Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1349

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
200 148 947_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:1425
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:136
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1696
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:732
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op hof Den Bosch 20 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:136, hof Den Bosch 12 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1696 en hof Den Bosch 1 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:732. Teelt en verkoop van uien. Vordering tot betaling koopsom. In reconventie schadevergoeding wegens gestelde gebreken aan de uien. Deskundigenonderzoek naar oorzaak gebreken. Bewijslast en risico van het niet meer voorhanden zijn van bewijsmiddelen.

Na nadere bewijslevering waaronder nader deskundigenonderzoek wordt het bewijs niet geleverd geacht. Vorderingen teler toegewezen, vorderingen koper afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.148.947/01

arrest van 28 maart 2017

in de zaak van

Akkerbouwbedrijf [Akkerbouwbedrijf],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna: [Akkerbouwbedrijf] ,

advocaat: mr. Th.J.H.M. Linssen te Tilburg,

tegen

[Uien] Uien B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna: [Uien] ,

advocaat: mr. W.M. Bijloo te Middelharnis,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 1 juli 2014, 20 januari 2015, 12 mei 2015 en 1 maart 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda onder zaaknummer 02/246940/HA ZA 12-191 gewezen vonnis van 12 februari 2014.

14 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 1 maart 2016;

  • -

    het (aanvullend) deskundigenbericht van 6 april 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête van 4 juli 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de contra-enquête van 15 september 2016;

  • -

    de memorie na enquête en deskundigenbericht, tevens akte overlegging productie van [Uien] van 18 oktober 2016 met een productie;

  • -

    de memorie na enquête en deskundigenbericht van [Akkerbouwbedrijf] van 15 november 2016 met een productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

15 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

15.1.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof:

1. [Uien] toegelaten te bewijzen dat de droging van de uien van [Akkerbouwbedrijf] in de toen door [Uien] gebruikte MDI goed is verlopen, dat daarbij verhitters zijn gebruikt, dat de halzen van de uien goed zijn ingedroogd, dat dit proces in één à twee weken gerealiseerd was en voorts, dat de uien van [Akkerbouwbedrijf] droog zijn gebleven in de door [Uien] gebruikte MDI door drogende lucht door de uienhoop te blazen en dat de uien droog de container zijn ingegaan naar de verschillende exportbestemmingen, en tevens

2. bepaald dat de bij tussenarrest van 12 mei 2015 benoemde deskundige (ir. C.L.M. de Visser, PPO [vestigingsplaats] ) nader deskundigenonderzoek verricht naar de vraag of blauwgroen schimmelpluis enkel door Penicillium kan worden veroorzaakt en niet door koprot en, voor het geval enkel Penicillium blauwgroen schimmelpluis kan veroorzaken en de uien derhalve besmet moeten zijn geweest met Penicillium, waar de Penicillium dan op de uien terecht is gekomen (op het veld of in de bewaring) en waar de beschadiging aan de uien, die de Penicillium kennelijk nodig heeft om in/op de uien te komen, is ontstaan (op het veld of in de bewaring).

15.1.2.

[Uien] heeft vijf getuigen doen horen: [directeur van Uien B.V.] (directeur van [Uien] ), [expert] (die eerder in deze zaak rapporteerde; rov. 6.5.2 tussenarrest 20 januari 2015) en drie werknemers van [Uien] : [werknemer 1 van Uien B.V.] , [werknemer 2 van Uien B.V.] en [werknemer 3 van Uien B.V.] .

[Akkerbouwbedrijf] heeft in contra-enquête haar vennoten [vennoot 1 van Akkerbouwbedrijf] en [vennoot 2 van Akkerbouwbedrijf] doen horen, alsmede een voormalig stagiaire, [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] .

[directeur van Uien B.V.] verklaarde onder meer:

De droging van de uien is mijn verantwoordelijkheid. Dat betekent niet dat mijn mensen niet ook naar de uien kijken in de periode dat ze in de MDI zijn opgeslagen, maar zij bemoeien zich niet met het drogingsproces. Alleen ik bedien (via de computer) de ventilatoren, de kachels en de kleppen en ik lees de computergegevens. (…)

Ik zorg van tevoren dat de MDI goed functioneert. In dit geval hadden we de MDI twee of drie weken daarvoor opgesteld en alle apparatuur getest.

De computer stuurt de ventilatoren, de kachels en ook de kleppen aan. Als de buitenlucht niet geschikt is voor het ventilatie- en drogingsproces, gaan de kleppen automatisch geheel of gedeeltelijk dicht. De computer rekent uit of alleen interne of alleen externe lucht wordt gebruikt of een mix daarvan.

Van belang is wat de temperatuur van de ui is, het vochtgehalte van de ui, de temperatuur buiten en binnen en het vochtgehalte van de buitenlucht. De kachels zijn zodanig ingesteld geweest, dat de temperatuur van de ui op maximaal 20 graden Celsius bleef. (…)

De MDI bestaat uit twee lange zijwanden en een achterwand van gestapelde kisten. Er wordt overdwars geventileerd en gedroogd, door vanaf de ene zijwand lucht in de partij uien te blazen en vanuit de andere zijwand de lucht af te zuigen.

Als de volledige partij in de MDI is gelost (‘ingeschuurd’) sluiten we de laatste (in feite vierde) wand door gestapelde kisten, maar helemaal dicht krijg je het daarmee niet. We dekken het open gedeelte dan nog af met zeil, zodat ook de voorste partij uien goed gedroogd kan worden.

Het was toen, in september 2011, koel en droog weer. Ideaal voor het drogingsproces. Begin september was het wel erg nat geweest, en toen het daarna beter werd is [Akkerbouwbedrijf] gaan rooien. (…)

De partij uien van [Akkerbouwbedrijf] is in een dag of vier à vijf in de MDI gelost. Zodra de eerste zes meter daarvan vol is, zetten we de ventilatoren al aan. We beginnen dus meteen al, achterin, met het drogingsproces. U moet het zo zien dat de MDI bestaat uit acht à tien elementen van een meter of zes en als de achterste zes meter dan gevuld is, kun je daar al goed beginnen met ventileren. Ik maak een schets (die aan dit proces-verbaal wordt gehecht) van het vooraanzicht van de MDI waarin ik ook laat zien dat tegen elke zijwand ventilatoren staan met daarvoor gaas. We gebruiken ook zogenaamde multi-beams. Dat zijn dwarsbalken van ongeveer twee en een halve meter lang en veertig centimeter breed, u-vormig. Deze gebruiken we om te voorkomen dat de zijwanden uit elkaar worden gedrukt door het gewicht van de uien, maar ook om de ingeblazen en afgezogen lucht goed door de totale uienhoop te laten gaan. Bij eerdere tests, voorafgaande aan deze partij uien van [Akkerbouwbedrijf] , bleek namelijk (toen we nog niet die multi-beams gebruikten) dat een klein deel van de uien dat zich onderop in het midden bevond, niet goed droogde. Na toepassing van die multi-beams bleek dat dat probleem was verholpen.

We maken ook gebruik van voelers. Dat zijn kort gezegd temperatuur- en vochtmeters. We gebruiken er verschillende. Er is een voeler die de temperatuur en een voeler die het vochtgehalte van de buitenlucht meet. Er is verder een voeler die de kanaaltemperatuur (temperatuur ingeblazen lucht) meet. Ten slotte zijn er lange steekthermometers van ongeveer één meter lang, die je in de uien steekt en de temperatuur en het vochtgehalte van de uien meten. De gegevens daarvan worden opgeslagen in de computer. Onze computer heeft na enige tijd een update ondergaan en toen zijn deze gegevens niet bewaard gebleven.

Van belang is dat je meteen (na lossing van de uien) gaat ventileren, en dat hebben we ook gedaan. Van belang daarbij is dat je ook de temperatuur regelt, want als je alleen ventileert, koelt je product af. Daarom wordt er op het begin zo’n drie a vier graden warmere lucht ingeblazen dan de temperatuur van het product. Na een goede week was het vocht nagenoeg uit de uien. Je merkt dat omdat de temperatuur van de hoop uien stijgt en dat betekent dat ze minder verdampen. Met verdampen bedoel ik dat de uien vocht kwijtraken en als uien vocht kwijtraken, daalt hun temperatuur. Dus als de temperatuur van de hoop uien stijgt, betekent dat, dat het meeste vocht de uien al heeft verlaten. De controle hiervan vindt plaats via de computer, maar ook door mijzelf. Ik kruip regelmatig over de opgeslagen uien heen, ook bij deze partij. Als uien dan al nagenoeg zijn gedroogd, voel je dat. In droge uien zak je snel met je handen en je knieën doorheen. Ook trekken we aan de ‘staart’ van de ui en als die dan makkelijk afbreekt en knispert is dat ook een indicatie dat de ui goed is gedroogd. Zo kon ik ook constateren dat de halzen goed waren ingedroogd.

Niettemin bleven we ventileren want er blijft altijd wat vocht in de uien zitten en anders krijgen schimmels een kans. Je houdt dus ook altijd de kachel erbij. Na veertien dagen intensief drogen zijn we veertien dagen ingegaan waarin we de temperatuur van de uien heel langzaam hebben laten zakken, waarbij we erop hebben gelet dat de temperatuur altijd iets hoger was dan de buitentemperatuur.

Na die vier weken zijn de uien uit de MDI geschept (‘uitgeschuurd’). Mijn personeel doet dat. De uien waren perfect droog. Er was niks mis mee. Daarmee bedoel ik dat ze mooi droog waren. Het scheppen veroorzaakte stofwolken en de uien ritselden. Dat zijn allemaal indicaties dat de partij goed is gedroogd. U vraagt mij naar het hoge tarrapercentage. Dat klopt, er waren wel relatief veel beschadigde, rotte en beschimmelde uien. Die werden er toen uitgehaald op de inleesband. Dat is een sorteerband. U vraagt mij of rotte uien niet nog veel vocht bevatten. Ik zeg u daarop dat dat wel klopt, maar deze uien hadden nog niet in de schuur gelekt.

Ik moet ook nog even zeggen dat voordat de uien op de leesband worden gesorteerd, ze mechanisch ontstaart worden. Dat speelt zich af op een trilzeef, dat zijn een hoop vibrerende speldjes waarover de uien dan min of meer afdansen, waarbij hun staarten op een gegeven moment naar beneden zijn gericht en die worden dan aan de onderkant door een mes afgesneden. Dat afsnijden gaat natuurlijk niet of veel moeilijker als de ui veel te nat is. Het ontstaarten is in dit geval probleemloos verlopen, wat ook een indicatie is van het feit dat de partij goed droog was en dat daaraan niet afdoet dat verhoudingsgewijs ook nogal wat rotte en dus niet goed droge uien ertussen zaten.

In de periode tussen het in- en uitschuren van de uien van [Akkerbouwbedrijf] , zijn er geen problemen met de MDI geweest.

Nadat de uien van [Akkerbouwbedrijf] waren uitgeschuurd, zijn ze in zakken van vijfentwintig kilo verpakt en bij ons in de loods geplaatst op pallets, klaar voor verzending. Nog dezelfde dag of de dag erna zijn ze in de containers geplaatst. Omdat ik regelmatig over mijn bedrijfsterrein loop en controleer of alles goed gaat, heb ik ook wel (steekproefsgewijs) wat zakken gezien die de container ingingen. We wisten wel dat het geen beste partij was (hoog tarrapercentage), maar de uien die de container ingingen waren droog. De slechte waren er immers uitgehaald en die hadden dus dat hoge tarrapercentage veroorzaakt. Ik heb natuurlijk niet alle zakken die de container ingingen eerst uitgebreid bekeken.

[expert] verklaarde onder meer:

U vraagt mij of het klopt dat ik vanaf augustus 2012 bij deze zaak ben betrokken. Dat klopt. U houdt mij voor dat het vandaag gaat om het drogingsproces van de door [Akkerbouwbedrijf] geleverde partij uien en dat zich dat in september 2011 afspeelde. Het is juist dat ik niet uit eigen waarneming iets kan verklaren over het in dat geval toegepaste drogingsproces. (…)

Ik ben in augustus 2012 voor het eerst bij [Uien] op het bedrijf geweest, maar ik heb toen niet de MDI grondig bekeken. Vorige week ben ik teruggegaan naar het bedrijf van [Uien] . Toen heb ik daar de MDI gezien die gebruikt was voor de droging van de uien van [Akkerbouwbedrijf] , althans dat heb ik zo van [Uien] begrepen. Die MDI was toen niet meer opgebouwd, maar stond ingeklapt op het bedrijfsterrein. (…)

De ingeklapte MDI die voor de uien van [Akkerbouwbedrijf] was gebruikt, kon ik enkel summier bekijken. Ik kon natuurlijk niet de daarin gebruikte ventilatoren, kachels en dergelijke bekijken in die ingeklapte toestand. Wel heb ik de opgestelde MDI bekeken en ik heb geconstateerd dat dat een goed functionerende installatie was, geschikt voor de droging van uien.

[werknemer 1 van Uien B.V.] verklaarde onder meer:

Ik werk sinds begin 2006 bij [Uien] . (…) In oktober 2011 was ik beschikbaar voor het scheppen van uien. Ik wist dat in de MDI die achter de schuur was opgesteld (dat was overigens de enige MDI toen op het bedrijf van [Uien] ) uien van [Akkerbouwbedrijf] lagen opgeslagen. Dat had ik gewoon gehoord van mensen binnen het bedrijf.

Ik ben de uien uit de MDI gaan scheppen met een verreiker, een kleine shovel met schepbak. Voor het scheppen kijk ik altijd of een partij droog is, want als dat niet het geval is, gaan de uien bij ons niet het sorteerproces in en dan zou je dus voor niks scheppen.

Ik vond deze partij uien droog. Dat heb ik gecontroleerd door een aantal uien vast te pakken en aan hun staarten te trekken. Die staarten knapten goed af en waren niet taai. Bij het scheppen stoof het ook goed. De uien rolden gemakkelijk en dan hoor je ze goed ritselen. Omdat het voor mij duidelijk was dat deze partij goed droog was, was er geen reden om ook later geschepte vrachten nog te checken; ik heb deze partij van [Akkerbouwbedrijf] in enkele dagen geschept. Wel heb ik soms nog wat uien vastgepakt als ik de kanten bijpoetste. Ook van die uien knapten de staarten gemakkelijk af.

[werknemer 2 van Uien B.V.] verklaarde onder meer:

Ik werk ruim tien jaar bij [Uien] als meewerkend voorman. (…) De uien van [Akkerbouwbedrijf] werden niet droog bij ons gebracht, maar gingen bij ons het drogingsproces in. Bij dat drogingsproces ben ik niet betrokken geweest. Ik ben pas bij de partij uien van [Akkerbouwbedrijf] betrokken geraakt toen ze uit de MDI waren geschept en het sorteerproces ingingen.

Het is allemaal wel heel wat jaren geleden, maar ik kan het me zo goed herinneren omdat op het bedrijf nog veel gesproken is over deze partij omdat er ‘gedoe’ over ontstond. Daarmee bedoel ik dat we later uit het buitenland afkeuringen kregen.

Kort en goed was ik bij deze partij betrokken vanaf het moment dat de staarten van de uien werden geknipt. Dat gebeurt mechanisch. Dat ging in dit geval probleemloos en dat kan nooit bij een natte partij. Vervolgens komen de uien op een sorteerband en ik weet nog dat we er veel werk aan hadden. (…) Ik herinner me uien met bijvoorbeeld een gebutste zijkant waar een schimmeltje in zat of uien met een gebutste kop. Wel waren de uien droog, ook de gebutste. Een enkel schimmeltje maakt een ui ook niet nat.

(…)

De uien zijn droog de container ingegaan, althans daar ga ik vanuit. De uien waren immers droog bij het sorteren en ze gingen droog de zak in. Dat is het laatste wat wij ervan kunnen zien.”

[werknemer 3 van Uien B.V.] verklaarde onder meer:

Ik ben zo’n jaar of tien als bedrijfsleider werkzaam bij [Uien] . Ik ben eigenlijk bij alle activiteiten betrokken. Ik stuur mensen aan. [roepnaam van directeur van Uien B.V.] (hof: [directeur van Uien B.V.] ) is verantwoordelijk voor het drogingsproces. Ik ben verantwoordelijk voor het sorteren van droge uien.

Voordat de uien het sorteerproces ingaan, beoordeel ik of ze goed droog zijn. Ik beoordeel dat nog voordat ze uit de MDI worden geschept. Ik doe dat door met de hand door de uien heen te gaan. De uien moeten dan goed rollen en het moet goed ritselen, het loof moet knisperen en de uien moeten goed scherp zijn. Dat was in het geval van de uien van [Akkerbouwbedrijf] zo.

Ik heb de uien toen ze in de MDI waren opgeslagen een keer of drie, vier bekeken. Ik weet nog dat ik na ongeveer een week in de MDI over de partij uien van [Akkerbouwbedrijf] heen kroop en constateerde dat ze al goed winddroog waren. Daarmee bedoel ik dat het ergste vocht eruit is. Ik heb toen ook bij een paar uien aan de staart getrokken en dat brak gemakkelijk af. In de periode daarna worden de uien dan scherp. Ik ben er ook nog eens overheen gekropen vlak voor het scheppen. Dat om te beoordelen of ze droog genoeg waren om het sorteerproces in te gaan.

(…)

Ik weet nog goed dat de kwaliteit van de partij matig was. We hadden er veel werk aan om de slechte uien eruit te halen. (…) Met slechte uien bedoel ik uien met watervellen (dan is het vel om de ui heen niet goed strak) en uien met een begin van rot. Je ziet dat dan op een plek van de ui waar het buitenste vel van weg is; je kijkt dan op de rok van de ui (het eerste wit onder het bruine velletje) en je ziet daar dan wat zwarte of bruine verkleuringen. Een ui kan goed droog zijn, maar toch van slechte kwaliteit.

(…)

Toen de uien van [Akkerbouwbedrijf] in de MDI waren opgeslagen, heb ik geconstateerd dat de ventilatoren werkten (er werd lucht doorheen geblazen) en de verhitters ook. Ook tijdens het scheppen werd er nog geventileerd.

Mr. Linssen vraagt mij of je tijdens het sorteerproces er echt alle slechte uien uit kunt halen. Ik zeg daarop dat we natuurlijk eruit halen wat zichtbaar is, maar dat het mensenwerk blijft, dus dat er altijd een bepaald percentage slechte uien is wat je er niet uit haalt. (…)

[vennoot 1 van Akkerbouwbedrijf] verklaarde onder meer:

(…)

Na die vier dagen van verladen bleef nog een kleinere partij uien over die we in drie of vier big bags hebben gestopt. We hebben die thuis voor de ventilator geplaatst, zodat er lucht doorheen geblazen werd. Na een dag of tien heeft onze stagiair, [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] , deze big bags naar [Uien] gebracht. Toen [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] terug kwam vertelde hij ons dat hij de uien onder een afdak had zien liggen en dat er geen lucht doorheen werd geblazen. Wij maakten ons daar echter niet zo druk om, omdat we met [Uien] hadden afgesproken dat onze partij zou worden bewaard in een geïsoleerde bewaarplaats.

Op enig moment in de maand oktober 2011 werden wij gebeld door [directeur van Uien B.V.] . Hij vertelde ons dat hij veel werk aan de uien had en dat er sprake was van een hoog tarrapercentage. Wij zijn er toen meteen naartoe gegaan. Ik dacht dat dat 20 oktober was. (…) Met [Uien] zijn we de sorteerhal ingelopen en daar zagen we uien liggen verpakt in zakken. Dat zag er goed uit. Weliswaar hebben we geen zak open gemaakt, maar het zijn net zakken waar je dus een beetje doorheen kunt kijken.

Vervolgens zijn we gelopen naar de plaats waar onze uien werden bewaard. Dat was achter op het terrein. We zijn toen enorm geschrokken. De uien waren opgeslagen in een soort nishut. Daarmee bedoel ik een soort romneyloods, een rond gebouwtje met vrij dunne wanden waar je bijvoorbeeld landbouwwerktuigen stalt. De voor- en achterkant was open. Er was dus niet een achterwand van gestapelde kisten. Het was dus een bouwsel van twee zijwanden en een dak. Het stond bovendien op het laagste punt op het terrein en we zagen op de grond hemelwater. We liepen namelijk de ruimte in en stonden toen in een plas water waar uien in lagen. De ventilatoren stonden niet aan. Dat weet ik, omdat we zagen dat ze niet

draaiden en we hoorden ze ook niet draaien. Er waren geen kachels, althans ik heb ze niet gezien. Normaal staan die kachels achter de ventilatoren, maar daar stond nu niets achter. Ik weet niet of er kleppen (waar koude en warme lucht doorheen wordt gestuurd) waren. Ik ben ook boven op de hoop uien geklommen en ik zag daar geen voelers en bovendien geen monsterzakken liggen. Normaal gesproken liggen monsterzakken namelijk bovenop de hoop.

We hebben ook wat uien opgepakt, die voelden wat klammig aan. De uien zagen er verder wat grauwig uit. Ze hadden wat droger mogen zijn.

We waren goed nijdig en raakten in discussie daarover met [Uien] . We waren boos omdat we een duidelijke afspraak hadden gemaakt over de wijze van bewaring en daar ook een prijs voor hadden afgesproken. (…) [Uien] zei dat we ons niet zo druk moesten maken. Hij zette de ventilatoren aan en zei ons dat de uien er naar een paar uur blazen heel anders uit zouden zien.

[vennoot 2 van Akkerbouwbedrijf] verklaarde onder meer:

“(…)

Na de verlading was er nog een partij uien over die te klein was voor een vrachtwagen. Die partij hebben we in big bags gedaan en die big bags zijn toen opgeslagen in de schuur op ons bedrijf. Die schuur is normaal gesproken dicht en die gebruiken wij voor de opslag van uien waarover nog geen overeenkomst is gesloten met een afnemer en voor de opslag van aardappelen. In die schuur zijn ook kachels en ventilatoren aanwezig. Of die zijn gebruikt voor deze kleine partij uien die in de big bags zaten weet ik niet. Deze big bags zijn na een week of zo, of na een paar dagen, ik weet het niet meer precies, door onze stagiair [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] naar [Uien] gebracht. Ik heb daarna [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] niet gesproken over wat hij toen bij [Uien] heeft gezien.

Mijn broer zei op een gegeven moment dat [Uien] had gebeld dat ze veel werk hadden aan de uien en dat het niet goed was. Ik zei toen laten we dan gelijk naar [Uien] toegaan en dat hebben we gedaan. We (…) moesten even wachten op [directeur van Uien B.V.] .

Samen met hem zijn we toen in de sorteerruimte geweest. Daar lagen de uien verpakt in jute balen en op pallets. We hebben de zakken niet opengemaakt, maar je kon erdoorheen kijken. Voor zover ik dat kon beoordelen zag het er goed uit, maar ik heb ze niet door de zak heen bevoeld, althans dat kan ik me niet herinneren.

We drongen er bij [Uien] op aan om ook de opslag van onze uien te bekijken. (…) Dat was achter op het terrein. Ik ben toen erg geschrokken, want onze uien lagen daar in een soort nishut en zonder dat er sprake was van een dichte voor- en achterkant. Beide kanten waren open. Er was dus niet een kant gedicht met gestapelde kisten. Het regende op dat moment en de wind kon de regen zo naar binnen waaien. De ventilatoren stonden uit. We vroegen [Uien] naar temperatuurvoelers en kachels, maar die waren er niet. We waren nogal boos omdat het niet was wat we hadden afgesproken, namelijk dat onze uien in een geïsoleerde bewaarplaats zouden worden opgeslagen. [Uien] ging even weg en zette de ventilatoren aan. De opslagruimte stond verder op een laag punt van het erf en het regenwater liep gewoon de uienhoop in. Ik ben niet de uienhoop opgeklommen en voor zover ik weet heeft mijn broer dat ook niet gedaan. Ik heb verschillende uien gepakt en die voelden klam aan, niet droog.

(…)

Uiteindelijk zijn we daar nogal boos weggegaan (…).”

[voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] verklaarde onder meer:

In 2011 liep ik stage bij dit akkerbouwbedrijf [Akkerbouwbedrijf] . (…) Ik zat er al enige tijd toen een partij roze uien voor [Uien] werd gerooid. Bij dat rooien ben ik niet betrokken geweest, maar ik (…) ben (…) bij het verladen van de uien betrokken geweest.

Een paar weken na het verladen, maar dat kan ook vijf dagen zijn geweest of twee weken, ik weet het niet meer precies, heb ik een aantal big bags waarin nog het restant van deze partij roze uien zat naar [Uien] gebracht. (…)

Ik stond daar toen te wachten en het viel me op dat achter op het terrein een halfopen ronde schuur stond waarin een partij roze uien lag, net zulke uien als ik net in die big bags had gebracht. Ik maak een tekening van wat ik bedoel met die half open ronde schuur en ik hoor dat u deze tekening achter dit proces-verbaal gaat hechten. De opslagruimte bestond uit een soort halve cirkel waarbij de voor- en achterkant open was. De lengte van de wand zelf was denk ik enkele tientallen meters. Ik ben er even naartoe gelopen tot op enkele meters van de voorste uien. Ik keek zo op de uien. Er was dus niet een wand van gestapelde kisten of zo. De achterkant was ook open, althans ik zag over de partij uien heen gewoon licht. Ik bedoel dat ik gewoon door die halfopen ruimte, over de hoop uien heen, door kon kijken. Ik zag geen achterwand. In mijn herinnering was het gewoon open. Ik ben niet om de opslagruimte heengelopen naar de achterkant.
Ik vond het raar dat in deze ruimte uien waren opgeslagen want ik was gewend dat uien werden opgeslagen in een geïsoleerde bewaarplaats. Ik had dat ook zo geleerd in mijn opleiding. Ik heb geen kachels gezien, geen ventilatoren en geen temperatuurvoelers. Ik heb de uien niet vastgepakt. (…). Het was op dat moment droog. Ik heb geen water onder de uien zien staan.

Eenmaal terug bij [Akkerbouwbedrijf] vertelde ik aan [vennoot 1 van Akkerbouwbedrijf] wat ik had gezien. [vennoot 1 van Akkerbouwbedrijf] ging er verder niet op in. Hij zei dat hij niet beter wist dan dat zijn partij uien in een geïsoleerde schuur was opgeslagen.
Enkele weken later vertelde [vennoot 1 van Akkerbouwbedrijf] me dat hij erachter was gekomen dat die opgeslagen partij die ik had gezien toch van hem was. Hij was er niet echt blij mee.

15.1.3.

De deskundige heeft de aanvullende vragen van het hof in zijn rapport van 6 april 2016 als volgt beantwoord:

1. kan blauwgroen schimmelpluis enkel door Penicillium worden veroorzaakt en niet door koprot?

Blauwgroen schimmelpluis is onbekend voor koprot en typisch voor Penicillium. Het blaugroen schimmelpluis is naar alle waarschijnlijkheid afkomstig van een Penicillium soort.

2. voor het geval enkel Penicillium blauwgroen schimmelpluis kan veroorzaken en de uien derhalve besmet moeten zijn geweest met Penicillium, waar is de Penicillium dan op de uien terecht gekomen (op het veld of in de bewaring) en waar is de beschadiging aan de uien, die de Penicillium kennelijk nodig heeft om in/op de uien te komen, ontstaan (op het veld of in de bewaring).

Het blauwgroen schimmelpluis dat op sommige foto’s die gebruikt zijn tbv het deskundigenrapport van 6 augustus 2015 te zien is, kan zowel het gevolg zijn van schimmelsporen die op het veld als in de bewaring op de uien terecht zijn gekomen. Zoals ik in mijn rapport van 6 augustus 2015 al heb aangegeven, zijn er voor Penicillium invalspoorten nodig. (…) Als Penicillium wordt aangetroffen op organisch materiaal dan is dat omdat de natuurlijke weerstand van het organisch materiaal sterk verminderd is. Dat is ook het geval indien de schimmel op uienweefsel is aangetroffen. De mogelijke oorzaken zijn:

a) mechanische beschadiging (bijvoorbeeld tijdens klappen van het loof of bij de oogst). Met effectief drogen is de groei van de Penicillium aantasting die hiermee samenhangt, goed en eenvoudig tot staan te brengen. Slechte droging daarentegen kan de schimmel alle gelegenheid bieden het uienweefsel te koloniseren.

b) Slechte droging van de uien waardoor uitdrogend maar nog nat uienweefsel dat verminderde weerstand heeft, aanleiding kan geven tot enige Penicillium aantasting en blauwgroen schimmelpluis.

c) Een (andere) ziekteverwekker die uienweefsel heeft aangetast en verzwakt en waarop Penicillium tot groei is gekomen met blauwgroen schimmelpluis tot gevolgd.

Aan de foto’s waarop de blauwgroen schimmelpluis is te zien, is niet te zien wat de achterliggende oorzaak is van de groei van de schimmel op het vlees van de ui. Sporen van Penicillium kunnen al op het veld op de ui zijn gekomen of in de bewaring. Beide scenario’s zijn mogelijk en er is op basis van de voor hand zijnde bewijsstukken geen zekerheid te geven over welk scenario hier van toepassing is.

Naar aanleiding van vragen van de advocaten van partijen rapporteerde de deskundige nader:

Vocht is van belang voor praktisch elke schimmel en dus ook voor Penicillium. Dit vocht kan enerzijds extern vocht zijn (vocht dat aan het plantenweefsel aanhangt) of intern vocht (vocht dat integraal onderdeel uitmaakt van de weefselinhoud en door een mechanische of biologische oorzaak uit het weefsel is getreden (…). Met een goede droging kan het externe vocht snel afgevoerd worden hetgeen effectief is om een aantasting tot staan te brengen of te verhinderen. Echter, indien een ziekteverwekker die de ui aangetast heeft, steeds nieuw plantenweefsel koloniseert en dus steeds nieuw (intern) vocht aanboort, kan de groei van die schimmel (…) doorgaan ondanks een effectieve droging. Er komt sneller vocht bij dan er afgevoerd kan worden. Dit laatste is het geval bij de mogelijke oorzaak onder c) (…). Zo is het mogelijk om ook in een goed gedroogde partij uien vocht aan te treffen afkomstig uit aangetaste uien. In geval er sprake is van de afwezigheid van een ziekteverwekker zal een effectieve droging praktisch geen schimmelpluis van Penicillium laten zien. Echter, in aanwezigheid van een ziekteverwekker kan dit wel degelijk het geval zijn ondanks een droging zoals die in de praktijk als effectief wordt beschouwd.

(…)

Mochten uien (…) met intern vocht volgend op een aantasting de container in zijn gegaan, dan kan hierop van toepassing zijn hetgeen ik onder ad 1) en ad 2), lid c al heb verklaard. Mocht een aantasting van een ziekteverwekker afwezig zijn maar de uien nog steeds het nodige extern vocht hebben bevat, dan kan Penicillium zich gaan manifesteren. Bij een goede droging en in afwezigheid van een ziekteverwekker is het niet aannemelijk dat Penicillium zich manifesteert in de container.

15.1.4.

[Uien] heeft in haar memorie na enquête en deskundigenbericht, samengevat, het volgende aangevoerd. De uien zijn droog de container ingegaan. Nu bij het uitpakken van de containers in het buitenland toch Penicillium is aangetroffen, kan het niet anders dan dat de uien behept waren met koprot, wat volgens de deskundige het meest waarschijnlijke scenario is. Volgens de deskundige is het aannemelijk dat sprake was van een vroege veldbesmetting. [Uien] kon daarom de koprotaantasting niet met het drogen van de uien beperken. Dat er goed is gedroogd blijkt uit de getuigenverklaringen. De getuigen [Akkerbouwbedrijf] zijn niet tijdens de eerste twee weken van het drogingsproces op het bedrijf van [Uien] geweest. [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] weet niet meer precies wanneer hij er was. Dat de getuigen [Akkerbouwbedrijf] en [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] geen kachels en voelers hebben gezien klopt, want de uien liggen daarvoor en de voelers kan je vanaf de grond niet zien. Toen de gebroeders [Akkerbouwbedrijf] er waren stonden de ventilatoren wel degelijk aan, aldus [Uien] . [Uien] heeft verder nog een schriftelijke verklaring d.d. 10 oktober 2016 van [getuige] overgelegd, die in 2011 bij [Uien] werkte. Kort gezegd verklaart [getuige] daarin dat het drogingsproces goed is verlopen en dat de uien droog de container zijn ingegaan.

[Uien] heeft subsidiair betoogd dat zij in ieder geval heeft bewezen dat de aantasting van de uien voor het belangrijkste deel, althans voor een deel is toe te rekenen aan [Akkerbouwbedrijf] . Dat zou volgens [Uien] in het uiterste geval tot resultaat kunnen hebben dat de vorderingen over en weer moeten worden afgewezen. Meer subsidiair heeft [Uien] gesteld dat [Akkerbouwbedrijf] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het tarrapercentage en de kortingen die partijen in verband daarmee zijn overeengekomen.

15.1.5.

[Akkerbouwbedrijf] heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Vaststaat dat de uien met Penicillium behept waren. Daarmee staat volgens [Akkerbouwbedrijf] ook vast dat er in de container vocht was. Naast een slechte droging en een andere ziekteverwekker zoals koprot kan het vocht volgens [Akkerbouwbedrijf] ook zijn ontstaan door slechte omstandigheden in de container.

[Uien] heeft geen monsterzakken noch computergegevens bewaard. Zij tracht nu bewijs te leveren door middel van getuigenbewijs. De verklaringen van die getuigen zijn echter niet geloofwaardig. [directeur van Uien B.V.] is partij-getuige; diens verklaring is aan de beperking van artikel 164 lid 2 Rv onderhevig. De overige getuigen (behalve [expert] , maar die kon niets relevants verklaren) zijn werknemers van [Uien] en niet onafhankelijk. [Akkerbouwbedrijf] vindt het verder opmerkelijk dat al die getuigen voorafgaand aan hun verhoor met hun werkgever en haar advocaat hebben gesproken en dat zij zich opvallend veel details herinneren over één partij uien die zij vijf jaar eerder zagen. Ook is het vreemd dat zij zoveel over het drogingsproces verklaren, terwijl dat volgens [directeur van Uien B.V.] zijn verantwoordelijkheid was en ook enkel hij de computer bediende. Volgens [Akkerbouwbedrijf] kan mede daarom evenmin aan de verklaring van [getuige] (als productie bij de memorie van [Uien] overgelegd) veel waarde worden gehecht. [Akkerbouwbedrijf] betwist dat de in haar verklaring opgenomen foto’s zijn gemaakt toen de uien van [Akkerbouwbedrijf] in de MDI lagen. Uit een weegbon blijkt dat [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] op 5 oktober 2011 de big bags met het restant van de uien bij [Uien] heeft gebracht, dat is dertien dagen na de laatste dag waarop de uien zijn verladen. Uit zijn verklaring blijkt dat de MDI toen aan beide kanten open was. [Uien] heeft niet bewezen dat de droging in de MDI goed is verlopen. Het is onaannemelijk dat de uien in een vroeg stadium door koprot zouden zijn aangetast. Een dergelijke aantasting zou dan al lang zijn ontdekt.

Van kortingen in verband met het tarrapercentage kan bij een onjuiste droging en bewaring geen sprake zijn. Vast is komen te staan dat het beding waarbij het risico van bewaring bij [Akkerbouwbedrijf] wordt gelegd onredelijk bezwarend is. De bewaarkosten blijven voor rekening van [Uien] .

15.1.6.

Het hof oordeelt als volgt.

Het drogingsproces

15.1.7.

Het hof gaat voorbij aan de door [Uien] voor het eerst bij haar memorie na enquête ingenomen stelling - waarbij zij heeft verwezen naar de bij die memorie overgelegde verklaring van [getuige] – dat [Akkerbouwbedrijf] al vóór het ondertekenen van de overeenkomst met [Uien] akkoord was gegaan met opslag van de uien in de MDI. Het voeren van een dergelijk nieuw verweer in dit stadium van de procedure is in strijd met een goede procesorde, nog daargelaten dat in het tussenarrest van 1 maart 2016 (rov. 12.1.9) reeds is overwogen dat tussen partijen vaststaat dat de bewaring van de uien niet heeft plaatsgevonden op de contractueel afgesproken wijze.

Het hof gaat ook voorbij aan de verdere inhoud van de overgelegde schriftelijke verklaring van [getuige] . [Akkerbouwbedrijf] heeft er terecht op gewezen dat het vragen oproept dat [Uien] [getuige] niet als getuige heeft laten horen. Verder blijkt nergens uit dat de in die verklaring opgenomen foto’s, van het bestaan waarvan niet eerder in de procedure melding is gemaakt, tijdens de opslag van de uien van [Akkerbouwbedrijf] in de MDI zijn genomen en dat ze van de uien van [Akkerbouwbedrijf] zijn genomen. [Uien] heeft voor deze vraagpunten geen verklaring gegeven. Het nu nog, in dit stadium gedane aanbod van [Uien] om [getuige] alsnog als getuige te horen, wordt dan ook door het hof als strijdig met een goede procesorde gepasseerd.

15.1.8.

Ten aanzien van de waardering van het door [Uien] geleverde bewijs overweegt het hof als volgt. De verklaring van haar directeur, [directeur van Uien B.V.] , heeft beperkte bewijskracht nu [Uien] de partij is die de bewijslast heeft (artikel 164 lid 2 Rv). De door hem als getuige afgelegde verklaring kan alleen bewijs in het voordeel van [Uien] opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het de verklaring van [directeur van Uien B.V.] voldoende geloofwaardig maakt. Naar het oordeel van het hof ontbreekt zodanig aanvullend bewijs. De getuige [expert] kan niets uit eigen wetenschap verklaren omtrent het drogen van de uien van [Akkerbouwbedrijf] , noch omtrent de (kwaliteit van de) toen gebruikte MDI. De overige door [Uien] opgeroepen getuigen zijn allen werknemers van [Uien] . Dat enkele feit betekent weliswaar niet dat hun verklaringen niet geloofwaardig worden geacht, maar wel dat bij de waardering van hun verklaringen een zekere behoedzaamheid in acht moet worden genomen. In het oog springt in dit geval dat deze getuigen zo gedetailleerd en gelijkluidend kunnen verklaren omtrent het drogen van een partij uien vijf jaar eerder. Verder staan tegenover die verklaringen de verklaringen van [vennoot 1 van Akkerbouwbedrijf] en [vennoot 2 van Akkerbouwbedrijf] (welke overigens niet aan de beperking van artikel 164 lid 2 Rv onderhevig zijn nu op [Akkerbouwbedrijf] niet de bewijslast rust) en die van [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] . Het hof hecht met name aan de verklaring van [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] , die destijds als stagiaire tijdelijk werkzaam was bij [Akkerbouwbedrijf] maar ten tijde van zijn verklaring geen relatie meer met [Akkerbouwbedrijf] had. Er is geen enkele aanwijzing dat aan de geloofwaardigheid van deze verklaring moet worden getwijfeld. Het enkele feit dat [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] niet meer precies weet wanneer hij de big bags met het restant uien naar [Uien] bracht, maakt dat niet anders. [voormalig stagiaire van Akkerbouwbedrijf] weet immers wel dat dat betrekkelijk korte tijd na het verladen van de uien is geweest (“Een paar weken na het verladen, maar dat kan ook vijf dagen zijn geweest of twee weken (…)”) en dus in de periode van de eerste twee weken van het drogingsproces of kort daarna.

Ten slotte is de vermelding van de deskundige Visser, dat hij uit de foto’s afleidt dat de halzen van de uien goed zijn ingedroogd (rapport 6 augustus 2015, beantwoording vraag 1; tussenarrest 1 maart 2016 rov. 12.1.3), van onvoldoende gewicht voor een ander oordeel. Die bevinding is gemotiveerd door [Akkerbouwbedrijf] betwist en het hof acht van belang dat de deskundige de uien zelf niet heeft kunnen onderzoeken. Bovendien is de deskundige er daarbij van uitgegaan dat [Uienbedrijf] de uien door een kundige controleur heeft laten beoordelen, maar omtrent die keuring is niets bekend, aangezien [Uien] (de controleur van) [Uienbedrijf] niet als getuige heeft doen horen.

15.1.9.

Het hof neemt bovendien in aanmerking dat de gebruikte MDI is ontmanteld en niet meer onderzocht kon worden en dat de computergegevens omtrent het drogingsproces niet meer beschikbaar zijn. Beide aspecten komen voor risico van [Uien] , als de partij die de bewijslast draagt.

15.1.10.

Op vorenstaande, in onderlinge samenhang te beschouwen gronden acht het hof [Uien] niet geslaagd in het bewijs dat de droging van de uien van [Akkerbouwbedrijf] in de toen door [Uien] gebruikte MDI, kort gezegd, goed is verlopen.

Dit betekent ook dat het beroep van [Akkerbouwbedrijf] op vernietiging van de bepaling volgens welke het risico van de bewaring voor [Akkerbouwbedrijf] was, slaagt. Het hof verwijst te dien aanzien naar het tussenarrest d.d. 1 maart 2016 rov. 12.1.12.

De oorzaak van het gebrek aan de uien

15.1.11.

In het verlengde van deze bewijswaardering komt het hof ook tot het oordeel dat de oorzaak van het gebrek aan de uien niet is komen vast te staan. Weliswaar heeft de deskundige in zijn rapport van 6 augustus 2015 geconcludeerd dat koprot de meest waarschijnlijke veroorzaker is van de rot in de uien van [Akkerbouwbedrijf] en dat de infectie in dat scenario is ontstaan op het veld, maar de deskundige heeft zijn onderzoek enkel op basis van foto’s kunnen verrichten en voorop gesteld dat de foto’s geen definitief uitsluitsel over de aard van het gebrek kunnen geven (beantwoording vragen 1 en 2, tussenarrest 1 maart 2016 rov. 12.1.3) en voorts, verderop (bij de beantwoording van vraag 7) vermeld dat de foto’s onvoldoende basis hebben kunnen geven voor een identificatie van de oorzaak.

Daarbij komt dat de deskundige op 6 april 2016 aanvullend heeft gerapporteerd dat het op de uien zichtbare blauwgroen schimmelpluis onbekend is voor koprot en typisch voor Penicillium. In dat aanvullende rapport heeft de deskundige verder vermeld dat het blauwgroen schimmelpluis het gevolg kan zijn van zowel schimmelsporen die op het veld als in de bewaring op de uien terecht zijn gekomen en voorts beschreven wat de mogelijke oorzaken zijn: mechanische beschadiging (tijdens de oogst), slechte droging, een (andere) ziekteverwekker. Sommige van deze mogelijke oorzaken zouden voor risico van [Akkerbouwbedrijf] komen (beschadiging tijdens de oogst en een ziekteverwekker ontstaan op het veld), andere voor risico van [Uien] (slechte droging en een ziekteverwekker ontstaan in de bewaring; de bepaling volgens welke het risico van de bewaring voor [Akkerbouwbedrijf] was is immers vernietigd; rov. 15.1.10 ). De niet weggenomen onzekerheid omtrent de oorzaak van de gebreken aan de uien komt voor risico van [Uien] . Het is immers [Uien] die de bewijslast draagt van haar stelling dat de van [Akkerbouwbedrijf] afkomstige uien niet aan de overeengekomen kwaliteit voldoen.

15.1.12.

Bewijslevering hoeft weliswaar in het algemeen geen absolute zekerheid op te leveren, maar naar het oordeel van het hof is, mede gelet op de grote financiële belangen én het feit dat het aan [Uien] is te wijten dat doorslaggevende bewijsmiddelen niet meer voorhanden zijn, meer nodig dan een ‘meer waarschijnlijk dan niet’ scenario en is de benodigde redelijke mate van zekerheid niet bereikt. Zoals in het tussenarrest van 1 maart 2016 is overwogen (rov. 12.1.8), kan de deskundige geen uitsluitsel geven omtrent de oorzaak van de gebreken aan de uien omdat [Uien] geen monsterzakken van de desbetreffende partijen uien heeft bewaard en evenmin onderzoek aan de uien heeft laten verrichten toen zij in de Dominicaanse Republiek waren aangekomen, beide omstandigheden die voor risico van [Uien] komen, nu op haar genoemde bewijslast rust.

15.1.13.

Aan het bezwaar van dit ontbreken van uitsluitsel omtrent de oorzaak van de gebreken aan de uien had mogelijk tegemoet gekomen kunnen worden door bewijs van een goede en effectieve droging. Dat bewijs is evenwel niet geleverd. Nu dus evenmin kan worden vastgesteld dat met de door [Uien] toegepaste wijze van bewaring – kort gezegd – effectief is gedroogd (tussenarrest 1 maart 2016, rov. 12.1.9), is teveel onzekerheid blijven bestaan omtrent de oorzaak van de gestelde gebreken aan de uien om te kunnen vaststellen dat de van [Akkerbouwbedrijf] afkomstige uien niet aan de overeengekomen kwaliteit voldeden.

De vorderingen van partijen

15.1.14.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [Uien] (in reconventie), waaraan een tekortkoming van [Akkerbouwbedrijf] ten grondslag is gelegd, niet toewijsbaar zijn en dat de eveneens op die grondslag gebaseerde buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst door [Uien] (tussenarrest 20 januari 2015, rov. 6.1.21) geen effect heeft. De vijfde, zesde, zevende, achtste, negende en tiende principale grief slagen dus en de incidentele grieven slagen niet.

De vorderingen van [Akkerbouwbedrijf] (in conventie) zijn toewijsbaar (met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten; vgl. rov. 15.1.15). Tussen partijen staat immers vast dat [Akkerbouwbedrijf] de overeengekomen partij uien heeft geteeld en heeft afgeleverd, terwijl [Uien] niet is geslaagd in het door haar gevoerde, bevrijdende verweer dat de uien niet aan de overeengekomen kwaliteit voldeden. De door [Akkerbouwbedrijf] gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden voor wat betreft het deel dat ziet op de door [Akkerbouwbedrijf] verschuldigde bewaarkosten is toewijsbaar, aangezien vaststaat dat [Uien] de uien niet heeft bewaard op de contractueel afgesproken wijze (een toerekenbare tekortkoming van [Uien] ) en niet is komen vast te staan dat de door [Uien] voor de bewaring gebruikte MDI gelijkwaardig was aan de contractueel afgesproken wijze van bewaring. Dat betekent ook dat de door [Akkerbouwbedrijf] gevorderde bewaarkosten (tussenarrest 20 januari 2015, rov. 6.2.2) toewijsbaar zijn. Ten slotte verwerpt het hof het uiterst subsidiaire verweer van [Uien] , inhoudende dat [Akkerbouwbedrijf] ten onrechte geen rekening houdt met het tarrapercentage en de kortingen die partijen in verband met dat percentage zijn overeengekomen (memorie na enquête 37). Nu vaststaat dat [Uien] de uien niet heeft bewaard op de contractueel afgesproken wijze en [Uien] niet heeft bewezen dat de uien, kort gezegd, op een gelijkwaardige en effectieve wijze zijn gedroogd, kan, mede gelet op de aangehaalde rapporten van de deskundige, niet worden uitgesloten dat het hoge tarrapercentage (mede) is veroorzaakt door een onvoldoende en/of onjuiste droging en bewaring. [Akkerbouwbedrijf] wijst daar terecht op.

15.1.15.

Het hof wijst de door [Akkerbouwbedrijf] gevorderde buitengerechtelijke kosten af. [Uien] heeft betwist dat die kosten zijn gemaakt en betoogd dat als al kosten zijn gemaakt, die onder het bereik van de normale proceskostenveroordeling vallen (cva/cve 21). Gelet op deze betwisting had het op de weg van [Akkerbouwbedrijf] gelegen om de gevorderde kosten concreet te omschrijven en nader te onderbouwen, temeer nu zich bij de stukken enkel één sommatiebrief bevindt (prod. 4 inl. dv). Nu [Akkerbouwbedrijf] dit niet heeft gedaan heeft zij onvoldoende op dit punt gesteld en kan aan bewijslevering (aangeboden in de inleidende dagvaarding onder 10) niet worden toegekomen.

De gevorderde wettelijke handelsrente is, als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, toewijsbaar met ingang van de primair gevorderde datum (13 oktober 2011). [Akkerbouwbedrijf] heeft gewezen op de overeengekomen betalingstermijn van drie weken na levering en [Uien] heeft dat niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist.

15.2.

Met het vorenstaande behoeven de grieven voor het overige geen (nadere) bespreking meer. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en [Uien] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van beide instanties worden veroordeeld. De kosten van de deskundige zijn reeds bij wijze van voorschot door [Uien] betaald (met uitzondering van een, het eerste voorschot overschrijdend, bedrag van € 56,30 waarmee [Akkerbouwbedrijf] is belast). Die kosten blijven voor rekening van [Uien] . Het bedrag van € 56,30 dient [Uien] nog aan [Akkerbouwbedrijf] te voldoen.

16 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis waarvan beroep (zowel in conventie als in reconventie gewezen) en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen partijen gedeeltelijk is ontbonden, te weten voor dat deel dat ziet op de bewaarkosten die [Akkerbouwbedrijf] verschuldigd zou zijn;

veroordeelt [Uien] om aan [Akkerbouwbedrijf] te betalen een bedrag van € 84.804,86, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex. artikel 6:119a BW vanaf 13 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [Uien] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [Akkerbouwbedrijf] op € 76,17 aan dagvaardingskosten, op € 1.789,-- aan griffierecht en op € 4.023,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg (conventie en reconventie) en op € 77,52 aan dagvaardingskosten, op € 1.920,-- aan griffierecht, op

€ 56,30 aan nadere kosten van de deskundige en op € 8.155,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de door [Uien] bij wijze van voorschot betaalde kosten van de deskundige Visser van € 1.190,-- en € 605,-- voor haar rekening blijven;

wijst het anders of meer door [Akkerbouwbedrijf] gevorderde af;

wijst de vorderingen van [Uien] af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, M.A. Wabeke en I. Giesen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 maart 2017.

griffier rolraadsheer