Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1348

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
200 150 999_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:2033
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2068, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verjaring ex artikel 3:306 en 3:105 BW? Ongerechtvaardigde verrijking? Vordering revindicatie afgewezen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 306
Burgerlijk Wetboek Boek 3 105
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.150.999/01

arrest van 28 maart 2017

in de zaak van

[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.A.M. van Dooren te Breda,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. Y.J.H. van Griensven te Breda,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 mei 2016 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda onder zaaknummer C/02/272896/HA ZA 13-885 gewezen vonnis van 28 mei 2014.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 24 mei 2016;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 19 september 2016;

  • -

    de akte van [geïntimeerde] , waarbij hij de producties 1 tot en met 5 in het geding heeft gebracht;

  • -

    de akte van [appellant] waarbij hij de producties 3 en 4 heeft overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof overwogen dat de primaire, de meer subsidiaire, de meer meer subsidiaire en de uiterst subsidiaire vorderingen van [geïntimeerde] zullen worden afgewezen en dat in verband met de beoordeling van de subsidiaire vordering nadere informatie nodig is. Daartoe is een comparitie van partijen gelast.

6.2.

Ter beoordeling ligt derhalve thans nog voor de subsidiaire vordering van [geïntimeerde] tot het geven van een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] in zijn verhouding tot [appellant] economisch eigenaar is van het perceel grond met de woning, waaronder onder meer, doch niet uitsluitend, moet worden begrepen het recht van [geïntimeerde] op de waarde van die onroerende zaak en de eventuele verkoopopbrengst daarvan, met veroordeling van [appellant] tot medewerking aan de levering om niet aan [geïntimeerde] van de juridische eigendom van het perceel met woning, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

6.2.1.

[geïntimeerde] stelt zich, naar het hof diens stellingen begrijpt, op het standpunt dat [appellant] , krachtens een tussen partijen gesloten overeenkomst weliswaar “juridisch eigenaar” is van het perceel en de woning, maar dat [appellant] , eveneens op grond van die overeenkomst, mee dient te werken aan de levering om niet van die eigendom aan [geïntimeerde] .

6.2.2.

Uit de producties die partijen na het tussenarrest hebben overgelegd en uit de verklaringen van partijen ter comparitie leidt het hof de volgende gang van zaken af:

- bij notariële akte van 25 juni 1979 (productie 3 van [appellant] ) is aan [appellant] en mevrouw [betrokkene] door de WUB een hypothecaire lening verstrekt van fl. 120.000,--. (door partijen genaamd: “het bouwdepot”); uit het bouwdepot is de koopsom van het perceel grond betaald;

- voormelde lening van fl. 120.000,-- is afgelost met het in 1980 door de WUB aan [geïntimeerde] , diens echtgenote en [appellant] als hoofdelijk aansprakelijke debiteuren, eveneens onder hypothecair verband, geleende bedrag van fl.132.000,00 (zie tussenarrest sub 3.1.d.);
- de lening uit 1980 is op 12 april 2007 omgezet in een (eveneens hypothecaire) lening groot € 65.000,-- waarbij [geïntimeerde] , diens echtgenote en [appellant] hoofdelijke debiteuren bleven (zie tussenarrest sub 3.1.g.);
- tot en met het jaar 2015 is op laatstgenoemde lening niet afgelost (productie 2

en de laatste twee bladzijden van productie 3 van [geïntimeerde] ).

6.2.3.

[geïntimeerde] heeft niet gesteld, noch ter comparitie verklaard, op welk moment exact hij met [appellant] de afspraak heeft gemaakt waaruit de verplichting voor [appellant] tot levering om niet van de eigendom aan [geïntimeerde] zou voortvloeien. Gelet op voormelde gang van zaken had dit naar het oordeel van het hof wel op zijn weg gelegen. [appellant] heeft immers het perceel grond (waarop later de woning is gebouwd) gekocht en uit het bouwdepot betaald. Dat [geïntimeerde] ter zake van de latere leningen samen met zijn echtgenote en [appellant] debiteur is geworden van de WUB maakt dit oordeel niet anders. Dat [geïntimeerde] enige aflossing op de diverse gesloten leningen heeft betaald heeft hij onvoldoende duidelijk gesteld in het licht van de door hem overgelegde producties. Daaruit blijkt dat tot en met 2015 geen aflossing van de lening ad € 65.000,-- heeft plaatsgevonden.

6.2.4.

Het hof komt tot de slotsom dat [geïntimeerde] zijn standpunt onvoldoende met feiten heeft onderbouwd. Dat [geïntimeerde] steeds de rente van de hypothecaire leningen heeft betaald en ook andere lasten met betrekking tot de woning heeft gedragen, oordeelt het hof met name onvoldoende. [geïntimeerde] heeft daarmee kennelijk, op grond van een overeenkomst met [appellant] , betaald voor de bewoning van de woning, die ook in de visie van [geïntimeerde] (zie tussenarrest 3.6.1.) door natrekking eigendom van [appellant] is. Dat op enig moment krachtens afspraak tussen partijen de eigendom van het perceel en de woning om niet aan [geïntimeerde] zou moeten worden overgedragen of dat [geïntimeerde] recht heeft op de waarde van de woning volgt daar niet uit.

Het feit dat [geïntimeerde] de betaalde hypotheekrente als aftrekpost bij de fiscus opvoerde, maakt het oordeel van het hof, zonder toelichting die ontbreekt, evenmin anders.

6.3.

De conclusie luidt dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen. De grieven behoeven voor het overige geen behandeling. [geïntimeerde] is de in beide instanties in het ongelijk gestelde partij en hij zal daarom in de proceskosten van die instanties worden veroordeeld.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan hoger beroep en, opnieuw rechtdoende,

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellant] op € 274,--aan verschotten en op € 904,-- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 401,80 aan verschotten en op € 2.235,- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;


verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.W.T. Vriezen en J.J. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 maart 2017.

griffier rolraad