2.

veroordeelt De Amersfoortse in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 314,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

4.3.

verklaart de veroordeling onder 4.2. uitvoerbaar bij voorraad;

4.4

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, W.J.J. Beurskens en J.M.W. Werker en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 maart 2017.

griffier rolraadsheer