Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1419

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
18-05-2017
Zaaknummer
16/00079
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:3, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vakantiepark met 40 chalets en 86 stacaravans dient naar het oordeel van het Hof tot woning als bedoeld in artikel 220a, lid 2, van de Gemeentewet, omdat meer dan 80% van de waarde toe te rekenen is aan woondoeleinden. Aan de duur van het gebruik van de recreatiewoningen komt geen betekenis toe. Evenmin is van belang of sprake is van volgtijdig gebruik.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 220a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2017/303
V-N Vandaag 2017/1164
FutD 2017-1267
Viditax (FutD), 05-01-2018
NTFR 2017/1642 met annotatie van mr. E.G. Borghols, Van den Bosch & partners
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00079

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en het incidenteel hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Valkenswaard,

hierna: de Heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 24 december 2015, nummer SHE 14/4384, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende na te melden aanslagen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2014 ter zake van de onroerende zaak [adres] 183A te [A] (hierna ook: de onroerende zaak) een aanslag in de onroerende-zaakbelastingen (gebruikersdeel) van € 5.441 en een aanslag onroerende-zaakbelastingen (eigenaarsdeel) van € 6.778 opgelegd. Tevens is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 3.538.000. Deze aanslagen en beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Heffingsambtenaar gehandhaafd. In hetzelfde geschrift heeft de Heffingsambtenaar ook uitspraak gedaan op bezwaar betreffende het object [adres] 183.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken, voor zover zij betrekking hebben op de onroerende zaak, in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de bestreden uitspraak, voor zover die ziet op de onroerende zaak, vernietigd, de waarde van de onroerende zaak per waardepeildatum
1 januari 2013, voor het kalenderjaar 2014 vastgesteld op € 3.200.000 en de daarop gebaseerde aanslag OZB eigenaarsdeel dienovereenkomstig verminderd, de aanslag gebruikersdeel van de onroerende zaak verminderd naar een grondslag van € 1.099.200, bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar, de Heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 328 aan belanghebbende te vergoeden en de Heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.544.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 503.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De Heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om het incidentele hoger beroep te beantwoorden.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgehad op 16 januari 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [B] , gemachtigde van belanghebbende, vergezeld van de heer [C] , taxateur, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heer [D] , mevrouw [E] en de heer [F] , taxateur.

1.7.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

De onroerende zaak betreft een vakantiepark met 40 comforthomes/chalets en 86 stacaravans, centrumvoorzieningen als een restaurant/eetcafé, een indoorspeeltuin en een kidsclub/recreatieruimte, een zwembad met was- en kleedruimte, sanitaire ruimtes, een kampeerterrein, spel- en sportvoorzieningen als een voetbalveld, een midgetgolfbaan en een skelterbaan/trampoline/kinderboerderij, parkwegen en parkeerterreinen. De perceelsoppervlakte is 68.940 m².

2.2.

Belanghebbende beroept zich op een onderzoeksrapport, opgemaakt op 3 februari 2016 door de heer [C] , WOZ specialist en registertaxateur onroerende zaken. In dit onderzoeksrapport is voor de toepassing van artikel 220a van de Gemeentewet € 2.620.000 (81,9%) van de waarde van de onroerende zaak toegerekend aan delen, die tot woning dienen dan wel dienstbaar zijn aan woondoeleinden, en is € 580.000 (18,1%) van de waarde, toegerekend aan delen die niet tot woning dienen.

2.3.

De Heffingsambtenaar beroept zich op een gecorrigeerde vervangingswaardeberekening, waarin is vermeld dat voor de toepassing van artikel 220a, lid 2, van de Gemeentewet 55,71% (€ 1.730.685) van de waarde van de onroerende zaak kan worden toegerekend aan delen, die dienen tot woning dan wel dienstbaar zijn aan woondoeleinden (namelijk € 1.546.725 voor de recreatiewoningen en € 183.960 voor grond behorende bij de recreatiewoningen), en 44,29% (€ 1.375.824) moet worden toegerekend aan delen die niet dienen tot woning. In deze gecorrigeerde vervangingswaardeberekening is voorts voor de toepassing van artikel 220e van de Gemeentewet vermeld dat waarde van de onroerende zaak voor 65,65% ziet op gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Dient de onroerende zaak tot woning als bedoeld in artikel 220a, lid 2, van de Gemeentewet?

2. Indien vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord: Dient de heffingsmaatstaf te worden verminderd met de waarde van de gedeelten van de onroerende zaak, die in hoofdzaak dienen tot woning dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden, als bedoeld in artikel 220e van de Gemeentewet?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord.
De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Heffingsambtenaar en tot vernietiging van de aanslag onroerende-zaakbelastingen gebruikersdeel en vermindering van de aanslag onroerende-zaakbelastingen eigenaarsdeel tot een bedrag berekend naar het tarief voor woningen.

De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep, gegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar ingestelde beroep.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

De Heffingsambtenaar heeft het Hof verzocht om gebruik te maken van de mogelijkheid de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen dan wel de zaak aan te houden totdat de Hoge Raad in andere - naar het Hof aanneemt vergelijkbare - procedures gestelde prejudiciële vragen heeft beantwoord. Het Hof willigt dat verzoek niet in. In de onderhavige procedure dienen diverse feitelijke vragen te worden beantwoord. De zaak leent zich daarom niet voor aanhouding of voor het stellen van prejudiciële vragen.

Ten aanzien van het geschil

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het recreatiepark één terrein vormt dat is bestemd voor verblijfsrecreatie, dat voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) als één onroerende zaak moet worden aangemerkt met de daaraan toe te kennen totale waarde van € 3.200.000 per de waardepeildatum 1 januari 2013. Partijen houdt verdeeld de vraag of de onroerende zaak tot woning als bedoeld in artikel 220a, lid 2, van de Gemeentewet dient.

4.3.

Op grond van het bepaalde in artikel 220a, lid 2, van de Gemeentewet, dient een onroerende zaak in hoofdzaak tot woning, indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet WOZ is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak, die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

4.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 16 september 2016, nr. 15/04476, ECLI:NL:HR:2016:2084 en nr. 15/05193, ECLI:NL:HR:2016:2085, het volgende beslist:

“2.3.1. Recreatiewoningen als de onderhavige zijn blijkens de in onderdeel 2.1.2 vermelde faciliteiten en voorzieningen bestemd om daarin te verblijven, te slapen en de overige woonfaciliteiten en voorzieningen te gebruiken. De recreatiewoningen zijn aldus op zichzelf beschouwd naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen. Zij zijn daarom aan te merken als woning. De omstandigheid dat permanente bewoning ingevolge gemeentelijke voorschriften niet is toegestaan, brengt geen wijziging in de aard en de inrichting, en daarmee de bestemming van de woning (vgl. HR 2 maart 1994, nr. 29642, ECLI:NL:HR:1994:ZC5609, BNB 1994/115).

2.3.2.

Het vorenstaande vindt ook bevestiging in de parlementaire toelichting bij de invoering van tariefdifferentiatie in artikel 220f van de Gemeentewet. Daarin is vermeld dat recreatiewoningen vallen onder het begrip woning in die bepaling (Kamerstukken II 1996/97, 25037, nr. 3, blz. 20, aangehaald in onderdeel 4.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). De mogelijkheid van permanente bewoning is daarbij niet als eis gesteld.

2.3.3.

Voor zover de Rechtbank haar oordeel mede heeft doen steunen op het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2013, nr. 11/05565, ECLI:NL:HR:2013:1125, BNB 2014/52, verliest zij daarbij uit het oog dat het in dat geval ging om een verpleeghuis, waarbij - als geheel beschouwd - de functie van verzorging en verpleging vooropstaat. Niettemin kunnen gedeelten van een dergelijk verpleeghuis voor mensen die daarin duurzaam verblijven in hoofdzaak dezelfde functie hebben als de vergelijkbare gedeelten van een woning, zo is in voormeld arrest overwogen. Dat brengt echter niet mee dat opstallen als de onderhavige recreatiewoningen, die als geheel naar aard en inrichting bestemd en geschikt zijn om te worden gebruikt als woning, die hoedanigheid verliezen als zij niet voor permanente bewoning worden gebruikt.”

4.5.

De Heffingsambtenaar heeft niet bestreden dat de tot de onroerende zaak behorende recreatiewoningen blijkens hun faciliteiten en voorzieningen bestemd zijn om daarin te verblijven, te slapen en de overige woonfaciliteiten en voorzieningen te gebruiken. Alsdan zijn de recreatiewoningen op zichzelf beschouwd naar aard en inrichting zowel bestemd als geschikt om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen en zijn ze daarom aan te merken als woning. Voor zover de Heffingsambtenaar beroep doet op het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 1990, nr. 26605, VN 1990/3545, kan het Hof hem daarin niet volgen. Dat arrest is immers gewezen in het kader van artikel 61a, lid 5, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (WIR) en kan niet in het kader van het thans aan de orde zijnde geschil naar analogie worden toegepast.

Anders dan de Heffingsambtenaar stelt, komt geen betekenis toe aan de duur van het gebruik van de betreffende recreatiewoningen en is evenmin van belang of sprake is van volgtijdig gebruik van de recreatiewoningen.

Het incidenteel hoger beroep moet ongegrond worden verklaard.

4.6.

Belanghebbende heeft gemotiveerd gesteld dat de (aanschaf)waarde van de recreatiewoningen op haar recreatiepark hoger is dan de door de Heffingsambtenaar in aanmerking genomen waarde. De Heffingsambtenaar heeft daartegenover ter zitting ter onderbouwing van de door hem verdedigde aanschafwaarde van € 15.525 een internetverkoopadvertentie van een recreatiewoning getoond, waarin is vermeld dat die recreatiewoning een occasion betreft. Het Hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient, in beginsel de waarde in het economisch verkeer - en niet zoals de Heffingsambtenaar heeft gedaan, de gecorrigeerde vervangingswaarde - van de onroerende zaak en van de onderscheiden onderdelen tot uitgangspunt genomen dient te worden, nu sprake is van woningen (zie artikel 17, lid 3, van de Wet WOZ). Voorts kan aan de vraagprijs op internet van een tweedehands recreatiewoning geen aanwijzing met betrekking tot de waarde, en zeker niet met betrekking tot de nieuwwaarde, van een recreatiewoning worden ontleend. De Heffingsambtenaar heeft overigens de door hem verdedigde waarde van de recreatiewoningen niet onderbouwd.

Gelet op het voorgaande heeft de Heffingsambtenaar tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat de recreatiewoningen, exclusief de ondergrond, een waarde vertegenwoordigen van € 1.546.725.

4.7.

De Heffingsambtenaar heeft, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, voorts niet aannemelijk gemaakt dat aan de (onder)grond behorend bij de recreatiewoningen een waarde van € 14,60 per m² (totaal € 183.960) dient te worden toegekend. De enkele stelling dat deze waarde is ontleend aan marktgegevens van andere recreatieparken, is daartoe onvoldoende. Het Hof acht voorts een waarde van € 14,60 per m² niet reëel in het licht van de door de (taxateur van de) Heffingsambtenaar genoemde prijs van landbouwgrond van tussen de € 5 en € 10 per m².
Het Hof is, gelet op de door de Heffingsambtenaar overgelegde plattegrond, voorts van oordeel dat de parkeerterreinen (met een waarde van € 135.291) en de parkwegen, anders dan de Heffingsambtenaar verdedigt, eveneens nagenoeg geheel dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Gelet op al het vorenoverwogene heeft de Heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat slechts € 1.730.685 van de waarde van de onroerende zaak in hoofdzaak tot woning dient als bedoeld in artikel 220a van de Gemeentewet.

4.8.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof de door haar verdedigde waarderingsmethodiek toegelicht en daarbij aangegeven, dat zij bij de waardebepaling is uitgegaan van de exploitatiemogelijkheden van de onroerende zaak. Om die reden heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof terecht de strook bosgrond rond het recreatiepark niet afzonderlijk gewaardeerd.

Het Hof hecht geloof aan de door belanghebbende vermelde waarde van de recreatiewoningen van € 1.675.000, die – naar belanghebbende ter zitting heeft verklaard – is ontleend aan de historische prijzen van door belanghebbende zelf gekochte recreatiewoningen. Het Hof acht voorts aannemelijk, dat gelet op de exploitatiemogelijkheden van de onroerende zaak, de waarde van de grond behorend bij de recreatiewoningen hoger is dan de door de Heffingsambtenaar gestelde waarde van
€ 14,60 per m². Het Hof ziet in hetgeen de Heffingsambtenaar heeft aangevoerd geen aanleiding de door belanghebbende verdedigde waarde van € 75 per m² niet te volgen.

4.9.

Gelet op het vorenoverwogene heeft belanghebbende de door haar verdedigde toerekening van de waarde aan woondoeleinden en niet-woondoeleinden aannemelijk gemaakt. De waarde van de onroerende zaak is voor meer dan 81,9%, zoals vermeld in het rapport van de taxateur [C] , toe te rekenen aan woondoeleinden, zodat de onroerende zaak in hoofdzaak dienstbaar is aan woondoeleinden zoals bedoeld in artikel 220a, lid 2, van de Gemeentewet. Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond en het incidenteel hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten, de uitspraken van de Heffingsambtenaar, voor zover betrekking hebbende op de onroerende zaak, en de aanslag onroerende-zaakbelastingen (gebruikersdeel) moeten worden vernietigd en de aanslag onroerende-zaakbelastingen (eigenaarsdeel) moet worden verminderd tot een naar het tarief voor woningen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 503 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is en het incidentele hoger beroep van de Heffingsambtenaar ongegrond, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.13.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 990.

4.14.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken van de Heffingsambtenaar bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Heffingsambtenaar, voor zover die zien op de onroerende zaak;

  • -

    vernietigt de aanslag onroerende-zaakbelastingen (gebruikersdeel);

  • -

    vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen (eigenaarsdeel) tot een berekend naar het tarief voor woningen;

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 503 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990.

Aldus gedaan op 30 maart 2017 door J. Swinkels, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.