Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:130

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
200.202.398_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:5106
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

incident ex artikel 351 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 351
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.202.398/01

arrest van 17 januari 2017

gewezen in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van

1 [appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat: mr. C.A. Gobbens te Breda,

tegen

Stichting Allee Wonen,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. A.A.M. Simons te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 oktober 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 28 september 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda gewezen tussen appellanten – respectievelijk [appellant] en [appellante] , gezamenlijk [appellanten] – als gedaagden en geïntimeerde – Allee Wonen – als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4842067 CV EXPL 16-1255)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep tevens houdende een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident van Allee Wonen.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Het hof gaat voor de beoordeling van de incidentele vordering uit van de navolgende feiten:

- [appellanten] huurden met ingang van 1 november 2007 van Allee Wonen de woning aan de [adres] te [woonplaats] .

- Op 18 december 2015 is door de politie Zeeland-West-Brabant bij een doorzoeking van het gehuurde 62,3 gram hennep, 17,5 gram hasj, 147,3 gram cocaïne en 13 ponypacks met ieder 0,65 gram amfetaminen en een half doorgeladen vuurwapen aangetroffen.

- Allee Wonen heeft [appellanten] bij brief van 21 december 2015 medegedeeld dat zij maatregelen zou treffen tot beëindiging van de huurovereenkomst, indien [appellanten] niet zelf tot opzegging van de huurovereenkomst zouden overgaan. [appellanten] zijn daartoe niet overgegaan.

- Het gehuurde is bij besluit van de burgemeester van de gemeente [woonplaats] van 9 februari 2016 voor de duur van drie maanden gesloten vanwege overtreding van artikel 13B van de Opiumwet. Gedurende deze periode, die liep van 15 april tot 15 juli 2016, hebben [appellanten] met hun drie kinderen, van wie er twee thans nog minderjarig zijn, elders verbleven.

- [appellanten] hebben op 15 juli 2016 weer hun intrek genomen in het gehuurde.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter op vordering van Allee Wonen de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en [appellanten] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. De kantonrechter heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat het in het gehuurde voorhanden (laten) hebben van de hierboven genoemde hoeveelheid soft- en harddrugs tezamen met een half doorgeladen vuurwapen een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst aan de zijde van [appellanten] oplevert die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt en dat ook bij afweging van het woonbelang van [appellanten] tegenover de belangen van Allee Wonen ontbinding op haar plaats is. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.3.

[appellanten] kunnen zich niet verenigen met voornoemd vonnis en zijn hiervan in hoger beroep gekomen. In het onderhavige incident vorderen zij schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Allee Wonen heeft deze vordering gemotiveerd betwist.

3.4.

Bij de beoordeling van deze vordering stelt het hof voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld en bij tenuitvoerlegging een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan.

3.5.

Voor toewijzing van een incidentele vordering op grond van artikel 351 Rv is plaats in geval van misbruik van recht, waarvan met name sprake kan zijn indien het vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust, dan wel in geval een afweging van de belangen van partijen in het licht van nieuwe – door incidenteel eiser te stellen – omstandigheden daartoe aanleiding geeft. Als nieuwe omstandigheden komen alleen in aanmerking omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de zaak in eerste aanleg in staat van wijzen is gekomen; hieronder vallen dus niet omstandigheden die reeds aanwezig waren voor de staat van wijzen, maar die door partijen in de procedure in eerste aanleg niet zijn aangevoerd. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient bij de belangenafweging in de regel buiten beschouwing te blijven.

3.6.

De uitvoerbaarheid bij voorraad heeft in het algemeen tot doel de gerechtigde niet langer te laten wachten op hetgeen hem - althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg – toekomt. Reeds hierin ligt het belang van Allee Wonen bij de in eerste aanleg verkregen uitvoerbaarverklaring bij voorraad besloten. Anders dan [appellanten] stellen, kan niet worden geconcludeerd dat Allee Wonen geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om zonder de uitkomst van het hoger beroep af te wachten tot tenuitvoerlegging over te gaan.

3.7.

Tegenover voornoemd belang van Allee Wonen stellen [appellanten] onder meer dat het bestreden vonnis klaarblijkelijk berust op een juridische en/of feitelijke misslag. [appellanten] voeren in dat kader aan dat de kantonrechter ten onrechte bij de belangenafweging in aanmerking heeft genomen dat een woning buiten de gemeente [woonplaats] tot de mogelijkheden behoort. Volgens [appellanten] is dat niet het geval gelet op het gebied waarvoor hun inschrijving als woningzoekende is geblokkeerd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Op basis van hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, kan naar het oordeel van het hof niet worden geconcludeerd dat sprake is van een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag. Hiervan is slechts sprake indien deze misslag evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar is. Dat tegen het oordeel van de kantonrechter inhoudelijke argumenten zijn aan te voeren, waarover verschillend kan worden gedacht, betekent niet dat het oordeel van de kantonrechter evident onjuist is. Een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van [appellanten] zou bovendien leiden tot een verkapt hoger beroep waarvoor in dit incident geen plaats is.

3.8.1.

[appellanten] stellen daarnaast dat tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis hen in hun woonrecht als bedoeld in artikel 8 EVRM zou schaden en voor hen een noodtoestand tot gevolg zou hebben. Zij stellen in dat verband dat tenuitvoerlegging van het vonnis tot gevolg heeft dat zij met hun twee minderjarige kinderen op straat komen te staan, dat [appellante] alleen al bij de gedachte te moeten ontruimen kampt met ernstig depressieve gevoelens en suïcidale klachten en dat diverse aanpassingen aan de woning zijn gedaan die, als zij bij ontruiming ongedaan moeten worden gemaakt, een enorme schadepost voor [appellanten] opleveren.

De vraag die nu dient te worden beantwoord, is of [appellanten] nieuwe omstandigheden aanvoeren die na afweging van de belangen kunnen meebrengen dat het belang van [appellanten] bij behoud van de bestaande toestand totdat in hoger beroep is beslist, alsnog dient te prevaleren boven het belang van Allee Wonen om niet langer te wachten op hetgeen haar, althans voorshands na een volledig en afgesloten onderzoek in eerste aanleg, toekomt. Deze vraag dient naar het oordeel van het hof ontkennend te worden beantwoord. Bovengenoemde omstandigheden leveren naar het oordeel van het hof geen nieuwe omstandigheden op in de hiervoor onder 3.5 bedoelde zin.

3.8.2.

Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd met betrekking tot hun woonrecht/woonbelang en dat van hun kinderen is, zo leidt het hof af uit de processtukken en het vonnis in eerste aanleg, ook al aangevoerd in eerste aanleg en door de kantonrechter meegenomen bij de door haar gemaakte belangenafweging (vgl. r.o. 3.11 van het bestreden vonnis). Voor zover [appellanten] stellen dat bij tenuitvoerlegging een noodtoestand ontstaat, omdat zij dan hun huisvesting verliezen, overweegt het hof dat dit een aan ontruiming inherente omstandigheid is die ook al bij de belangenafweging door de kantonrechter is betrokken en die dus evenmin kan worden aangemerkt als een omstandigheid die zich heeft voorgedaan nadat de zaak in staat van wijzen is gekomen. In zoverre is voor een nieuwe belangenafweging geen plaats. Daar komt bij dat het enkele feit dat [appellanten] in geval van hun ontruiming hun huisvesting zullen verliezen op zich nog niet rechtvaardigt dat thans van de gewraakte beslissing (de uitvoerbaarverklaring bij voorraad) wordt afgeweken. In ieder geval is onvoldoende gesteld of gebleken dat vervangende woonruimte of opvang op geen enkele wijze voor hen beschikbaar is, wat ook zij van de door hen genoemde blokkering van hun inschrijving als woningzoekende.

3.8.3.

Voor zover hetgeen [appellanten] aanvoeren met betrekking tot de psychische gesteldheid van [appellante] een nieuwe omstandigheid is zoals hiervoor onder 3.5 bedoeld, is dit naar het oordeel van het hof evenmin een omstandigheid die schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis rechtvaardigt. Hoewel voorstelbaar is dat een op handen zijnde ontruiming ingrijpend is en veel spanningen en stress meebrengt, is niet, althans onvoldoende gesteld of gebleken dat sprake is van een zodanige psychische problematiek van [appellante] dat absoluut niet van haar kan worden gevergd dat zij de woning aan de [adres] te [woonplaats] verlaat. Dit blijkt in ieder geval niet, althans onvoldoende uit het door [appellanten] in hoger beroep overgelegde medisch journaal van de huisarts van 17 oktober 2016.

3.8.4.

De door [appellanten] aangevoerde omstandigheden dat ontruiming praktisch onomkeerbare gevolgen zal hebben en zij diverse aanpassingen aan de woning hebben verricht die, indien zij voorafgaande aan de ontruiming ongedaan gemaakt moeten worden, een enorme schadepost voor hen opleveren, kan geen grond opleveren voor schorsing van de tenuitvoerlegging, omdat het geen omstandigheid is die zich pas na het wijzen van het vonnis in eerste aanleg heeft voorgedaan.

3.9.

[appellanten] hebben ten slotte nog als nieuwe omstandigheid aangevoerd dat hun zoon [zoon] , die volgens hen als enige verantwoordelijk te houden is voor de aanwezigheid van de drugs in de woning, inmiddels de woning heeft verlaten. Het hof begrijpt dat [appellanten] hiermee bedoelen te stellen dat van Allee Wonen kan worden gevergd de huurovereenkomst te laten voortduren totdat in hoger beroep is beslist, nu de veroorzaker van de aan [appellanten] verweten gedraging niet langer in de woning verblijft. Dit kan hen echter evenmin baten. In de eerste plaats wordt door Allee Wonen betwist dat zoon [zoon] niet langer in de woning verblijft. Daarnaast dient het hof in dit incident in beginsel uit te gaan van de juistheid van de beslissing van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. Het - door de kantonrechter ontkennende - antwoord op de vraag of zoon [zoon] als enige verantwoordelijk is voor de in de woning aangetroffen drugs en, indien deze vraag bevestigend dient te worden beantwoord, of dit desondanks aan [appellanten] kan worden toegerekend, dient te worden beantwoord in de hoofdzaak. Voor een inhoudelijke beoordeling is, zoals hiervoor al is overwogen, in dit incident geen plaats.

3.10.

Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering van [appellanten] zal worden afgewezen. De beslissing omtrent de proceskosten in het incident zal worden aangehouden.

In de hoofdzaak

3.11.

Het hof stelt vast dat de zaak is verwezen naar de rol van 24 januari 2017 voor akte aan de zijde van [appellanten] Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de incidentele vordering van [appellanten] af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verstaat dat de zaak op de rol van 24 januari 2017 staat voor akte aan de zijde van [appellanten] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, C.N.M. Antens en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 januari 2017.

griffier rolraadsheer