Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1323

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
11-05-2017
Zaaknummer
16/00282
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2663
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verzet
Inhoudsindicatie

Artikel 8:41, lid 2, Awb.. Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het niet betalen van griffierecht. Belanghebbende heeft niets in het verzetschrift aangevoerd op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij niet in verzuim is geweest.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1102
FutD 2017-1173
Viditax (FutD), 20-10-2017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00282

Schriftelijke uitspraak op het verzet van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van het Hof als bedoeld in artikel 8:54, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van 27 september 2016 (hierna: de uitspraak) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg van 18 maart 2016, nummer ROE 15/571, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Venray,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de op 30 augustus 2013 opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.

De behandeling van het verzet

Er heeft geen onderzoek ter zitting plaatsgevonden.

Belanghebbende heeft niet gevraagd in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord.

De gronden

1. Bij de uitspraak van 27 september 2016 is belanghebbende niet-ontvankelijk in het hoger beroep verklaard op grond van de overweging, dat het door belanghebbende verschuldigde griffierecht niet betaald is binnen de daarvoor door de wet gestelde termijn.

2. Belanghebbende is tegen deze uitspraak tijdig in verzet gekomen. De verzetstermijn is aangevangen op 28 september 2016 en geëindigd op 8 november 2016. Het verzetschrift van belanghebbende, dat is gedagtekend 6 november 2016, is op 9 november 2016 bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch binnengekomen en op 10 november 2016 bij het Team belastingrecht. De enveloppe, waarin het verzetschrift zich bevond, heeft een poststempel van 8 november 2016.

Het verzetschrift is tijdig ter post bezorgd en binnen een week na het einde van de verzetstermijn, dus tijdig, ontvangen.

3. Op grond van artikel 8:41, lid 1, van de Awb, in samenhang met het bepaalde in artikelen 8:108, lid 1 en 8:109, lid 1, letter c van de Awb, wordt van de indiener niet natuurlijk persoon van het hoger beroepschrift door de griffier van het gerechtshof een griffierecht geheven van € 124.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:41, leden 4 tot en met 6, van de Awb wijst de griffier de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van het Hof, dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. De griffier heeft belanghebbende bij op 26 april 2016 verzonden nota op de verschuldigdheid van € 124 griffierecht gewezen.

5. Omdat belanghebbende niet heeft voldaan aan de uitnodiging van het Landelijk Dienstencentrum (hierna: LDCR) om het griffierecht te betalen, is op 25 mei 2016 aan haar, naar het in het hoger beroepschrift opgegeven adres, aangetekend een herinnering verzonden, waarin belanghebbende is verzocht het (nog) verschuldigde griffierecht binnen vier weken na dagtekening van de aanmaning over te maken op de bankrekening van Griffie LDCR.

Een afschrift van de nota en van de herinnering bevinden zich in het dossier van belanghebbende, alsmede, een schermprint van de op het verzendbewijs van de herinnering betrekking hebbende statusinformatie. Blijkens deze schermprint is de herinnering met nummer [nummer] op zaterdag 28 mei om 17:27 uur op het door belanghebbende opgegeven adres uitgereikt. Voor ontvangst hiervan is getekend.

Op grond hiervan is het Hof van oordeel dat de herinnering op de juiste wijze is verzonden.

6. Belanghebbende heeft het griffierecht niet voldaan.

Niet-ontvankelijkheidverklaring kan dan nog slechts achterwege blijven, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld, dat belanghebbende in verzuim is geweest.

7. Belanghebbende heeft in het verzetschrift het volgende vermeld:

“Bij deze dien ik verzet in.

Ik heb u medegedeeld dat ik geen overtreding ben begaan.”

8. Hetgeen belanghebbende in het verzetschrift heeft aangevoerd vormt geen grond voor het oordeel dat zij niet in verzuim is geweest.

Belanghebbende heeft het griffierecht niet betaald, ook niet na de aangetekend verzonden herinnering van 25 mei 2016.

Zoals vermeld onder punt 5 heeft de griffier van het Hof belanghebbende op de wettelijk voorgeschreven wijze op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen.

9. Gelet op het hiervoor overwogene is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, zodat het verzet ongegrond moet worden verklaard.

De proceskosten

10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

De beslissing

Het Hof verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gedaan op 24 maart 2017 door J. Swinkels, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.