Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1351

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
20-002470-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:4672, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Integrale vrijspraak afpersing en oplichting. Betreft fraude met telefoonabonnementen. Vrijspraak afpersingen wegens onvoldoende steunbewijs en wisselende verklaringen van aangever. Vrijspraak oplichtingen omdat een enkele leugenachtige verklaring van onvoldoende gewicht is voor een bewezenverklaring en omdat de gang van zaken voor aangever aanleiding had moeten zijn de onjuiste voorstelling van zaken door verdachte te onderkennen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002470-15

Uitspraak : 29 maart 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 31 juli 2015 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-238214-14 en 01-820107-15, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] ,

thans uit anderen hoofde verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

De inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016. Het hof heeft op 3 augustus 2016 vervolgens een tussenarrest gewezen en het onderzoek ter terechtzitting heropend teneinde getuige [aangever 3] alsnog ter terechtzitting te horen en [verbalisant 1] aanvullend proces-verbaal op te laten maken. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens hervat en wederom gesloten op 15 maart 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de strafoplegging en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 5 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte integraal zal vrijspreken. Voorts heeft de verdediging het hof verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de vrijspraken door de rechtbank van het onder parketnummer 01/238214-14 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en van het onder parketnummer 01/820107‑15 onder 1 impliciet cumulatief ten laste gelegde voor zover dit betrekking heeft op [aangever 1] en [aangever 2] . Gelet op het bepaalde in artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:


Zaak met parketnummer 01-820107-15:
1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2013 tot en met 6 juli 2013 te Tilburg en/of 's-Hertogenbosch en/of Eindhoven en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[aangever 3] en/of [aangever 4] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 3] en/of [aangever 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of het aangaan van een of meer schulden (bij een of meer telefoonwinkels en/of telecomproviders),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s)

  • -

    die [aangever 3] heeft/hebben gezegd dat hij nu zijn eerste opdracht zou gaan uitvoeren en/of daarbij dreigend voor die [aangever 3] is/zijn gaan staan en/of

  • -

    aan die [aangever 3] de opdracht heeft/hebben gegeven tussen hen (verdachte en/of zijn mededader(s)) in te lopen en/of te volgen en/of (vervolgens)

  • -

    die [aangever 3] (meermalen) een pistool (althans een daarop gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond en/of (daarbij) dreigend heeft/hebben gezegd dat hij ( [aangever 3] ) mee moest werken omdat hij anders met "deze" (het getoonde pistool) te maken zou krijgen, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

  • -

    aan die [aangever 4] de opdracht heeft/hebben gegeven (nog) vier telefoonabonnementen op zijn naam te zetten en/of (daarbij) dreigend heeft gezegd dat die [aangever 4] anders niet heel thuis zou komen en/of dat hij en/of zijn mededader(s) die [aangever 4] in elkaar zou(den) slaan, althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

  • -

    die [aangever 4] in een auto heeft/hebben getrokken en/of (vervolgens) een pistool (althans een daarop gelijkend voorwerp) heeft/hebben getoond en/of

- ( (telkens) door hun/zijn (gezamenlijke) aanwezigheid en/of houding een dusdanig overwicht heeft/hebben uitgeoefend dat hij/zij voor die [aangever 3] en/of [aangever 4] een bedreigende situatie heeft/hebben geschapen;

2.hij in of omstreeks de periode van 1 april 2013 tot en met 31 mei 2013 te Eindhoven en/of 's-Hertogenbosch en/of Tilburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [aangever 7] en/of [aangever 4] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een of meer mobiele telefoons, in elk geval van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld (bestaande uit het afsluiten van een of meer telefoonabonnement(en))

hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

  • -

    tegen die [aangever 5] gezegd dat hij voor het afsluiten van meerdere telefoonabonnementen een hoeveelheid geld (600 euro) zou krijgen en/of

  • -

    die [aangever 5] een adres gegeven welke hij bij (een) telefoonwinkel(s) op kon geven als zijnde zijn woonadres en/of

  • -

    tegen die [aangever 6] gezegd dat hij snel geld kon verdienen met het afsluiten van telefoonabonnementen en/of

  • -

    gezegd dat die [aangever 6] nog dezelfde dag (van het afsluiten van het telefoonabonnement) uit het systeem zou worden gehaald en/of hij er daarna niets meer van zou horen

  • -

    (meermalen) gezegd tegen die [aangever 6] dat hij nog meer abonnementen af moest sluiten alvorens hij zijn geld zou krijgen en/of

  • -

    tegen die [aangever 7] gezegd dat hij voor tweemaal 0,01 cent pinnen in (een) telefoonwinkel(s) 500 euro zou krijgen en/of

  • -

    tegen die [aangever 7] gezegd dat hij 700 euro zou krijgen voor het afgeven van drie telefoons welke die [aangever 7] zou verkrijgen bij het afsluiten van telefoonabonnementen en/of

  • -

    tegen [aangever 4] gezegd dat hij een vergoeding (500 euro) zou krijgen voor het op zijn naam afsluiten van een telefoonabonnement met een daarbij behorende telefoon en/of

  • -

    (daarbij) gezegd dat hij, verdachte(n), iemand kende(n) die bij een telecombedrijf werkte en dat diegene kon regelen dat het abonnement gewist kon worden en/of

  • -

    die [aangever 4] een adres gegeven welke hij op kon geven als zijn woonadres,

waardoor die [aangever 5] , [aangever 6] , [aangever 7] en/of [aangever 4] (telkens) werden bewogen tot bovenomschreven afgifte(n) en/of aangegane schuld(en).

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Zaak met parketnummer 01-820107-15: Feit 1

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01‑820107-15 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Aan de verdachte is in deze, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd de afpersing van (a.) [aangever 3] en (b.) [aangever 4] .

ad a. Voor wat betreft aangever [aangever 3] constateert het hof dat er wel aanwijzingen zijn dat aangever onder bedreiging met geweld werd gedwongen tot de afgifte van een of meer gsm’s, maar dat zijn verklaring bij de politie dat hij daartoe werd gedwongen door – onder meer – een persoon genaamd ‘ [alias 1] ’, waarmee de verdachte wordt bedoeld, onvoldoende steun vindt in overige bewijsmiddelen. Voorts constateert het hof dat de aangever op drie afzonderlijke momenten, te weten bij de politie, bij de raadsheer-commissaris en ter terechtzitting van het hof, telkens afwijkende verklaringen heeft afgelegd. Deze afwijkingen hebben zowel betrekking op de vraag of sprake was van bedreiging met geweld als op de vraag welke rol de betrokken personen daarbij hadden. Gelet hierop acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen, [aangever 3] heeft afgeperst.

ad b. Ook de aangifte van [aangever 4] vindt voor wat betreft de afpersing onvoldoende steun in overige bewijsmiddelen. Hoewel het dossier aanknopingspunten bevat voor wat betreft de modus operandi acht het hof die voor wat betreft de afpersing van [aangever 4] onvoldoende. Bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs acht het hof de afpersing van [aangever 4] dan ook niet bewezen.

Zaak met parketnummer 01-820107-15: Feit 2 ten aanzien van [aangever 5] , [aangever 6] , [aangever 7] en [aangever 4]

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01‑820107-15 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, voor zover het betreft de oplichting van (a.) [aangever 5] , (b.) [aangever 6] , (c) [aangever 7] , en (d) [aangever 4] , zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Gelet op verklaringen van en de fotoherkenning door [aangever 5] , [aangever 6] en [aangever 7] gaat het hof ervan uit dat met de in de aangiftes en getuigenverklaringen genoemde persoon genaamd [alias 1] dan wel [alias 2] of [alias 3] , de verdachte wordt bedoeld.

ad a. De aangifte door [aangever 5] dat hij door ‘ [alias 1] ’, zijnde de verdachte, is opgelicht vindt onvoldoende steun in overige bewijsmiddelen. Hoewel getuige [aangever 3] bij de politie, bij de raadsheer‑commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep wisselende verklaringen heeft afgelegd over eenieders rol bij het afsluiten van de telefoonabonnementen, waaronder de rol van [aangever 5] , zijn in zijn verklaringen aanwijzingen te vinden dat [aangever 5] een wezenlijk andere rol heeft gehad bij de feiten dan [aangever 5] zelf heeft verklaard. Mede gelet op deze verklaringen, in combinatie met het ontbreken van voldoende steunbewijs voor de juistheid van de verklaring van [aangever 5] , zijn bij het hof twijfels gerezen over de betrouwbaarheid van de verklaring van [aangever 5] . Gelet hierop is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [aangever 5] .

ad b. Door [aangever 6] is verklaard dat aan hem door een persoon genaamd [alias 2] of [alias 3] , zijnde de verdachte, was toegezegd dat hij geld zou ontvangen voor het afsluiten van telefoonabonnementen. Bij het afsluiten van die abonnementen ontving [aangever 6] gsm’s die aan de verdachte werden gegeven. Door [getuige 1] is dit bevestigd. Voorts heeft [getuige 1] verklaard dat door de verdachte dan wel de jongens die bij de verdachte waren werd gezegd dat het geen kwaad kon, dat er niets kon gebeuren en dat het geen gevolgen had. [aangever 6] heeft uiteindelijk het aan hem toegezegde geldbedrag niet gekregen.

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of sprake is van oplichting. In de kern gaat het in de onderhavige zaak om niet meer dan het doen van een enkele leugenachtige mededeling: door de verdachte is aan aangever geld beloofd voor het afsluiten van telefoonabonnementen, welke belofte niet werd nagekomen. Het hof acht dit niet voldoende om van oplichting te kunnen spreken. Daarvoor is de leugenachtige mededeling niet van voldoende gewicht, ook niet in combinatie met de mededeling dat het geen kwaad kon, dat er niets kon gebeuren en dat het geen gevolgen had. Er zijn naast de leugenachtige mededeling ook geen andere omstandigheden die tot misleiding van aangever konden leiden. Zo is bijvoorbeeld niet gebleken van enige vertrouwensrelatie tussen aangever en de verdachte waarvan de verdachte misbruik zou hebben gemaakt. Ook is geen sprake van het aannemen van een valse naam waardoor aangever zou zijn misleid, noch van een valse hoedanigheid. Dat de verdachte zich heeft voorgedaan als ‘bonafide’ betaler voor de diensten van aangever is niet voldoende, mede gelet op de omstandigheid dat ook voor aangever duidelijk moet zijn geweest dat door het – op verzoek van de verdachte – afsluiten van de abonnementen de betreffende providers werden misleid en de verdachte dan ook niet zonder meer als een betrouwbare partner kon worden aangemerkt.

Voorts overweegt het hof dat de gang van zaken aangever aanleiding had moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen. Aangever wilde echter zelf op een makkelijke manier geld verdienen door - op verzoek van de verdachte - telefoonabonnementen af te sluiten en heeft geen verdere navraag gedaan. Wel is uit het onderzoek gebleken dat de verdachte meerdere personen ertoe heeft gebracht telefoonabonnementen af te sluiten en dat hij daarbij misbruik heeft gemaakt van kwetsbare personen waarvan juist niet kan worden verwacht dat zij de onjuiste voorstelling van zaken door de verdachte hadden moeten onderkennen. Het hof heeft voor wat betreft de persoon van aangever in het dossier hiervoor echter geen aanknopingspunten gevonden.

ad c. Ook door [aangever 7] is verklaard dat aan hem door ‘ [alias 1] ’, zijnde de verdachte, was toegezegd dat hij geld zou ontvangen voor het afsluiten van telefoonabonnementen, welke toezegging niet is nagekomen. Ook hier gaat het in de kern om niet meer dan het doen van een onware mededeling. Het hof is, mede gelet op hetgeen hiervoor onder b) is overwogen, van oordeel dat dit onvoldoende is voor een bewezenverklaring van oplichting.

ad d. Door [aangever 4] is eveneens aangifte gedaan van oplichting. Ook aan hem werd de toezegging gedaan dat hij geld zou ontvangen voor het afsluiten van telefoonabonnementen en werd die toezegging niet nagekomen. Voorts werd hem verteld dat de abonnementen gewist zouden worden door een kennis.

Hoewel hier wel sprake is van meer dan een enkele leugenachtige mededeling acht het hof deze mededelingen niet een voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen om van oplichting te kunnen spreken. Bovendien had de gang van zaken aangever aanleiding moeten geven de onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen. Het hof heeft voor wat betreft de persoon van aangever in het dossier geen aanknopingspunten gevonden dat dit niet van hem kon worden gevergd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof niet bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 4]

De benadeelde partij [aangever 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 7.211,76. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Nu aan de verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [aangever 4] in zijn vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 5]

De benadeelde partij [aangever 5] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.284,28. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Nu aan de verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [aangever 5] in zijn vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 7]

De benadeelde partij [aangever 7] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.306,50. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Nu aan de verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [aangever 7] in zijn vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 01-238214-14 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak 01/820107-15 onder 1 impliciet cumulatief ten laste gelegde voor zover dit betrekking heeft op [aangever 1] en [aangever 2] .

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 01-820107-15 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 4]

Verklaart de benadeelde partij [aangever 4] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 5]

Verklaart de benadeelde partij [aangever 5] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 7]

Verklaart de benadeelde partij [aangever 7] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. O.A.G. Corten, griffier,

en op 29 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.