Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:145

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
23-01-2017
Zaaknummer
200.180.467_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5240
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:2895
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevel voorlopig deskundigenonderzoek naar gestelde kwetsuren van paard U2/ deskundige werkzaam in Ierland/ aanhouding beslissing over overige verzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 19 januari 2017

Zaaknummer: 200.180.467/01

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika),

verzoekster,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. H.A. van Hapert te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde 1] , h.o.d.n. [bedrijfsnaam] ,

wonende en gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [geïntimeerde 1] ,

advocaat: mr. D.A. IJpelaar te Wassenaar,

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Academy [de Academy] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de Academy,

advocaat: mr. W.G. Reddingius te Rotterdam,

[geintimeerde 3] ,

wonende te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [geintimeerde 3] ,

advocaat: mr. W.G. Reddingius te Rotterdam,

[geintimeerde 4] ,

wonende te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: [geintimeerde 4] ,

advocaat: mr. W.G. Reddingius te Rotterdam,

verweerders.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Tussen partijen is een conflict ontstaan omtrent de door verweerders verrichte verzorging en training van het dressuurpaard van [verzoekster] , genaamd U2, en het -naar de stellingen van [verzoekster] - daarbij opgelopen letsel van U2. [verzoekster] heeft verweerders aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van bij U2 opgetreden letsel en hen vervolgens gedagvaard. Bij vonnis van 10 juni 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant de schadevordering van [verzoekster] afgewezen. [verzoekster] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld.

In die procedure (de hoofdzaak) heeft [verzoekster] in eerste aanleg aan haar schadevordering ten bedrage van € 247.500,00 primair ten grondslag gelegd een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomsten van opdracht welke zij met [geïntimeerde 1] en de Academy had gesloten. Naar de stelling van [verzoekster] hadden zij een verplichting om zorg te dragen voor een deugdelijke training en verzorging van het dressuurpaard U2, waaronder begrepen het voorkomen van verwondingen en gebreken. [geïntimeerde 1] en de Academy hebben volgens [verzoekster] deze verplichtingen geschonden gezien het letsel dat aan de kaak en buik van U2 is ontstaan in de tijd dat zij verantwoordelijk waren voor de zorg voor U2. Subsidiair legt [verzoekster] aan haar vordering een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW van alle verweerders separaat jegens haar ten grondslag. Het onrechtmatig handelen wordt niet enkel verweten aan [geïntimeerde 1] en de Academy, maar eveneens aan [geintimeerde 3] en [geintimeerde 4] nu zij beiden [geïntimeerde 1] hebben geïnstrueerd ten aanzien van de training en de verzorging van U2, alsmede U2 hebben bereden en/of gebruikt voor promotionele, commerciële en trainingsdoeleinden. Meer subsidiair is aan de vordering ten grondslag gelegd dat het handelen van [betrokkene] , waardoor letsel bij U2 is ontstaan, aan [geïntimeerde 1] en de Academy dient te worden toegerekend op grond van artikel 6:76 BW, respectievelijk artikel 6:170 BW.

1.2.

Bij verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 12 november 2015, en akte houdende aanvulling verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 1 september 2016, heeft [verzoekster] het hof verzocht (kort weergegeven) een voorlopig deskundigenonderzoek (met benoeming van een veterinair deskundige en een paardentaxateur) alsmede een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. [verzoekster] heeft aangegeven deze te willen laten plaatsvinden alvorens het hoger beroep in de hoofdzaak inhoudelijk wordt behandeld.

Voor de gronden van het verzoek en de toelichting daarop verwijst het hof naar het

verzoekschrift en de akte houdende aanvulling verzoekschrift.

1.3.

[geïntimeerde 1] heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 15 augustus 2016. De Academy, [geintimeerde 3] en [geintimeerde 4] hebben een verweerschrift met bijlagen ingediend, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2016. De verweren zijn niet gericht tegen het verzoek tot benoeming van een veterinair deskundige als zodanig, maar betreffen in het bijzonder de vraag welke deskundige in aanmerking zou kunnen komen. Voorts bevatten de verweerschriften verzoeken om aanhouding van het verzoek tot benoeming van een paardentaxateur als deskundige en van het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.

1.4.

Tot slot heeft het hof kennis genomen van de brief met bijlagen van de advocaat van [verzoekster] d.d. 27 november 2015.

1.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 september 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- Namens [verzoekster] mr. R.A. Kaatee waarnemend voor mr. Van Hapert;

- [geïntimeerde 1] , bijgestaan door mr. IJpelaar;

- Gevolmachtigd door [geintimeerde 3] , [geintimeerde 4] , en de Academy, namens deze partijen, de heer [gevolmachtigde] , bijgestaan door mr. Reddingius.

2 De beoordeling

2.1.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen ingestemd met het voorstel van het hof om de inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift van [verzoekster] vooralsnog te beperken tot het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht, meer in het bijzonder inzake de verzochte benoeming van een veterinair deskundige en de behandeling van de zaak voor zover deze betrekking heeft op het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor aan te houden. Daarbij zal met instemming van alle partijen ook de inhoudelijke behandeling van het verzoek van [verzoekster] tot het benoemen van een paardentaxateur als deskundige worden aangehouden nu de onderzoeksvragen welke aan een dergelijke taxateur kunnen dan wel dienen te worden voorgelegd sterk afhankelijk (zouden kunnen) zijn van de bevindingen van de veterinair deskundige.

2.2.

Namens [verzoekster] heeft haar advocaat bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep onder meer gesteld dat er gelet op het netwerk en de invloed van [geintimeerde 4] en de andere verweerders binnen de paardensport en de daaraan gelieerde deskundigen met extra aandacht dient te worden gezocht naar een onafhankelijke deskundige. Volgens [verzoekster] kan deze deskundige geen Nederlandse onderneming hebben welke is gericht op onderzoek bij paarden, nu in dat geval de kans aanwezig is dat deze beïnvloedbaar is door [geintimeerde 4] . Gezien de invloedrijkheid van [geintimeerde 4] binnen de paardensport bestaat een enorme afhankelijkheid, althans de mogelijkheid om met het toezeggen of het onthouden van werk de deskundige te beïnvloeden. Nu de Universiteit Utrecht, als enige universiteit in Nederland afdoende gespecialiseerd is in paarden en in eerste aanleg reeds via professor [getuige] een verklaring ten behoeve van [geintimeerde 4] is afgelegd, staat volgens [verzoekster] geen enkele professor van voornoemde universiteit meer vrij om het onderzoek te doen. [verzoekster] draagt daarom zelf een drietal mogelijke kandidaten uit het buitenland aan teneinde alle schijn van partijdigheid te voorkomen.

2.3.

[geïntimeerde 1] , de Academy, [geintimeerde 3] en [geintimeerde 4] stellen dat de kans dat een Nederlandse deskundige door [geintimeerde 4] beïnvloedbaar is niet anders is dan de beïnvloedbaarheid van iedere deskundige in enige andere procedure. [verzoekster] laat volgens [geïntimeerde 1] , de Academy, [geintimeerde 3] en [geintimeerde 4] na te motiveren waarom die kans bij [geintimeerde 4] groter zou zijn en zij betwisten dan ook dat [geintimeerde 4] in Nederland een positie zoals door [verzoekster] geschetst inneemt. Van enige commerciële verhouding tussen aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht verbonden veterinaire wetenschappers enerzijds en [geintimeerde 4] anderzijds is in het geheel geen sprake. Daarbij komt dat [geïntimeerde 1] , de Academy, [geintimeerde 3] en [geintimeerde 4] van mening zijn dat het inschakelen van een buitenlandse deskundige, onder meer vanwege het vertalen van een groot aantal (juridische) documenten, uitsluitend leidt tot een onnodige verhoging van de (proces)kosten. [geïntimeerde 1] , de Academy, [geintimeerde 3] en [geintimeerde 4] dragen dan ook een Nederlandse deskundige voor en wel [deskundige] uit [woonplaats] . Tot slot geven [geïntimeerde 1] , de Academy, [geintimeerde 3] en [geintimeerde 4] aan dat zij de deskundige ook de vraag voor willen leggen of de verwondingen aan het paard U2 ook kunnen zijn ontstaan door het eten van met herfsttijloos vervuild hooi. Dit nu U2 na vertrek bij de Academy is overgebracht naar een stal waar twee dagen na aankomst van U2 een dergelijke vergiftiging is geconstateerd en waardoor een aantal paarden ziek is geworden en een aantal daarvan zelfs moest worden afgemaakt.

2.4.

Het hof overweegt het volgende.

2.4.1.

Nu tegen het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek geen verweer is gevoerd acht het hof dit in beginsel toewijsbaar. Het verzoek is voldoende concreet en ter zake dienend. Er is naar het oordeel van het hof geen sprake van misbruik van een bevoegdheid, noch strijd met de goede procesorde. Het hof zal het verzoek van [verzoekster] dan ook toewijzen.

2.4.2.

Hoewel het hof van oordeel is dat niet onomstotelijk vast is komen te staan dat (vrijwel) alle Nederlandse veterinair deskundigen en veterinair wetenschappers van de Faculteit Diergeneeskunde van de universiteit Utrecht zodanig onder de invloedsfeer van [geintimeerde 4] zouden staan dat zij daardoor niet voor benoeming in aanmerking zouden kunnen komen, acht het hof het van belang dat alle schijn van partijdigheid dient te worden voorkomen. Het hof acht het anderzijds ook niet wenselijk dat er in deze zaak ten gevolge van het benoemen van een buitenlandse deskundige in verband met het vertalen van (juridische) documenten hoge extra kosten worden gemaakt. Tegemoet komend aan deze door partijen aangedragen aandachtspunten heeft het hof gezocht naar een Nederlandstalige deskundige, werkzaam in het buitenland, welke het hof – na de nodige tijd - heeft gevonden in de persoon van Prof. Dr. Pieter Brama (University college Dublin, School of veterinary medecine, UCD veterinary science centre, Belfield, Dublin [nummer] Ireland), die zich bereid heeft verklaard de opdracht te aanvaarden en heeft aangegeven daartoe vrij te staan.

2.4.3.

Ten aanzien van de aan de veterinair deskundige voor te leggen vragen behelst het verzoekschrift van [verzoekster] onder 16 het volgende. [verzoekster] wenst duidelijkheid te verkrijgen omtrent de vraag of er bij U2 letsel (zowel fysiek als psychisch) aanwezig is (geweest) in de mond en aan de flanken en zo ja of er sprake is van blijvend letsel. Voorts wenst zij duidelijkheid te verkrijgen omtrent de oorzaak van en het moment van ontstaan van het letsel (zowel fysiek als psychisch) van U2 alsmede omtrent de huidige inzetbaarheid van U2 en de verwachting daarvan voor de toekomst. Bij gelegenheid van de gehouden mondelinge behandeling in hoger beroep is in het kader van de aan de deskundige te stellen vragen van de kant van verweerders aan de orde gesteld dat vlak bij de Academy [de Academy] hooi aanwezig is geweest met giftig onkruid. Die vervuiling zou in de Eiffel (Duitsland), alwaar het hooi is vervaardigd, tussen het hooi terecht gekomen zijn. 22 paarden zijn in verband hiermee na besmetting afgemaakt, geëuthanaseerd. Omdat naar het inzicht van verweerders U2 ook hiermee besmet kan zijn geweest wensen zij de navolgende vragen aan de veterinair deskundige voor te leggen:

-Kan verdikt slijmvlies bij de kaken van een paard ook duiden op het eten, althans gegeten hebben van vervuild hooi?

-Kan het eventueel door de veterinair deskundige geconstateerde letsel van U2 verband houden met ‘Herfststijlloos’?

Het hof zal onder meer alle hiervoor vermelde vragen aan de veterinair deskundige voorleggen.

2.4.4.

Het hof zal de kosten van de deskundige voorshands ten laste van [verzoekster] als verzoekende partij te brengen. In verband met het bepaalde in artikel 195 Rv dient [verzoekster] na te melden voorschot ter griffie te deponeren.

2.4.5.

De behandeling van de verzoeken tot het houden van een deskundigenonderzoek door een paardentaxateur en tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor zullen worden aangehouden. Na het uitbrengen van het deskundigenbericht zullen partijen, te beginnen met [verzoekster] , zich nader mogen uitlaten omtrent de betekenis van het deskundigenbericht voor de nog te behandelen verzoeken.

2.5.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

Het hof:

wijst het verzoek van [verzoekster] tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek met benoeming van een veterinair deskundige toe;

gelast dat een deskundigenonderzoek wordt verricht waarbij aan de deskundige de navolgende vragen worden voorgelegd:

1. Is bij U2 letsel (zowel fysiek als psychisch) aanwezig (geweest) in de mond en/of aan de flanken?

2. Zo ja, is er sprake van blijvend letsel?

3. Wat zijn de bevindingen van de deskundige ten aanzien van de oorzaak van en het moment van ontstaan van het letsel (zowel fysiek als psychisch) van U2?

4. Wat zijn de bevindingen van de deskundige omtrent de huidige inzetbaarheid van U2 en de verwachting daarvan voor de toekomst?

5. Kan verdikt slijmvlies bij de kaken van een paard ook duiden op het eten, althans gegeten hebben van vervuild hooi?

6. Kan het (eventueel) door de veterinair deskundige geconstateerde letsel van U2 verband houden met (het nuttigen van) ‘Herfststijlloos’?

7. Heeft de deskundige zelf naar aanleiding van de inhoud van het dossier en zijn bevindingen in zijn onderzoek nog opmerkingen die hij relevant acht?

benoemt tot deskundige ter beantwoording van deze vragen:

Prof. Dr. Pieter Brama

University college Dublin, School of veterinary medecine, UCD veterinary science centre, Belfield, Dublin [nummer] Ireland.

( [email-adres] )

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote (gezamenlijke) bedrag van € 6.519,-- inclusief btw (af te dragen conform het hoogste mogelijk van toepassing zijnde tarief, als nader vast te stellen);

bepaalt dat partij [verzoekster] wordt belast met de betaling van genoemd voorschot van € 6.519,--(zijnde inclusief btw);

bepaalt dat partij [verzoekster] laatstgenoemd bedrag zal voldoen na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundige, indien de kosten op enig moment het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

benoemt mr. A.P. Zweers-van Vollenhoven tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dienen te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

bepaalt dat de datum en tijd waarop de deskundige ter plaatse onderzoek zal verrichten, door de deskundige zal worden vastgesteld in overleg met de advocaten van partijen; partijen en hun eventuele adviseurs dienen in de gelegenheid te worden gesteld bij het onderzoek aanwezig te zijn;

bepaalt dat na het uitbrengen van het deskundigenbericht een nadere termijn zal worden bepaald voor een memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [verzoekster] , waarna de overige partijen een gelijke termijn zal worden vergund voor een respectieve antwoordmemorie;
houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2017.