Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1484

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
200.168.227_01 en 200.168.229_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling.

Verrekening.

Samenleving.

Huwelijksvermogensrecht. Omzetting samenlevingsovereenkomst in huwelijk. Uitleg samenlevingsovereenkomst en huwelijkse voorwaarden. Voorhuwelijkse pensioenaanspraken. Pensioenverevening. Buitenlandse pensioenen. Pensioen in eigen beheer. Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps). Afwikkeling huwelijkse voorwaarden: peildatum; ontbindingsvergoeding; werknemersparticipaties; aandelen(opties); “opgepotte winst” (art. 1:141 lid 4 BW).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/105
EB 2017/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 6 april 2017

Zaaknummer: 200.168.227/01 (alimentatie)

200.168.229/01 (pensioen en huwelijkse voorwaarden)

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/255470 FA RK 12-4973

C/02/262257 FA RK 13-1854

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.J.W.M. Sliepenbeek,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , België,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.L.M. Louwen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 14 januari 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het hof stelt voor alles vast dat de vrouw haar grieven I tot en met III (die zien op de kinder- en partneralimentatie) heeft ingetrokken (verweerschrift in incidenteel appel tevens houdende intrekking van de grieven hoger beroep, pt. 1). De man heeft zijn grieven A en B, ter zake van de alimentatie ingetrokken (brief van de advocaat van de man van 25 april 2016). De alimentatie is hiermee niet langer voorwerp van geschil. In de procedure met zaaknummer 200.168.227/01 (die ziet op de alimentatie) zal het hof daarom zowel de vrouw als de man niet-ontvankelijk verklaren.

Hieronder is dan nog slechts aan de orde de procedure met zaaknummer 200.168.229/01 (die ziet op, samengevat, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verevening van pensioen).

2.2.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 april 2015, heeft de vrouw acht grieven geformuleerd (grieven IV tot en met XI) en verzocht:

- voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de onderdelen waartegen zij grieven heeft gericht, en

- opnieuw rechtdoende, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen om:

“de pensioenaanspraken van partijen af te wikkelen op basis van het memo van drs. [adviseur] d.d. 8 mei 2014 (productie 121 van de zijde van de vrouw) en voor zover er volgens drs. [adviseur] nog informatie ontbreekt deze binnen één maand na de door [het] gerechtshof af te geven (tussen)beschikking aan te leveren.

uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan de vrouw te betalen van [sic!] een bedrag van € 433.495,=, te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf 22 oktober 2012 tot de dag van de algehele voldoending [voldoening, hof].”

In de inleiding van het beroepschrift, sub 2, staat dat het procesdossier in eerste aanleg wordt overgelegd (als productie 1 bij het beroepschrift) en dat het dan gaat om de volgende stukken:

“• verzoekschrift namens de vrouw met bijlagen d.d. 22 oktober 2012

• verweerschrift tevens houdend zelfstandig verzoek namens de man met bijlagen d.d. 19 februari 2013

• verweerschrift op het zelfstandig verzoek namens de vrouw d.d. 16 april 2013

• brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen d.d. 14 mei 2013

• reactie van de man d.d. 9 juli 2013 op de modelstaat verdelen en verrekenen’ van de vrouw

• brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen d.d. 16 mei 2014

• brief van de advocaat van de man met bijlagen d.d. 19 mei 2014

• brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen d.d. 24 september 2014

• brief van de advocaat van de man met bijlagen d.d. 25 september2014

• brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen d.d. 7 oktober 2014

• beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 14 januari 2015.”

Het dossier is, in strijd met art. 1.1.10 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, niet deugdelijk voorzien van tabs ter onderscheiding van de afzonderlijke processtukken. Enkele processtukken worden wel voorafgegaan door tabs. Het betreft dan de tabbladen 2 tot en met 6 (achter de tabbladen 7 tot en met 10 bevinden zich geen processtukken), maar een inventarislijst daarvan ontbreekt. Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de vrouw hierover het volgende verklaard: “Als wij in vijfvoud met tabbladen moeten doen, zijn wij op kantoor dagen bezig.”

Achter het verweerschrift op het zelfstandig verzoek namens de vrouw d.d. 16 april 2013 bevindt zich een “productielijst”, met een opgave van de producties genummerd 55 tot en met 77, terwijl het verweerschrift zelf ook nog verwijst naar de producties 78 tot en met 85 (maar die zijn niet opgenomen op de “productielijst”). Wél bevindt zich direct achter de “productielijst” een tweede “productielijst”, met een opgaaf van de producties 86 tot en met 152, waaraan handgeschreven nog zijn toegevoegd, de producties 153 en 154. De producties die op de tweede productielijst staan, zijn – dáár in het dossier – echter niet opgenomen.

Achter productie 85 zou dan de “brief van de advocaat van de vrouw met bijlagen d.d. 14 mei 2013” (zie de vierde bullet hiervóór) moeten zijn opgenomen, maar die brief ontbreekt. Ter zitting heeft de advocaat van de vrouw verklaard dat de vierde bullet onjuist is, en als geschrapt moet worden beschouwd.

De “brief van de advocaat van de man met bijlagen d.d. 19 mei 2014” (zevende bullet) is niet van 19 mei, maar van 16 mei 2014.

2.3.

Bij verweerschrift tevens (voorwaardelijk) incidenteel appel (met producties), ingekomen ter griffie op 11 juni 2015, heeft de man drie grieven geformuleerd.

De man heeft daarbij verzocht:

- de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de onderdelen waartegen hij grieven heeft gericht, en

- voorts:

“Bij tussenbeschikking:

A. Te bepalen dat de vrouw binnen vier weken na afgifte van de beschikking de volgende stukken in het geding brengt:

• haar volledige jaarstukken met toelichting over de jaren 2012/2013, 2103 [hof: 2013]/2014 en 2014/2015;

• een door een onafhankelijke accountant opgestelde tussentijdse balans en winst- en verliesrekening over de perioden 1juli 201 [sic!] – 1 januari 2012 met uitgebreide toelichting waarin in ieder geval voldoende antwoord wordt gegeven op de vragen als geformuleerd in punt 56 [van het verweerschrift].

B. De man de gelegenheid te geven binnen vier weken na ontvangst van de stukken

schriftelijk op deze stukken te reageren.

Bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. (…)

B. de verzoeken van de vrouw af te wijzen;

C. de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden te bepalen conform het afrekenoverzicht van de man (Bijlage 18);

D. de vrouw te veroordelen binnen een maand na de te wijzen beschikking de pensioenbrieven van [Beheer] Beheer B.V. met de vrouw over de huwelijkse periode tot het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand [sic!] alsmede een afdoende berekening van de aanspraken die zij in die periode op basis van de brieven heeft opgebouwd [sic!], een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat de vrouw daarmee in gebreke blijft.”

2.4.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 5 augustus 2015 heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn grieven dan wel deze te verwerpen.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Bij die gelegenheid zijn partijen, bijgestaan door hun advocaten, gehoord.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de advocaat van de man van 25 april 2016 (binnengekomen op 29 april 2016), met de producties 17 tot en met 29.

De man heeft daarbij uitgelegd dat punt 41 van zijn verweerschrift moet worden aangemerkt als grief D.

De eerste productie bij de brief is productie 17, terwijl de laatste productie in het verweerschrift ook al productie 17 was; daarnaar gevraagd, heeft de advocaat van de man verklaard dat de tweede productie 17 aangemerkt moet worden als prod. 17a.

- de brief van de advocaat van de vrouw van 29 april 2016 (binnengekomen op 2 mei 2016), met de producties 12 tot en met 19.

3 De beoordeling

Inzichtelijkheid en volledigheid procesdossier

Het hof stelt voor alles vast dat het zich geconfronteerd ziet met een onoverzichtelijk en deels ook onvolledig procesdossier (zie reeds rov. 2.2 hiervóór). Mede daardoor zal het hof ook thans nog geen einduitspraak kunnen doen (waarover nader de beoordeling hieronder van grief V in principaal appel). De enkele verklaring van de advocaat van de vrouw dat als het dossier moet worden aangeleverd met tabs “wij dagen op kantoor [bezig] zijn”, rechtvaardigt geen afwijking van art. 1.1.10 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven. Het aanleveren mét tabs, juist ook in een omvangrijk dossier als het onderhavige, dat naar schatting meer dan 2.000 pagina’s omvat, behoort tot de werkzaamheden van de advocaat.

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

  1. partijen zijn op 28 december 2006 in de gemeente Breda met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden;

  2. de huwelijkse voorwaarden bevatten een periodieke verrekenplicht waaraan niet is voldaan;

  3. partijen hebben de Nederlandse nationaliteit;

  4. op 22 oktober 2012 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding ingediend;

  5. bij de bestreden beschikking (van 14 januari 2015) is daarop de echtscheiding uitgesproken;

  6. de echtscheidingsbeschikking is op 1 mei 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen gelast, overeenkomstig het bepaalde in de rov. 3.75 tot en met 3.91 van die beschikking.

Over “de pensioenvoorzieningen” van partijen heeft de rechtbank beslist in rov. 3.71 (die beslissing heeft de rechtbank echter niet opgenomen in het dictum).

3.3.

De grieven van partijen betreffen:

- de pensioenvoorzieningen van partijen (grief IV van de vrouw);

- het Deferred Compensation Plan (grief V van de vrouw);

- de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, uitgesplitst als volgt:

- peildatum (grief VI van de vrouw);

- ontbindingsvergoeding Westpharma (grief VII van de vrouw; grief C van de man);

- vordering op Duitse fiscus van € 163.000,- (grief VIII van de vrouw; grief D van de man, waarover rov. 2.6 hiervóór);

- overzicht [adviseur 2] : werknemersparticipaties, aandelen, opties (grief IX van de vrouw);

- diverse verrekenposten (grief X van de vrouw);

- wettelijke rente (grief XI van de vrouw);

- niet-uitgekeerde winst [Beheer] Beheer BV (grief E van de man).

Alvorens de grieven te bespreken, zal het hof ingaan op de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De man woonde ten tijde van het verzoek tot echtscheiding in [woonplaats] , maar woont thans in België. Daarmee heeft de zaak internationale aspecten die nopen tot beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en of Nederlands recht van toepassing is.

Rechtsmacht

Art. 4 lid 3 Rv houdt in dat rechtsmacht in de echtscheidingszaak rechtsmacht met betrekking tot de daarmee verband houdende nevenvoorzieningen (hier, samengevat: de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verevening van pensioen) meebrengt. Van rechtsmacht in de echtscheidingszaak is hier sprake (art. 3 Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II-bis) en het perpetuatio fori-beginsel).

Toepasselijk recht

De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, LJN BV6684) ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

De pensioenvoorzieningen van partijen (grief IV in principaal appel)

3.4.

Deze grief keert zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 3.71. Daarin heeft de rechtbank onder het kopje “De pensioenvoorzieningen van partijen”:

- het verzoek van de vrouw de man te veroordelen mee te werken aan “verrekening” van de pensioenvoorzieningen op de door mevrouw [adviseur] geadviseerde wijze afgewezen;

- partijen veroordeeld om, voor zover nog nodig, elkaar over en weer inzage in hun pensioenvoorzieningen te geven, waarbij de rechtbank de volgende toelichting heeft gegeven: “Partijen zijn het erover eens dat dit dient te gebeuren, waardoor er naar het oordeel van de rechtbank geen noodzaak is tot het opleggen van een dwangsom hiertoe. Op grond van artikel 12 van de huwelijkse voorwaarden en uit de wet volgt dit steeds voor wat betreft de Nederlandse pensioenen waardoor er geen belang is bij toewijzing van dit verzoek. Bovendien is de rechtbank niet gebleken van buitenlandse, voor verevening vatbare pensioenen.”

Ter toelichting op haar grief voert de vrouw voert het volgende aan.

( i) Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat haar niet is gebleken van buitenlandse pensioenen die voor verevening vatbaar zijn.

(ii) De “afwikkeling van de pensioenen” dient alsnog plaats te vinden op basis van het memo d.d. 8 mei 2014 van mw. [adviseur] (prod. 121 van de vrouw, zoals geactualiseerd bij brief van mw. [adviseur] d.d. 15 juli 2015, prod. 13 in hb van de vrouw). De man dient de daarvoor benodigde informatie aan te leveren.

(iii) De samenlevingsovereenkomst van partijen (prod. 61 van de vrouw) bepaalt voorts dat ook de tijdens de periode van samenleving opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen onder de werking van de Wvps vallen “en voor zover het buitenlandse pensioenen betreft, verrekend moeten worden”.

Tijdens de periode van notariële samenleving en van het huwelijk werkte de man voor twee verschillende buitenlandse werkgevers: WPS Duitsland en Teva België. De man nam bij beide werkgevers deel aan oudedag-regelingen. De pensioenaanspraken waarop de vrouw recht heeft, betreffen uitsluitend de buitenlandse pensioenen van de man. Het gaat om de vraag vanaf welke datum de pensioenaanspraken moeten worden verevend en, of de regelingen bij de (voormalig) werkgevers van de man, te weten het WPS-deferred compensation plan, het Grundkonto (prod. 14 vrouw in hb) en de Teva-Allianz-regeling onder de werking van de Wet verevening pensioenrechten vallen (brief 29 april 2016, p. 1).

3.5.

De man voert hiertegen het volgende aan.

Ad (i) en (ii) Er moet verevend worden conform de Wet verevening pensioenrechten. Dááraan zal de man meewerken, niet aan het voorstel van mw. [adviseur] . Een overzicht van de door de man opgebouwde pensioenen is opgenomen in het memo van [adviseur 2] (prod. 101 van de man). Daarmee heeft de vrouw alle informatie die zij nodig heeft voor het indienen van het mededelingsformulier om een zelfstandig recht jegens het uitvoeringsorgaan te verkrijgen (of te zijner tijd, na pensionering van de man, hem te kunnen aanspreken). Het is de man niet duidelijk welke informatie nog zou ontbreken.

Ad (iii) De samenlevingsovereenkomst is door het huwelijk van partijen geëindigd (art. 16 lid d van de overeenkomst). In hun huwelijkse voorwaarden hebben zij er niet voor gekozen pensioenverevening over de vóórhuwelijkse periode te laten plaatsvinden. Die aanspraak hebben zij blijkbaar laten vervallen. Thans geldt art. 12 van de huwelijkse voorwaarden: standaardverevening conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding

Uit het memo d.d. 8 mei 2014 van mw. [adviseur] blijkt dat de vrouw pensioen heeft opgebouwd. De man wil de pensioenbrieven die zien op dat pensioen ontvangen alsmede een berekening van de “maximaal beschikbare premie” in “Mr. [Beheer] Beheer B.V.” De man overweegt namelijk de vrouw te verzoeken om afstorting. Voor zover het hof van oordeel is dat ook over de voorhuwelijkse periode zou moeten worden verevend, dient de vrouw ook een berekening over die periode in het geding te brengen. De man verzoekt daarom zoals weergegeven in rov. 2.3 sub D, hiervóór.

De vrouw heeft verklaard dat de pensioenaanspraak waar de man recht op heeft (uitsluitend) het Nederlandse pensioen in haar pensioen-b.v. betreft (brief vrouw d.d. 29 april 2016, p. 1). Uit het afrekenoverzicht (prod. 14 bij de zojuist genoemde brief), blijkt dat de vrouw, met de man, ervan uitgaat dat dit pensioen ook over de voorhuwelijkse periode moet worden verevend.

3.6.

Het hof oordeelt als volgt.

Met haar grief stelt de vrouw de verevening van de pensioenen van partijen aan de orde. Zij verzoekt het hof:

  • -

    vast te stellen welke buitenlandse pensioenen voor verevening vatbaar zijn en of daarbij ook verevend moet worden over de voorhuwelijkse periode;

  • -

    veroordeling van de man mee te werken aan die verevening, zo mogelijk volgens het voorstel van mw. [adviseur] .

(Zie inl. vz, pt. 21 en sub X; beroepschrift, pt. 14 en 16 en petitum pt. C, en het verhandelde ter zitting.) Zó heeft de man, blijkens zijn verweerschrift en het verhandelde ter zitting, de grief en het petitum van de vrouw ook opgevat.

De man vordert: inzage in de pensioenbrieven, en een pensioenberekening.

Het hof zal eerst de vordering van de man om inzage en een pensioenberekening beoordelen, en daarna de grieven van de vrouw.

Inzage in en berekening van het pensioen in eigen beheer (Mr. [Beheer] Beheer B.V [Beheer] BV)

Tussen partijen is niet in geschil dat het pensioen in Mr. [Beheer] Beheer B.V. (althans de pensioen-BV van de vrouw) verevend moet worden, ook voor zover dit is opgebouwd tijdens de duur van de samenwoning. De vordering van de man de vrouw te veroordelen de pensioenbrieven over die periode over te leggen, zal daarom worden toegewezen (zie art. 9 Wvps, art. 15 van de samenlevingsovereenkomst en hetgeen daarover hiervóór werd overwogen).

Overigens zullen de verzoeken van de man worden afgewezen. De door de man verzochte berekening behoeft de vrouw niet te maken, aangezien zij al een berekening van haar in eigen beheer opgebouwde pensioen heeft overgelegd als onderdeel van het voorstel van mw. [adviseur] (brief van 29 april 2016, prod. 13). Voor een dwangsom bestaat geen reden, nu partijen het eens zijn over de verevening van het pensioen in eigen beheer en de man niets heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de vrouw haar verplichting de pensioenbrieven over te leggen niet zal nakomen.

Voorstel mw. [adviseur] (onderdeel (ii) van de grief)

Het voorstel van mw. [adviseur] van 8 mei 2014 (prod. 121), dat neerkomt op een netto-vermogensverrekening, gaat uit van twee voorwaarden. Ten eerste dat partijen over en weer afzien van eventuele rechten op bijzonder nabestaandenpensioen en ten tweede dat partijen de Wet verevening pensioenrechten niet van toepassing verklaren. De man heeft met deze voorwaarden echter niet ingestemd. Het hof ziet voorts geen grond de man te verplichten in te stemmen met deze voorwaarden. In zoverre faalt daarom de grief.

Hetzelfde geldt voor het voorstel van mw. [adviseur] van 15 juli 2015 (prod. 13 in hb, van de vrouw). Ook dat gaat ervan uit dat de man afstand zal doen van zijn bijzonder nabestaandenpensioen, hij diverse ouderdomspensioenen zal converteren en er nog een verrekenafspraak moet worden gemaakt (p. 3), en ook hiermee heeft de man niet ingestemd en is niet gebleken van een grond de man daartoe te verplichten. Nu de grief in zoverre faalt, heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek om informatie die volgens mw. [adviseur] nog ontbreekt. Uit het memo (prod. 121) of het voorstel (prod. 13 in hb van de vrouw) valt overigens niet op te maken welke informatie er volgens mw. [adviseur] nog zou ontbreken (die de man vervolgens zou moeten aanleveren). De slotsom is dat de grief op dit onderdeel (ii) faalt.

Voorhuwelijkse pensioenaanspraken (onderdeel (iii) van de grief)

Partijen hebben op 1 februari 2006 een “samenlevingscontract” gesloten (prod. 61 van de vrouw). Deze overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 15

(…)

2. Ten aanzien van de tijdens de duur van de samenwoning opgebouwde pensioenrechten voor ouderdomspensioen zal bij het beëindigen van de samenwoning anders dan door overlijden een verevening plaats hebben overeenkomstig de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding.

Duur

Artikel 16

Deze overeenkomst eindigt:

(…)

d. door huwelijk van partijen (…)

behoudens voorzover zulks uit de aard van de verplichtingen in deze overeenkomst anders voortvloeit."

De man doet voor zijn betoog dat het recht op verevening van voorhuwelijkse pensioenrechten “blijkbaar” is komen te vervallen een beroep op art. 12 van de huwelijkse voorwaarden, dat luidt als volgt:

“[1] In geval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding (…) en voorzover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de echtscheiding (…) pensioenrechten heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot recht op pensioenverevening overeenkomstig de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding”(…).”

Waar het dan op aankomt is de uitleg van de samenlevingsovereenkomst en de huwelijkse voorwaarden.

In het Haviltex-arrest (13 maart 1981, NJ 1981, 635), heeft de Hoge Raad de voor uitleg van overeenkomsten aan te leggen maatstaf als volgt geformuleerd:

“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.”

Zie aldus ook HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3303, rov. 3.3.3. Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493). Voor de uitleg van huwelijkse voorwaarden geldt (nog) het volgende:

“(…) volgens vaste rechtspraak [dient] de uitleg van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden (…) te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Hierbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijze aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en aan hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Te denken valt aan de bewoordingen en context van de bepaling, de totstandkomingsgeschiedenis, aard en uitvoering van de overeenkomst, alsmede de hoedanigheid en deskundigheid van partijen. De Haviltex-maatstaf brengt mee dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die de bewoordingen waarin deze bepalingen zijn gesteld, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang. Bij toepassing van de Haviltex-maatstaf bij de uitleg van huwelijkse voorwaarden komt mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft meegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen daarin volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. De uitleg wordt derhalve uiteindelijk bepaald door de omstandigheden van het geval. De rechter is niet verplicht bij zijn uitleg andere dan de door partijen over en weer naar voren gebrachte gezichtspunten in zijn overwegingen te betrekken.” (Conclusie van AG Rank-Berenschot voor HR 25 februari 2011, LJN: BO7277, pt. 2.4 (voetnoten weggelaten).)

In het licht van deze maatstaven stelt het hof voorop dat de man heeft nagelaten uit te leggen waarom bij de omzetting van een samenlevingsovereenkomst in een huwelijk partijen afstand zouden doen van op grond van die overeenkomst verkregen vereveningsaanspraken. Die uitleg had de man temeer moeten geven, omdat ook ten tijde van de samenleving, op grond van art. 1 van de samenlevingsovereenkomst, al de verzorgingsverplichting van art. 1:81 BW gold en pensioenverevening als uitdrukking van die verplichting mag worden beschouwd (zie, in die zin, ook HR 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9113, rov. 3.2.3).

De man voert ook onvoldoende aan dat er op wijst dat de aanspraken op verevening zijn komen te vervallen. Art. 4 Wvps biedt weliswaar de mogelijkheid het regime van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding ook te laten gelden voor het pensioen opgebouwd in de jaren voorafgaand aan het huwelijk, maar dat partijen niet hebben gekozen voor die uitbreiding van het wettelijke regime betekent geenszins dat zij daarmee afstand hebben gedaan van hun vóór het huwelijk (op grond van de samenlevingsovereenkomst) opgebouwde vereveningsaanspraken. Verevening op grond van de wet verschilt ook in belangrijke mate van verevening op grond van een samenlevingsovereenkomst. De Wet voorziet bijvoorbeeld in een “eigen” recht voor de vereveningsgerechtigde op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan (art. 2 lid 2 Wvps). Voor zover de man met zijn opmerking dat de samenlevingsovereenkomst is geëindigd door het huwelijk van partijen, heeft willen betogen dat dát verevening van voorhuwelijkse pensioenaanspraken belet, gaat de man eraan voorbij dat in art. 16 sub d van samenlevingsovereenkomst de clausule is opgenomen “behoudens voorzover uit de aard van de verplichtingen in deze overeenkomst anders voortvloeit”. Op de betekenis daarvan, gelet ook op hetgeen hiervóór werd overwogen over het uitgangspunt dat ten grondslag ligt aan de verplichting tot verevening (de verzorgingsplicht), had de man moeten ingaan, hetgeen hij heeft nagelaten.

Anders dan de man meent, is de verplichting tot verevening van de tijdens de duur van de samenwoning opgebouwde pensioenrechten voor ouderdomspensioen dus niet vervallen. Dat die verevening alleen zou zien op Nederlandse pensioenrechten en niet op buitenlandse pensioenen die binnen het materiële toepassingsgebied van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallen, heeft de man niet aangevoerd (ofschoon dat wel op zijn weg had gelegen, mede omdat de samenlevingsovereenkomst die Wet, samengevat, van overeenkomstige toepassing verklaart) en daarvan is het hof ook niet gebleken.

Buitenlandse pensioenen (onderdeel (i) van de grief)

Het is de vrouw te doen om de volgende buitenlandse pensioenen: WPS-deferred compensation plan, het Grundkonto en de Teva-Allianz-regeling

WPS-deferred compensation plan

Dit pensioen is voorwerp van grief V, die hieronder afzonderlijk zal worden beoordeeld.

Grundkonto

In het overzicht van [adviseur 2] (prod. 101 van de man) staat dat het Grundkonto een pensioenvoorziening is die verevend moet worden (overzicht sub 2 en sub 5). Anders dan de man meent (met zijn verwijzing naar het overzicht van [adviseur 2] ), dient echter niet alleen de opbouw van dit pensioen in de huwelijkse periode verevend te worden (daarmee stemt de man uitdrukkelijk in; brief van 25 april 2016, p. 2, een-na-laatste alinea), maar ook de opbouw daarvan tijdens de (voorhuwelijkse) samenwoning. Zie de beoordeling van onderdeel (iii) van de grief hiervóór.

Bij het overzicht van [adviseur 2] staat nog vermeld dat de opbouw van het pensioen in de huwelijkse periode heeft plaatsgevonden tot 1 juli 2011 (einde dienstverband); de vrouw heeft dit niet weersproken (mw. [adviseur] gaat zelfs uit van de juistheid van die datum, prod. 13 in hb van de vrouw, p. 6, onderaan). Het hof volgt partijen hierin.

De Teva-Allianz-regeling

In het overzicht van [adviseur 2] (prod. 101 van de man) staat dat de Teva-Allianz-regeling een pensioenvoorziening is die verevend moet worden (overzicht, sub 4 en sub 5). Bij het overzicht staat nog vermeld dat de opbouw van het pensioen in deze regeling volledig na 1 juli 2012 heeft plaatsgevonden. Dat dit onjuist zou zijn heeft de vrouw niet aangevoerd, noch in haar beroepschrift, noch in haar brief van 29 april 2016, noch bij de mondelinge behandeling. Van de juistheid van de datum van 1 juli 2012 moet daarom worden uitgegaan. Voorts staat bij het overzicht nog dat het niet redelijk zou zijn om vanaf die datum te verevenen, omdat partijen na 1 juli 2012 “geen enkele band meer met elkaar hebben”, dat partijen voor de verrekening van het inkomen en vermogen ook zijn uitgegaan van die datum en dat bij de door de man te betalen alimentatie geen rekening mocht worden gehouden met de verplichting van de man pensioen op te bouwen bij Teva-Allianz. Deze omstandigheden zijn evenwel onvoldoende voor afwijking van art. 2 lid 1 Wvps (dat, in samenhang met art. 1 en art. 3 Wvps, samengevat, bepaalt dat de pensioenaanspraken opgebouwd tot aan de echtscheiding (hier: op 1 mei 2015) verevend moeten worden). Ten aanzien van de bij Teva-Allianz opgebouwde pensioenaanspraken heeft de vrouw daarom recht op verevening.

Conclusie buitenlandse pensioenen

Op dit onderdeel (i) slaagt de grief van de vrouw.

Het hof zal vaststellen dat de vrouw op grond van art. 2 lid 1 Wvps recht heeft op verevening van het Grundkonto-pensioen, partijen genoegzaam bekend, voor zover opgebouwd vanaf 28 december 2006 (de “huwelijkssluiting”) tot 1 juli 2011 (datum einde pensioenopbouw vanwege einde dienstverband). Bij de door de vrouw verzochte veroordeling van de man daaraan zijn medewerking te verlenen, heeft zij geen belang, omdat die verplichting al uit de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding voortvloeit.

Voorts zal het hof vaststellen dat de vrouw op grond van art. 15 van de samenlevingsovereenkomst recht heeft op verevening van het Grundkonto-pensioen, partijen genoegzaam bekend, overeenkomstig de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, voor zover dit pensioen is opgebouwd in de periode van 1 februari 2006 (datum sluiting samenlevingsovereenkomst) tot 28 december 2006 (datum huwelijk), en zal het hof de man veroordelen aan die verevening zijn medewerking te verlenen.

Het hof zal vaststellen dat de vrouw op grond van art. 2 lid 1 Wvps recht heeft op verevening van het Teva-Allianz-pensioen, partijen genoegzaam bekend, voor zover opgebouwd vanaf 1 juli 2012 tot 1 mei 2015 (datum echtscheiding). Bij de door de vrouw verzochte veroordeling van de man daaraan zijn medewerking te verlenen, heeft zij geen belang, omdat die verplichting al uit de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding voortvloeit.

Het Deferred Compensation Plan (grief V in principaal appel)

3.7.

Het hof heeft het Plan niet aangetroffen in het omvangrijke procesdossier, dat naar schatting meer dan 2.000 pagina’s omvat. Partijen hebben ook niet duidelijk gemaakt wáár het Plan in het dossier zou zijn te vinden, en zo ja onder welk productienummer. Het hof zal partijen alsnog in de gelegenheid stellen het Plan en de verpandingsverklaring waarnaar mw. [adviseur] heeft verwezen (in haar memo, productie 121 van de zijde van de vrouw; kennelijk beschikte mw. [adviseur] over beide stukken) in het geding te brengen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden: peildatum (grief VI in principaal appel)

3.8.

Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte als peildatum 1 januari 2012 gehanteerd. De toelichting op de grief luidt als volgt:

“de rechtbank schrijft in overweging 3.78 dat beide partijen in hun processtukken hebben aangegeven dat zij overeenstemming hebben over 1 juli 2012 als peildatum voor het te verrekenen vermogen. Het kan dan niet zo zijn dat de rechtbank eigenmachtig van die afspraak tussen partijen afwijkt om 1 januari 2012 als peildatum te hanteren, dit met de overweging dat er nog enkele verrekenposten over de periode 1 januari 2012 tot 1 juli 2012 ter discussie staan. De beschikking van de rechtbank dient op dit punt dan ook te worden vernietigd en moet worden van 1 juli 2012 als peildatum ter zake het te verrekenen vermogen.”

3.9.

De man weerspreekt dat partijen overeenstemming hadden over de datum van 1 juli 2012.

3.10.

Het hof oordeelt als volgt. De verrekenplicht eindigt (in geval van beëindiging van het huwelijk door echtscheiding) op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Van deze regel kan bij op schrift gestelde overeenkomst worden afgeweken (art. 1:141 lid 2 BW jo. art. 1:142 leden 1 en 2 BW). Dat hebben partijen gedaan, zoals de rechtbank ook heeft vastgesteld, bij huwelijkse voorwaarden. Dat vervolgens van de aldus vastgestelde datum – 1 januari 2012 – is afgeweken bij op schrift gestelde overeenkomst, is gesteld noch gebleken. De grief faalt dus.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden: ontbindingsvergoeding van Westpharma (grief VII in principaal appel en grief C in incidenteel appel)

3.11.

In rov. 3.84 heeft de rechtbank – onbestreden – als volgt overwogen:

“De man heeft eerder in de huwelijkse periode een dienstverband gehad bij (…) Westpharma. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de ontbindingsvergoeding die de man heeft ontvangen bij gelegenheid van zijn ontslag bij Westpharma, behoort tot het te verrekenen vermogen.”

3.12.

In rov. 3.85 heeft de rechtbank voorts als volgt overwogen:

“(…) de formule op basis waarvan de ontslagvergoeding naar Duits recht wordt berekend, [vertoont] grote overeenkomsten (…) met de “kantonrechtersformule” die aan de basis ligt van berekening van ontslagvergoedingen in Nederland en welke hoofdzakelijk zien op compensatie van inkomensderving. Zo wordt bij de berekening van de ontslagvergoeding naar Duits recht ook het maandsalaris, het aantal jaren dat het dienstverband heeft geduurd en een vermenigvuldigingsfactor betrokken. Tot slot blijkt ook uit de terminologie die is gehanteerd in het mailverkeer tussen de man en Westpharma met betrekking tot de ontslagvergoeding, dat hier sprake is van een vergoeding die ziet op compensatie van derving van loon en daaraan verwante beloningen.

(…)

Gelet op de omvang van de ontbindingsvergoeding van bruto € 397.000,=, afgezet tegen het jaarsalaris én de aandelen-gerelateerde bonussen die de man bij Westpharma ontving, neemt de rechtbank aan dat de ontslagvergoeding betrekking had op inkomensderving over een periode van 1 1/2 (anderhalf) jaar. Nu de laatste salarisbetaling door Westpharma aan de man is gedaan in juni 2011 en de peildatum voor de verrekening is vastgesteld op een half jaar daarna, te weten 1 januari 2012, neemt de rechtbank aan dat de vergoeding aldus voor een derde deel behoort tot het te verrekenen vermogen en voor het overige behoort tot het privévermogen van de man.”

3.13.

De grief van de vrouw houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat slechts een derde van de ontbindingsvergoeding tot het te verrekenen vermogen behoort: de gehele vergoeding moet verrekend worden. De vrouw heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De ontslagvergoeding is geen vergoeding van toekomstige inkomensschade/in de toekomst te derven inkomsten of voor verlies van sociale status (verweerschrift in incid. appel, pt. 3, p. 2 bovenaan, pt. 4 en pt. 7). De gehele vergoeding is loon/inkomen uit het jaar 2011, het valt daarmee ook onder het ruime inkomensbegrip van de huwelijkse voorwaarden en het moet daarom volledig tot het te verrekenen vermogen worden gerekend.

De ontslagvergoeding is, anders dan de man beweert, ook niet, zelfs niet gedeeltelijk, toe te rekenen aan de voorhuwelijkse periode.

3.14.

De grief van de man houdt in dat de ontbindingsvergoeding in het geheel niet tot het te verrekenen vermogen behoort. Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan. De vergoeding is bedoeld voor derving van inkomsten in de toekomst (verweerschrift tevens incid. appel, pt. 37) dát heeft de rechtbank ook beslist en die beslissing is juist. Deze strekking van de vergoeding blijkt ook uit de beëindigingsovereenkomst (de man verwijst naar productie 10, maar dit moet productie 11 zijn; hof).

Onjuist is evenwel dat de rechtbank er geen rekening mee heeft gehouden dat de man direct na zijn ontslag bij Westpharma een nieuwe baan kreeg bij Teva, met een iets lager inkomen (€ 10.785,-- p/m (Westpharma) en € 10.255,-- p/m (Teva)). Alleen dit verschil in inkomens van € 530,-- p/m, gedurende de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011 is te zien als “actuele inkomsten” die tot het te verrekenen vermogen behoren.

Subsidiair heeft de man aangevoerd dat de inkomsten die gedurende het huwelijk zijn genoten, maar die betrekking hebben op de voorhuwelijkse periode niet behoeven te worden verrekend. Volgens de annex bij de huwelijkse voorwaarden zijn namelijk uitgesloten van verrekening:

“bonussen en tantièmes, in de vorm van geld, aandelen of opties op aandelen, die aan [de man] uitbetaald/ter beschikking gesteld worden na 1 januari 2007 en die betrekking hebben op de periode voor 1 januari 2007”.

De hoogte van de ontslagvergoeding is gebaseerd op het aantal dienstjaren bij Westpharma en een groot deel van die dienstjaren lag voor de huwelijkse periode.

3.15.

Het hof oordeelt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat de huwelijkse voorwaarden aldus moeten worden uitgelegd dat een ontbindingsvergoeding die bedoeld is als compensatie voor toekomstige inkomensschade, voor in de toekomst te derven inkomsten of voor verlies van sociale status en die ziet op de periode na het eindigen van de verrekenplicht (hier: 1 januari 2012) niet tot het te verrekenen vermogen behoort.

Evenmin is de hoogte van de ontbindingsvergoeding (€ 397.000,-- bruto), in geschil. Daartegen hebben partijen geen grieven gericht.

Wel is in geschil óf de ontbindingsvergoeding bedoeld is als compensatie voor toekomstige inkomensschade (volgens de vrouw niet, volgens de man wel) en, zo ja, hoe de huwelijkse voorwaarden dienen te worden afgewikkeld voor zover die vergoeding nog ziet op de periode voor het eindigen van het verrekenplicht.

De vrouw richt geen bezwaren tegen de overwegingen (met name over de kantonrechtersformule en het mailverkeer) die de rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel dat, samengevat, de ontbindingsvergoeding betrekking had op toekomstige inkomensderving. Voorts blijkt uit de beëindigingsovereenkomst, waarop de man zich beroept, dat het maandsalaris van de man tot aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst zou worden doorbetaald (punt 3), dat de man nog gerechtigd was tot de bonus over het jaar 2010 (punt 4), dat de man nog gerechtigd was tot 422 aandelen van het Long Term Incentive Plan (punt 8) en dat alle vakantierechten over 2011 “have been satisfied in kind” (punt 10). Ook dat zijn sterke aanwijzingen dat de ontbindingsvergoeding betrekking had op toekomstige inkomensderving (en niet op loon/inkomen uit 2011). Hiertegenover heeft de vrouw er op gewezen dat in de beëindigingsovereenkomst een vergoeding staat genoemd van € 432.319,-- bruto, en legt zij uit dat uiteindelijk een bedrag van € 397.000,-- bruto is uitbetaald als ontbindingsvergoeding, omdat in het bedrag van € 432.319,-- nog het salaris van mei en juni 2011 van ruim € 17.000 p/m was begrepen. Dit maakt echter niet dat het bedrag van € 397.000,-- (dát bedrag is de inzet van het geschil van partijen) niet bedoeld is als compensatie voor toekomstige inkomensschade. Het is er eerder een aanwijzing voor, zoals de man ook aanvoert, dat in de ontbindingsvergoeding alleen nog toekomstige inkomensschade is verdisconteerd. Ook hetgeen de vrouw overigens aanvoert (sub 3 en 4 van haar verweerschrift in incidenteel appel), is onvoldoende om haar conclusie (dat de ontbindingsvergoeding niet bedoeld was als compensatie voor toekomstige inkomensschade) te dragen. Onjuist is met name dat de bonus 2010 en het salaris van januari tot en met juni 2011 zouden zijn verdisconteerd in de ontbindingsvergoeding van € 397.000,-- (dat is blijkens de beëindigingsovereenkomst namelijk niet het geval, zie reeds hiervóór). De conclusie van het voorgaande is dat de grief van de vrouw faalt.

Hoe dienen de huwelijkse voorwaarden vervolgens te worden afgewikkeld voor zover de ontbindingsvergoeding nog ziet op de periode vóór het eindigen van het verrekenplicht (1 juli 2011 tot en met 31 december 2011)?

De huwelijkse voorwaarden luiden, voor zover hier relevant, als volgt:

Inkomensbegrip

Artikel 4

1.1.

Partijen hebben de invulling van het door hen gehanteerde inkomensbegrip aangegeven op het aan deze akte gehechte stuk

(…)

ANNEX

(…)

1. Welke inkomsten beschouwen we als gezamenlijke inkomsten?

Salaris waaronder, pensioen, tantièmes en bonussen en uitkeringen o,g.v de levensloopregeling; en

Inkomsten uit vermogen waaronder, rente, dividend, opbrengst van

verkopen (bijvoorbeeld verkoop van aandelen of andere activa) huur en

opgebouwde tegoeden onder de levensloopregeling.”

2. Wat hoort niet tot de gezamenlijke inkomsten?

(…)

Voor zijn stelling dat het begrip inkomsten of gezamenlijke inkomsten, een zo specifieke inhoud heeft dat daaronder slecht de “actuele inkomsten” zouden vallen (waarmee de man op het oog heeft het verschil van € 530,-- p/m, gedurende de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011) in plaats van de gehele ontbindingsvergoeding gedurende die periode, heeft de man (gelet op de bij uitleg te hanteren maatstaf, waarover rov. 3.6 hiervóór) onvoldoende aangevoerd. Dit had temeer op zijn weg gelegen nu, zoals de vrouw ook heeft aangevoerd, de huwelijkse voorwaarden een ruim inkomensbegrip kennen (waarbij het begrip salaris zelfs niet-uitputtend is omschreven), en een ontbindingsvergoeding als hier aan de orde ook niet is opgenomen in onderdeel 2 van de Annex, waarin is omschreven wat níet tot de gezamenlijke inkomsten behoort (althans de man zich daarop niet heeft beroepen). In zoverre faalt de grief van de man. Door de ontslagvergoeding konden partijen in de periode van 1 juli 2011 tot en met 31 december 2011 gewoonweg beschikken over een (bijna) dubbel inkomen.

Tot slot nog het subsidiaire onderdeel van de grief van de man.

De vrouw heeft voldoende gemotiveerd betwist dat de ontbindingsvergoeding moet worden aangemerkt als een bonus of tantième als bedoeld in de annex bij de huwelijkse voorwaarden (waarop de man zich beroept); volgens haar is namelijk sprake van loon dat verrekend moet worden. De man had daarop zijn stelling nader moeten onderbouwen. Bewijs van zijn stelling heeft de man niet aangeboden. Dit betekent dat ook op dit subsidiaire onderdeel de grief van de man faalt.

De slotsom van het voorgaande is dat beide grieven, zowel van de man als de vrouw, op alle onderdelen falen.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden: vordering op Duitse fiscus van € 163.000,- (grief VIII in principaal appel en grief D in incidenteel appel)

3.16.

De principale grief van de vrouw keert zich tegen rov. 3.86 van de bestreden beschikking, die als volgt luidt:

“Na aftrek van de belastingheffing is aan de man een vergoeding van afgerond € 217.600,= uitbetaald (productie 96 van de man). Tussen partijen is echter niet in geschil dat (…) Westpharma een te groot bedrag aan belasting heeft ingehouden en afgedragen op deze ontbindingsvergoeding. Op basis van de toelichting van de man ter zitting is komen vast te staan dat deze vordering van de man op de Duitse fiscus van circa € 163.000,= in het vierde kwartaal van 2012 door de fiscus aan de man is uitgekeerd.

De totale netto-ontbindingsvergoeding bedraagt aldus € 380.600,= (€ 217.600,= + € 163.000,=). Een derde deel hiervan, te weten € 126.867,= behoort tot het te verrekenen vermogen, en twee derde deel hiervan, € 253.733,= behoort aldus tot liet privévermogen van de man.

De ontslagvergoeding maakt deel uit van het saldo van de man bij de DBS-bank te [kantoorplaats] . De rechtbank bepaalt dan ook dat partijen met betrekking tot de ontbindingsvergoeding het bedrag van € 253.733 bij de verrekening van de banksaldi, als zijnde privévermogen van de man, buiten beschouwing moeten laten.”

De vrouw voert het volgende aan. Nu betaling door de Duitse fiscus van de vordering van € 163.000,-- nog niet had plaatsgevonden, vormde dat bedrag geen onderdeel van het saldo van de bankrekeningen van partijen. In de “aanvliegroute” van de rechtbank komt de vordering op de Duitse fiscus derhalve “tussen wal en schip” terecht.

3.17.

De man stelt dat het juist is dat de vordering van € 163.000,-- verdisconteerd is in het van verrekening uitgesloten bedrag.

3.18.

Het hof oordeelt als volgt. De grief van de vrouw, waarvan de betekenis het hof door de bloemrijke, niet-juridische taal niet aanstonds duidelijk was, slaagt.

De ontslagvergoeding maakte niet in haar geheel deel uit van het saldo van de man bij de DBS-bank te [kantoorplaats] op de peildatum 1 januari 2012 (ad € 556.000,-- (rov. 3.81 van de bestreden beschikking). Uit productie 96 van de man blijkt dat het bedrag van (ongeveer) € 217.600,-- is gestort op 28 juli 2011, terwijl het bedrag van € 163.000,-- pas in het vierde kwartaal van 2012 door de fiscus aan de man is uitgekeerd (zodat dit op de peildatum niet op de rekening bij de DBS-bank heeft kunnen staan).

Een derde deel van het bedrag van € 217.600,-- , te weten € 72.533,33 behoort tot het te verrekenen vermogen (zie voor deze berekeningsmethodiek de beoordeling hiervóór van grief VII in principaal appel en grief C in incidenteel appel), en twee derde deel hiervan, € 145.066,67,= behoort aldus tot het privévermogen van de man. Het bedrag van € 217.600,-- maakt deel uit van het saldo van de man bij de DBS-bank te [kantoorplaats] .

Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank in rov. 3.91 niet in stand kan blijven. Daar heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:

“Een en ander betekent dat de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen als volgt zal worden gelast:

  • -

    partijen dienen met elkaar te verrekenen de saldi van alle hij hen bekende bankrekeningen in Nederland en in het buitenland op 1 januari 2012,

  • -

    van deze verrekening blijven uitgezonderd de bedragen van € 253.733,= (niet verrekenbaar deel van de ontbindingsvergoeding van de man bij Westpharma) (…);

  • -

    (…).”

Het hof zal dan ook bepalen dat partijen met betrekking tot de ontbindingsvergoeding het bedrag van € 145.066,67 bij de verrekening van de banksaldi, als privévermogen van de man, buiten beschouwing moeten laten.

Voorts dient, zo begrijpt het hof de grief van de vrouw, de vordering van € 163.000,-- nog in de verrekening te worden betrokken. Een derde deel van het bedrag van € 163.000,--, te weten € 54.333,33 behoort dan tot het te verrekenen vermogen (zie voor deze berekeningsmethodiek de beoordeling hiervóór van grief VII in principaal appel en grief C in incidenteel appel), en twee derde deel hiervan, € 108.666,67 behoort aldus tot het privévermogen van de man. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

In haar brief van 29 april 2016 merkt de vrouw over haar grief nog op dat “uit het verweerschrift van de vrouw in hoger beroep” bleek van een vordering op de Duitse fiscus van € 168.989,--. Aan deze opmerking gaat het hof voorbij. In het verweerschrift (naar het hof begrijpt: in incidenteel appel) is geen verwijzing naar de (vermeende) vordering opgenomen en of de vrouw zich in dit verband heeft willen beroepen op een van de producties gehecht aan het verweerschrift, en zo ja welke is het hof niet duidelijk.

3.19.

De man heeft aangegeven dat punt 41 van zijn verweerschrift moet worden aangemerkt als grief D. De grief houdt in dat de volledige ontbindingsvergoeding buiten het te verrekenen vermogen valt; de belastingteruggave heeft betrekking op de ontbindingsvergoeding, zodat ook deze buiten de afrekening dient te blijven.

De vrouw heeft dit weersproken.

Het hof oordeelt als volgt. De grief faalt, nu zij voortbouwt op grief C van de man die hiervóór werd verworpen en naar welke overwegingen het hof kortheidshalve verwijst.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden: overzicht [adviseur 2] : werknemersparticipaties, aandelen, opties (grief IX in principaal appel)

3.20.

Deze grief bestaat uit twee onderdelen.

Onderdeel I

3.21.

Met het eerste onderdeel van de grief heeft de man ingestemd, zodat de grief in zoverre slaagt. Dit betekent dat op de post “Cash voordeel EUR” in het overzicht van [adviseur 2] (“Voordeel uit werknemersparticipaties WEST Pharmaceuticals Services Inc. Versie 1”, prod. 98 van de man) ad € 183.598,-- het “Voordeel Huwelijkse periode EUR” ad 67.322,-- in mindering moet worden gebracht (in plaats van de het “Voordeel HvB (50%) EUR” ad € 33.661,-- waarvan de rechtbank is uitgegaan). De beslissing van de rechtbank in rov. 3.91 dat van de verrekening is uitgezonderd een bedrag van (€ 183.598,-- minus € 33.661,-- =) € 149.937-- (het niet-verrekenbaar deel van de aandelen-gerelateerde beloningen van de man bij Westpharma) kan daarom niet in stand blijven. Daarop in mindering strekt een bedrag van € 67.322,--. Het hof zal aldus bepalen.

Onderdeel II

3.22.

Onderdeel II van de grief, luidt als volgt:

“De rechtbank heeft bovendien geen rekening gehouden met het gegeven dat in 2009 en 2010 aandelen werden verzilverd, welke opbrengst vóór 2012 werd geconsumeerd dan wel geïnvesteerd, onder andere in de kostbare verbouwing van de woning. Wat de “aandelen gerelateerde beloning” betreft mag er slechts een bedrag van € 31.061,= en niet een bedrag ad € 149.937,= bij de verrekening van de banksaldi als privévermogen van de man buiten beschouwing worden gelaten.”

In de brief van 29 april 2016 heeft de vrouw nog het volgende aangevoerd.

Abusievelijk is in grief IX aangegeven dat opbrengsten van aandelenverkoop in 2009 en 2010 werden geïnvesteerd . Het betrof echter de opbrengsten van de verzilvering van de aandelen in de jaren 2006, 2008 en 2009. De man heeft die opbrengsten aangewend voor de verbouwing van de voormalige echtelijke woning. De totale kosten van die verbouwing bedroegen € 1.534.426,--. De verbouwing is geheel betaald van de en/of-rekening bij Fortis en ieder van partijen heeft de helft van die kosten voor zijn rekening genomen (productie 19; dit is een (hof: kennelijk zijdens de vrouw opgesteld) “Overzicht Stortingen tbv de Verbouwing op de Verbouwingsrekening nr. 84.33.61.026”). Ook uit het saldo van “de rekening van de man bij Fortis” per 31 december 2009 (ad € 545,--) en zijn aanslag inkomstenbelasting 2009 (die als bijlagen zijn bijgevoegd bij de toelichting op het “afrekenoverzicht van de vrouw”) blijkt dat alle opbrengsten van de aandelenverkopen tot 31 december 2009 zijn besteed aan de verbouwing. Volgens de “toelichting bij het afrekenoverzicht”, “noot 5” betekent een en ander voor de verrekening het volgende:

Opbrengst aandelenverkopen: € 183.598

Af: betrekking op huwelijkse periode: € 67.321

Af: reeds verteerd de opbrengst van de verkopen t/m 2009: € 21.475

€ 9.586

€ 35.288

€ 27.603

totaal: € 93.952

Resteert onverteerd: € 22.325

3.23.

De man heeft in zijn verweer op het beroepschrift het volgende aangevoerd. De opbrengst van het verzilveren van de aandelen is niet geïnvesteerd in de verbouwing van de woning. De vrouw legt daarvan ook geen bewijs over. Als de man extra eigen vermogen zou hebben geïnvesteerd, dan had hij dat bedrag bij de overdracht van de woning aan de vrouw “vooruit hebben mogen nemen”, maar dat is niet gebeurd.

Ter zitting heeft de man er op gewezen dat hij op de brief van de vrouw van 29 april 2016 niet meer behoorlijk (eventueel onder overlegging van stukken) heeft kunnen reageren, ook omdat de tien dagen-termijn van het Procesreglement daarvoor een beletsel was. De gelegenheid daartoe wenst de man nog te krijgen. Daarop vooruitlopend heeft de man het volgende opgemerkt. De verbouwing was allang afgerond in 2009; achter productie 19 bevinden zich geen rekeningafschriften aan de hand waarvan de juistheid van het “Overzicht Stortingen” is te controleren; en de verbouwing is met name betaald van de inkomsten van de man in [kantoorplaats] en niet met vermogen.

3.24.

Het hof oordeelt als volgt.

Een behoorlijke rechtspleging en met name het beginsel van hoor- en wederhoor brengt mee dat het hof de man nog in de gelegenheid zal dienen te stellen, te reageren op hetgeen de advocaat van de vrouw – op het laatste moment – aldus in zijn brief van 29 april 2016 heeft aangevoerd, waarop de vrouw vervolgens zal mogen reageren en ten slotte daar weer op de man, op de wijze zoals nader in het dictum omschreven.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden: diverse verrekenposten (grief X in principaal appel)

3.25.

Nu deze grief uitgaat van de beweerdelijk tussen partijen overeengekomen peildatum van 1 juli 2012, en die premisse niet is vervuld (zie de beslissing op grief VI hiervóór), faalt de grief.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden: wettelijke rente (grief XI in principaal appel)

3.26.

Op deze grief, waarmee de vrouw de wettelijke rente vordert over een haar uit hoofde van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden “toekomend bedrag”, zal het hof beslissen in de eindbeschikking. Dan zal zijn vast te stellen of de vrouw recht heeft op een geldsom van de man (en zo ja hoe hoog deze is).

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden: niet-uitgekeerde winst [Beheer] Beheer BV (grief E in incidenteel appel)

3.27.

Deze grief luidt als volgt:

“Ten onrechte heeft de rechtbank [in rov. 3.88 en 3.89; hof] geoordeeld dat het gemiddeld resultaat van de B.V. van de vrouw over de jaren 2010/2011 en 2011/2012 een negatief resultaat van € 6.660,00 oplevert en dat er dus geen basis was voor een dividenduitkering door de vrouw gedurende die periode.”

Ter toelichting op zijn grief voert de man het volgende aan.

Als partijen voor de verrekening dienen uit te gaan van de peildatum 1 januari 2012 dient de vrouw een door een onafhankelijke deskundige opgestelde balans en winst- en verliesrekening met ruime toelichting over de periode 1 juli 2011–1 januari 2012 over te leggen, waarin de vragen die de man in pt. 55 van zijn verweerschrift tevens incidenteel appel heeft opgenomen, worden beantwoord. Pas dan kan bekeken worden wat het resultaat op 1 januari 2012 was/behoorde te zijn en of er al dan niet sprake zou moeten zijn van een dividenduitkering aan de vrouw.

In zijn brief van 25 april 2016 stelt de man zich op het standpunt dat hij aanspraak kan maken op een bedrag van € 12.015,--, onder verwijzing naar de bijlagen 28 en 29. Er is daarmee sprake van overeenstemming.

3.28.

De vrouw voert hiertegen het volgende aan.

De beslissing van de rechtbank is juist. Van de overeenstemming waar de man over spreekt, is geen sprake. Hij kan geen aanspraak maken op het bedrag van € 12.015,--.

De b.v. heeft al jaren een gebroken boekjaar, dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni. Het verzoek van de man om een tussentijdse balans per 1 januari 2012 op te laten stellen, zal eventueel pas aan de orde kunnen zijn wanneer het hof heeft vastgesteld van welke peildatum moet worden uitgegaan, namelijk 1 januari 2012 (het standpunt van de man) dan wel 1 juli 2012 (het standpunt van de vrouw, haar grief VI).

3.29.

Het hof oordeelt als volgt.

Van overeenstemming over eventueel niet-uitgekeerde winst in de b.v. is het hof niet gebleken.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw bij machte is te bepalen dat de winsten van de b.v. haar ten goede komen, en dat het verrekenbeding mede ondernemingswinsten omvat (dit een en ander in de zin van art. 1:141 lid 4 BW). In zo’n geval dienen ook de niet-uitgekeerde winsten, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, te worden verrekend.

De grief ziet naar de letter mede op de periode (gebroken boekjaar) 2010/2011, maar daartegen heeft de man geen bezwaren geformuleerd (ook niet, althans niet kenbaar, in zijn brief van 25 april 2016), zodat de grief in zoverre faalt.

Wel heeft de man bezwaren geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank, voor zover het betreft de periode (gebroken boekjaar) 2011/2012. Daarop zien immers zijn vragen (in pt. 55 van zijn verweerschrift in incidenteel appel).

De peildatum voor verrekening is 1 januari 2012 (zie de beslissing op grief VI hiervóór). Het hof is voornemens een deskundige te benoemen ter beantwoording van de vraag in hoeverre er in de periode 1 juli 2011–1 januari 2012 sprake was van niet-uitgekeerde winsten in de b.v. die op de voet van art. 1:141 BW dienen te worden verrekend. Vanwege de – betrekkelijk – hoge kosten die daaraan voor partijen verbonden zijn, zal het hof partijen eerst in de gelegenheid stellen overleg te voeren over deze vraag (waarbij zij al dan niet worden bijgestaan door de deskundigen die zij eerder hebben ingeschakeld), het hof daarop te berichten of partijen daarbij tot overeenstemming zijn gekomen over het al dan niet te verrekenen bedrag, dan wel het hof te informeren over de (resterende) geschilpunten (ter zake van, samengevat, de eventueel niet-uitgekeerde winsten) waarover partijen nog een beslissing van het hof wensen.

3.30.

Op grond van het voorgaande wordt thans als volgt beslist.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.168.227/01 (alimentatie)

verklaart zowel de vrouw als de man niet-ontvankelijk in hun hoger beroep;

in de zaak met zaaknummer 200.168.229/01 (pensioen en huwelijkse voorwaarden)

ter zake van het Deferred Compensation Plan (grief V in principaal appel)

stelt partijen in de gelegenheid om binnen vier weken na de datum van deze beschikking het Deferred Compensation Plan en de verpandingsverklaring waarnaar mw. [adviseur] heeft verwezen (waarover rov. 3.7) aan het hof te zenden, met afschrift aan de wederpartij;

ter zake van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden: overzicht [adviseur 2] : werknemersparticipaties, aandelen, opties (grief IX in principaal appel)

stelt de man in de gelegenheid om binnen vier weken na de datum van deze beschikking zijn schriftelijke opmerkingen, uitsluitend met het hiervóór in rov. 3.24 bedoelde doel, aan het hof te zenden, met afschrift aan de wederpartij;

stelt de vrouw in de gelegenheid binnen vier weken na ontvangst van de bedoelde opmerkingen van de man, haar schriftelijke opmerkingen, uitsluitend met het hiervóór in rov. 3.24 bedoelde doel, aan het hof te zenden, met afschrift aan de wederpartij;

stelt de man in de gelegenheid om binnen vier weken na ontvangst van de opmerkingen van de vrouw zijn schriftelijke reactie daarop, uitsluitend met het hiervóór in rov. 3.24 bedoelde doel, aan het hof te zenden, met afschrift aan de wederpartij;

ter zake van de afwikkeling huwelijkse voorwaarden: niet-uitgekeerde winst [Beheer] Beheer BV (grief E in incidenteel appel)

stelt partijen in de gelegenheid om binnen acht weken na de datum van deze beschikking hun schriftelijke opmerkingen, uitsluitend met het hiervóór in rov. 3.29 bedoelde doel, aan het hof te zenden, met afschrift aan de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, C.D.M. Lamers en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2017.