Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1516

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
07-04-2017
Zaaknummer
200.179.499_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatige daad, causaliteit, kansberekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/211
AR 2017/1825
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.179.499/01

arrest van 28 maart 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. B. van Nieuwaal te Rotterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.C.M. Berbée-van Koningsbruggen te Terneuzen,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 augustus 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 15 oktober 2014 en van 3 juni 2015, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/286031/HAZA 14-583)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellante] ;

  • -

    de akte van depot;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] met één productie;

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen zijn op 5 augustus 2008 met elkaar gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende (kort gezegd): een uitsluiting van iedere goederengemeenschap met een periodiek verrekenbeding. [appellante] heeft de echtelijke woning op 3 december 2013 verlaten en is vervolgens een echtscheidingsprocedure gestart.

3.1.2.

Partijen zijn op 30 september 2010 gezamenlijk eigenaar (ieder voor de helft) geworden van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats 2] . De onroerende zaak betreft een perceel weiland met daarop gebouwd een schuur en een (aangebouwde) recreatiewoning (hierna te noemen: het perceel).

Het perceel had in het ter plaatse tot 24 april 2014 geldende bestemmingsplan de bestemming ”erf”.

Partijen hebben het perceel gekocht van de vader van [geïntimeerde] voor een bedrag van

€ 165.000,-. De aankoop is gefinancierd door middel van een schenking aan [geïntimeerde] ten bedrage van € 65.000,- en een lening van vader [geïntimeerde] aan beide partijen ten bedrage van € 100.000,-. Voor deze lening is door partijen hypothecaire zekerheid verschaft op het perceel. In de hypotheekakte d.d. 30 september 2010 is onder meer bepaald:

4. Verbodsbepalingen

Het onderpand mag zonder schriftelijke toestemming van de hypotheekhouder:

- niet van aard of bestemming, van inrichting of gedaante worden veranderd, tenzij krachtens machtiging als bedoeld in artikel 3:265 van het Burgerlijk Wetboek; (…)

3.1.3.

Partijen hebben, na de aankoop van het perceel, de daarop aanwezige recreatiewoning verhuurd aan vader [geïntimeerde] . De ouders van [geïntimeerde] gebruiken de recreatiewoning als “pied à terre” (productie 25 MvA).

3.1.4.

In of omstreeks het jaar 2000 was door vader [geïntimeerde] aan de heer [vertegenwoordiger Advies Groep Partner] van Advies Groep Partner te [vestigingsplaats] (hierna: [vertegenwoordiger Advies Groep Partner] ) de opdracht gegeven om de gemeente [gemeente] te benaderen teneinde de mogelijkheid van permanente bewoning op het perceel te onderzoeken.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente heeft vervolgens op 14 september 2004 besloten “...bereid te zijn medewerking te verlenen aan de realisatie van een woning op het perceel [adres] te [woonplaats 2] ” (productie 20 MvA). Deze bereidverklaring heeft geen vervolg gekregen.

3.1.5.

Nadat [appellante] en [geïntimeerde] in 2010 eigenaren van het perceel waren geworden, hebben zij [vertegenwoordiger Advies Groep Partner] opdracht gegeven opnieuw met de gemeente in overleg te treden omtrent de mogelijkheid van permanente bewoning op het perceel.

[vertegenwoordiger Advies Groep Partner] heeft vervolgens bij de gemeente een “Aanvraagformulier Principeverzoek” ingediend voor de bouw van een nieuwe woning op het perceel (productie 3 MvG).

In reactie op deze aanvraag bericht het college van Burgemeester en Wethouders bij brief van 26 oktober 2011 aan [vertegenwoordiger Advies Groep Partner] (productie 5 MvG):

Op 7 maart 2011 heeft u een principeverzoek ingediend voor het vervangen van een woning op het adres [adres] te [woonplaats 2] . Het college heeft uw verzoek op 25 oktober 2011 besproken. Via deze brief brengen wij u op de hoogte van het besluit en informeren wij u over een eventueel vervolg.

Besluit

Het college heeft in principe besloten medewerking te willen verlenen aan uw verzoek. Dit betekent dat u de mogelijkheid krijgt de haalbaarheid van uw plan aan te tonen. (…)

3.1.6.

Op 14 februari 2012 stuurt [vertegenwoordiger Advies Groep Partner] een e-mail aan de gemeente (met een kopie aan [appellante] en [geïntimeerde] ) met onder meer de volgende inhoud (productie 6 MvG):

Bij besluit van 26 oktober 2011 – RenM/20110279 – heeft het college van burgemeester en wethouders in principe besloten medewerking te verlenen aan ons verzoek tot vervanging van de woning [adres] te [woonplaats 2] .

(…)

Het is mogelijk om ons verzoek mee te nemen in de actualisatie van het vigerend bestemmingsplan [woonplaats 2] in plaats van de uitgebreide procedure middels een Omgevingsvergunning en separate ruimtelijke onderbouwing.

Wij kiezen zodoende voor aanhaken bij de actualisatie van het bestemmingsplan [woonplaats 2] .

(…)

Na vaststelling van het herziene bestemmingsplan zullen wij de nieuwbouw [adres] middels een Omgevingsvergunning binnen de alsdan geldende bestemming realiseren.

3.1.7.

Van 13 januari 2014 tot en met 24 februari 2014 heeft het ontwerpbestemmingsplan [woonplaats 2] ter inzage gelegen bij de gemeente. Het ontwerpbestemmingsplan met toelichting is als productie 8 bij memorie van grieven in het geding gebracht. In paragraaf 3.5 van de toelichting is met betrekking tot het onderhavige perceel vermeld:

De eigenaar van het perceel [adres] is voornemens de bestaande aangebouwde woning aan de schuur te slopen en te vervangen door een vrijstaande woning. Burgemeester en wethouders vinden dit een passende ontwikkeling en hebben hier stedenbouwkundige randvoorwaarden voor vastgesteld (…). Het ontbreekt echter nog aan een volwaardige ruimtelijke onderbouwing en de benodigde onderzoeken op gebied van milieu. Om deze reden is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan, waarin de voorwaarden voor de realisatie van een woning zijn vastgelegd. Belangrijke elementen hieruit zijn dat de bestaande woning moet worden afgebroken en de bestaande karakteristieke schuur behouden moet blijven. (…)

In het ontwerpbestemmingsplan kreeg het perceel de bestemming “wonen”, met als aanduiding “Wetgevingzone – wijzigingsgebied - 2”. Met betrekking tot die aanduiding was in het ontwerpbestemmingsplan, in artikel 13.7.3, het volgende bepaald:

Het bevoegd gezag kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3,6 Wro, de bestemming van de gronden met de aanduiding “Wetgevingzone – wijzigingsgebied- 2” wijzigen ten behoeve van de bouw van één vrijstaande woning, met in achtneming van het volgende:

a de voorgevel van de woning moet georiënteerd zijn op de [adres] ;

b de voorgevel van de woning wordt in de voorste grens van het bouwvlak gebouwd;

c de bestaande schuur met [huisnummer] wordt instandgehouden als bijgebouw bij de woning;

d de bestaande woning, welke is aangebouwd aan de schuur, wordt gesloopt

(…)

i aangetoond wordt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening, waarbij uit een ruimtelijke onderbouwing blijkt dat:

1 uit milieuoogpunt geen bezwaren bestaan voor realisering van de functiewijziging en de daarbij behorende gebouwen en bijbehorende inrichting van het terrein;

2 de te realiseren woning een in de omgeving passende architectonische uitstraling heeft;

3 het plan een landschappelijke en stedenbouwkundige meerwaarde voor het gebied heeft;

4 er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad;

5 het plan aantoo[n]baar financieel haalbaar is en dat dit is verzekerd;

6 aangetoond wordt dat er voldoende behoefte is aan de te realiseren woning.

3.1.8.

Tegen de in artikel 13.7.3 van het ontwerpbestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid zijn door een viertal omwonenden van het perceel bezwaren aangevoerd, die zijn neergelegd in hun zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Deze bezwaren zijn voor de gemeente geen aanleiding geweest het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. De bezwaren van de omwonenden en de reactie daarop van de gemeente zijn vastgelegd in een “notitie behandeling zienswijzen“ die als productie 9 bij memorie van grieven in het geding is gebracht.

3.1.9.

Op de dag van de raadsvergadering waarop het hier bedoelde bestemmingsplan is vastgesteld, 24 april 2014, schrijft [geïntimeerde] aan de gemeenteraad een brief met de volgende inhoud (productie 27 MvA):

Ik, [geïntimeerde] , wil bij deze aangeven dat ik de aanvraag voor de aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan met betrekking tot perceel [adres] wil annuleren. Zonder mijn mede weten heeft mijn echtgenote, met wie ik in een scheidingsprocedure zit, de aanvraag aangepast en voortgezet terwijl wij expliciet hadden afgesproken hier niet mee verder te gaan gezien de huwelijkssituatie. Ik kwam er via gesprekken met de buren achter dat zij de aanvraag toch door hebben gezet en enkele weken geleden op het perceel metingen hebben verricht, zonder mijn medeweten. Ik wil de aanvraag per direct stopzetten en verzoek de vergadering hierover die vanavond blijkt te zijn te annuleren.

De gemeenteraad heeft in reactie hierop de wijzigingsbevoegdheid, vastgelegd in artikel 13.7.3 van het ontwerpplan geschrapt en het nieuwe bestemmingsplan aldus vastgesteld.

In een addendum op pagina 7 van de voormelde notitie behandeling zienswijzen is deze gang van zaken als volgt beschreven:

Op de dag van de gemeenteraadsvergadering heeft de eigenaar van het perceel [adres] de gemeenteraad schriftelijk verzocht om de wijzigingsbevoegdheid voor het realiseren van een nieuwe woning op perceel [adres] alsnog niet op te nemen. De gemeenteraad heeft dit verzoek bij de besluitvorming ingewilligd. Het bestemmingsplan is gewijzigd vastgesteld, in die zin dat de beschrijving van het bouwplan [adres] , de wijzigingsbevoegdheid en de aanduiding “Wetgevingszone – wijzigingsgebied – 2” respectievelijk uit de toelichting, de regels en de verbeelding zijn verwijderd. (…)

3.1.10.

De consequentie van het voorgaande is dat de situatie met betrekking tot het perceel in het nieuwe bestemmingsplan ongewijzigd is gebleven: permanente bewoning in de bestaande bebouwing is niet toegestaan en nieuwbouw van een woning voor permanente bewoning is niet mogelijk.

3.2.

[appellante] stelt dat de brief van [geïntimeerde] van 24 april 2014 waarin hij de aanvraag intrekt die permanente bewoning op het perceel mogelijk had moeten maken, geheel buiten haar om en zonder haar instemming door [geïntimeerde] is geschreven. Zij stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde] hiermee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat zij door dit handelen schade heeft geleden, bestaande in het verlies van de helft van het verschil tussen enerzijds de waarde die het perceel nu heeft en anderzijds de waarde die het perceel gehad zou hebben indien het bestemmingsplan zou zijn vastgesteld conform het ontwerpplan. In eerste aanleg heeft zij de helft van het waardeverschil begroot op € 125.000,-. Zij vorderde in eerste aanleg de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van dat bedrag, vermeerderd met een bedrag van € 1.500,- aan beslagkosten.

3.3.

De rechtbank heeft bij eindvonnis waarvan beroep de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

De rechtbank heeft de afwijzing van de vordering van [appellante] gebaseerd op de overwegingen (samengevat) dat [appellante] het door haar gestelde causale verband tussen het handelen van [geïntimeerde] en de beweerdelijk geleden schade onvoldoende heeft onderbouwd, dit gelet op het feit dat een in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid nog niet betekent dat automatisch een woonbestemming en een omgevingsvergunning kunnen worden verkregen; daarvoor is medewerking van de gemeente nodig en de uitkomst van eventuele administratiefrechtelijke procedures is onzeker. De rechtbank heeft daarbij mede betrokken dat, gelet op de inhoud van de hypotheekakte, voor een eventuele bebouwing nodig is dat vader [geïntimeerde] schriftelijke toestemming geeft, die daartoe niet bereid is. De rechtbank overwoog verder dat, nu geenszins vaststaat dat opname van een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan zou hebben geleid tot bestemmingswijziging en het verkrijgen van een omgevingsvergunning, evenmin vaststaat dat de opname van een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan tot waardevermeerdering van het perceel zou hebben geleid.

De rechtbank heeft ten overvloede overwogen dat ook de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd.

3.4.

[appellante] kan zich niet verenigen met het eindvonnis van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld. Zij heeft 8 grieven dat vonnis aangevoerd.

Het hoger beroep tegen het comparitievonnis na antwoord van 15 oktober 2014 dient niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat op grond van artikel 131 Rv daartegen geen hogere voorziening open staat.

[appellante] heeft in hoger beroep haar eis verminderd: zij begroot thans – op basis van door haar in het geding gebrachte taxatierapporten - de helft van het verschil tussen enerzijds de waarde die het perceel nu heeft en anderzijds de waarde die het perceel gehad zou hebben indien het bestemmingsplan zou zijn vastgesteld conform het ontwerpplan op een bedrag van

€ 120.000,-, te vermeerderen met de beslagkosten ad € 1.500,-, zodat haar vordering in hoger beroep € 121.500,- bedraagt, te vermeerderen met wettelijke rente zoals vermeld in het petitum van haar memorie van grieven.

3.5.

[appellante] heeft in haar akte in hoger beroep aangevoerd dat zij niet in de gelegenheid is geweest te reageren op de producties die door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord in het geding zijn gebracht. Tevens heeft zij bij brief aan het hof laten weten dat zij evenmin heeft kunnen reageren op de productie die door [geïntimeerde] in zijn antwoordakte in hoger beroep in het geding is gebracht.

Het hof stelt [appellante] in de gelegenheid om desgewenst alsnog op deze stukken te reageren. Zij kan dit doen bij memorie na het hierna te bepalen deskundigenonderzoek.

3.6.

De grieven 1 tot en met 4 van [appellante] hebben betrekking op enkele door de rechtbank vastgestelde feiten. Die grieven zijn in zoverre niet relevant dat het hof ten behoeve van de beoordeling in hoger beroep de tussen partijen vaststaande feiten onder 3.1 opnieuw heeft vastgesteld. Voor zover partijen van mening verschillen over feiten of omstandigheden die voor de beoordeling van het geschil in hoger beroep van belang zijn, zal het hof daarop ingaan in de hierna volgende overwegingen.

3.7.

De grieven 5 tot en met 8 hebben betrekking op de kern van het geschil tussen partijen, namelijk de vraag of [appellante] jegens [geïntimeerde] aanspraak kan maken op schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.8.

De rechtbank is er bij de overwegingen die hebben geleid tot afwijzing van de vordering van [appellante] impliciet van uit gegaan dat [geïntimeerde] jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld, zoals door [appellante] was gesteld.

[geïntimeerde] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld.

Het hof zal dit onderdeel van het geschil tussen partijen eerst beoordelen.

3.9.

Naar het oordeel van het hof moet de intrekking door [geïntimeerde] - zonder medeweten en instemming van [appellante] - van het verzoek aan de gemeente om de mogelijkheid van permanente bewoning op het perceel te realiseren als onrechtmatig jegens [appellante] worden aangemerkt. Partijen waren (en zijn) gemeenschappelijk eigenaar van het perceel en zij hadden gezamenlijk opdracht aan [vertegenwoordiger Advies Groep Partner] gegeven om bij de gemeente te bewerkstelligen dat permanente bewoning op het perceel mogelijk zou worden gemaakt. Niet alleen hadden zij kennelijk realisering van permanente bewoning op het perceel voor ogen, maar bovendien levert een dergelijke bestemmingswijziging in het algemeen een aanmerkelijke waardevermeerdering van een perceel op.

3.10.

Ingevolge het bepaalde in artikel 3:170 BW was voor de intrekking van het verzoek aan de gemeente de medewerking van [appellante] als mede-eigenaar nodig. Die intrekking kan immers niet worden aangemerkt als een handeling “dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van gemeenschappelijk goed” als bedoeld in het eerste lid van artikel 3:170 BW. Evenmin is gesteld of gebleken dat er voor [geïntimeerde] redelijkerwijs geen mogelijkheid was om voorafgaand aan het schrijven van de intrekkingsbrief op 24 april 2014, met [appellante] overleg te voeren.

3.11.

Hierbij komt dat de rechtsbetrekkingen tussen [appellante] en [geïntimeerde] als deelgenoten in het gemeenschappelijke perceel ingevolge artikel 3:166 lid 3 BW mede worden beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Deze eisen brengen mee dat [geïntimeerde] rekening had moeten houden met de gerechtvaardigde belangen van [appellante] met betrekking tot het onderhavige perceel. Ook op dit punt is hij tekort geschoten. Immers: als gevolg van het handelen van [geïntimeerde] is het realiseren van permanente bewoning op grond van het huidige bestemmingsplan niet mogelijk en is [appellante] haar aandeel in de waardevermeerdering die het perceel in het nieuwe bestemmingsplan zou zijn ondergaan, misgelopen.

3.12.

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij niet in strijd met artikel 3:170 BW heeft gehandeld aangezien hij de brief slechts op eigen naam heeft geschreven en niet mede namens [appellante] .

Dit verweer kan hem niet baten. Ook al zou juist zijn dat hij de brief aan de gemeenteraad heeft geschreven in zijn hoedanigheid van eigenaar van de onverdeelde helft van het perceel, dan nog heeft te gelden dat hij met zijn brief beoogde dat de mogelijkheid om op het perceel permanente bewoning te realiseren zou worden geschrapt, in welke opzet hij is geslaagd.

3.13.

Subsidiair heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat er rechtvaardigingsgronden waren voor de intrekkingsbrief op 24 april 2014. Hij stelt dat hij, in verband met de lopende echtscheiding en bij gebrek aan geld, de aanvraag bij de gemeente niet wilde doorzetten, maar dat [appellante] , samen met [vertegenwoordiger Advies Groep Partner] , buiten hem om verder zijn gegaan met de aanvraag bij de gemeente.

Ook dit verweer kan [geïntimeerde] niet baten. Niet alleen heeft [appellante] zijn stelling gemotiveerd weersproken, maar bovendien biedt de stelling, indien al juist, geen rechtvaardiging voor het handelen van [geïntimeerde] . Immers: de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van het perceel biedt de eigenaar (of de eigenaren) slechts de mogelijkheid om permanente bewoning op het perceel te realiseren; van een verplichting daartoe is geen sprake. In dit opzicht had [geïntimeerde] bij de intrekking geen redelijk belang. Mogelijk was het belang van [geïntimeerde] gelegen – zoals [appellante] stelt – in het feit dat hij het perceel na de echtscheiding toebedeeld wenst te krijgen en de hogere waarde als gevolg van de bestemmingswijziging niet zou kunnen financieren, maar zelf ontkent [geïntimeerde] dat die omstandigheid voor hem een rol heeft gespeeld.

3.14.

Voor zover [appellante] in hoger beroep opkomt tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen causaal verband bestaat tussen het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] en de door [appellante] gestelde schade, aangezien niet vaststaat dat door opname van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan daadwerkelijk een woning voor permanente bewoning gerealiseerd zou kunnen worden, zijn haar grieven terecht aangevoerd. Zoals [appellante] heeft aangevoerd bestaat haar schade uit de helft van de gemiste waardestijging van het perceel die zou zijn ontstaan doordat het nieuwe bestemmingsplan de mogelijkheid zou gaan bieden een woning voor permanente bewoning te realiseren. De omstandigheid dat niet zeker is of, zonder het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] , uiteindelijk een woning voor permanente bewoning op het perceel gebouwd had kunnen worden, dient tot uitdrukking te komen in de bepaling van de grootte van die kans, derhalve in de schadeberekening (vergelijk HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683).

3.15.

De factoren die in de onderhavige zaak bij de hiervoor bedoelde kansberekening een rol spelen zijn:

- de zwaarte van de eisen die (gemeten naar objectieve maatstaven) aan toepassing van de

wijzigingsbevoegdheid zouden zijn gesteld. Deze eisen zijn geformuleerd in artikel 13.7.3

van het ontwerpbestemmingsplan (hiervoor grotendeels weergegeven onder 3.1.7);

- de mogelijkheid voor omwonenden om bezwaar te maken tegen gebruikmaking van de

wijzigingsbevoegdheid en een eventuele vergunningverlening. Van belang in dit verband is

dat de bezwaren van omwonenden tegen het ontwerpbestemmingsplan (voor zover

betrekking hebbend op het perceel) door de gemeente zijn gepasseerd en dat het beroep dat

door één van de omwonenden was ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de

Raad van State ongegrond is verklaard;

- de recreatiewoning op het perceel is door partijen verhuurd aan vader [geïntimeerde] . Het hof

merkt hierbij op dat uit de stukken van het geding blijkt (onder meer uit de bijlagen 5 en 6

bij de stukken die door de advocaat van [appellante] zijn toegezonden aan de comparitierechter in

eerste aanleg) dat permanente bewoning van de recreatiewoning niet is toegestaan en dat

het om die reden onzeker is of aan vader [geïntimeerde] huurbescherming toekomt in de zin van

de artikelen 7:271 e.v. BW;

- de bepaling in de hypotheekakte van 30 september 2010 dat het onderpand (het perceel met

de huidige bebouwing) zonder schriftelijke toestemming van de hypotheekhouder (vader

[geïntimeerde] ) niet van aard of bestemming, van inrichting of gedaante mag worden

veranderd. Uit de overgelegde stukken (met name de verklaring van vader [geïntimeerde] ,

productie 25 MvA) valt af te leiden dat vader [geïntimeerde] geen toestemming zou hebben

gegeven voor de bouw van een nieuwe woning op het perceel. Het hof merkt hierbij op dat

deze beperking slechts geldt zolang de hypothecaire lening loopt en vervalt (bijvoorbeeld)

bij verkoop van het perceel met gelijktijdige aflossing van de hypothecaire lening.

3.16.

Zoals overwogen zijn voormelde factoren van invloed op de schadeberekening.

[appellante] heeft taxatierapporten overgelegd die de basis vormen voor de door haar gemaakte schadeberekening, maar bij die taxaties is geen, of in ieder geval onvoldoende rekening gehouden met de factoren die in de vorige rechtsoverweging zijn genoemd. Om die reden zal het hof een deskundigenbericht gelasten ter beantwoording van de vraag wat de omvang is van de door [appellante] geleden schade.

Vooralsnog is het hof van oordeel dat die schade moet worden berekend door vergelijking van de huidige waarde van het perceel met de waarde die het perceel zou hebben gehad indien het ter plaatse geldende bestemmingsplan zou zijn vastgesteld conform het ontwerpbestemmingsplan zoals in het voorgaande is aangegeven, rekening houdend met de factoren die in de vorige rechtsoverweging zijn genoemd.

Partijen zullen echter in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte, respectievelijk antwoordakte uit te laten over de vraagstelling aan de deskundige(n), alsmede over het aantal en de persoon respectievelijk personen van de deskundige(n).

Het hof ziet aanleiding om de kosten van het deskundigenonderzoek vooralsnog ten laste van beide partijen, ieder voor de helft, te brengen.

Mogelijk kunnen die kosten worden beperkt indien gebruik gemaakt kan worden van de taxatie die in opdracht van de rechtbank is verricht in het kader van de financiële afwikkeling van de echtscheiding van partijen. Ook hierover kunnen partijen zich uitlaten.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 11 april 2017 voor akte aan de zijde van [appellante] met het hiervoor onder 3.16 omschreven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.J. Verhoeven en A.J. Henzen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 maart 2017.

griffier rolraadsheer