Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1268

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
20-003367-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof heeft verdachte ter zake van opzetheling van een auto en van kentekenplaten en de voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003367-16

Uitspraak : 16 maart 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Limburg van 28 oktober 2016 in de strafzaak met parketnummer

03-659234-16 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1993,

thans verblijvende in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte zal vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde en de onder 3 ten laste gelegde handelingen ter voorbereiding van opzettelijke brandstichting. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat het hof het onder 1 (opzetheling), 2 subsidiair (opzetheling) en 3 ten laste gelegde (het verrichten van handelingen ter voorbereiding van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing) bewezen zal verklaren en verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd zal verklaren.

De verdediging heeft primair bepleit dat het hof verdachte integraal zal vrijspreken van het ten laste gelegde.

Subsidiair, in het geval het hof desalniettemin tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging het hof verzocht te volstaan met een gevangenisstraf waarvan de duur gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Voorts heeft de verdediging bepleit dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering.

Tot slot heeft de verdediging zich ten aanzien van de beslissing omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij in of omstreeks de periode van 21 juni 2016 tot en met 5 juli 2016 te Lohmar (Bondsrepubliek Duitsland) en/of in de gemeente Sittard-Geleen, althans in Nederland, een goed, te weten een personenauto (merk/type Audi RS4 Quattro, voorzien van het [kenteken 1] ) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.
hij in of omstreeks de periode van 3 juli 2016 tot en met 5 juli 2016 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, althans een kentekenpla(a)t(en), voorzien van de combinatie

[kenteken 2] , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [betrokkene] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 3 juli 2016 tot en met 5 juli 2016 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, (een) goed(eren), te weten twee, althans een kentekenpla(a)t(en), voorzien van de combinatie [kenteken 2] heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.
hij op of omstreeks 5 juli 2016 in de gemeente Sittard-Geleen, althans in het arrondissement Limburg, ter voorbereiding van het misdrijf als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in/van en/of opzettelijke brandstichting in/van een of meerdere kluis/kluizen behorende bij een of meerdere geldautoma(a)t(en) (teneinde daaruit geld weg te nemen (ram-/plofkraak) en/of opzettelijke brandstichting in/van een of meerdere (ram)auto('s), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is), opzettelijk een personenauto met daarin onder meer aan elkaar verbonden gasflessen met slangen (bevattende zuurstof en/of acetyleen) en/of diverse handgereedschappen en/of een flesje ammoniak en/of een verpakking Glass Cleaner en/of vier kannen jerrycans bevattende elk circa 25 liter, althans een grote hoeveelheid benzine en/of een aansteker bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging, acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 5 juli 2016 in de gemeente Sittard-Geleen, een goed, te weten een personenauto (merk/type Audi RS4 Quattro, voorzien van het [kenteken 1] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.
hij op 5 juli 2016 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen goederen, te weten twee kentekenplaten, voorzien van de combinatie [kenteken 2] voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen;

3.
hij op 5 juli 2016 in de gemeente Sittard-Geleen, ter voorbereiding van het misdrijf als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in/van een of meerdere kluis/kluizen behorende bij een of meerdere geldautoma(a)t(en) (teneinde daaruit geld weg te nemen (plofkraak)), opzettelijk een personenauto met daarin onder meer aan elkaar verbonden gasflessen met slangen (bevattende zuurstof en/of acetyleen) en diverse handgereedschappen en een flesje ammoniak bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De verdediging heeft bepleit dat het hof verdachte integraal zal vrijspreken van het ten laste gelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman, op gronden als verwoord in de pleitnota, aangevoerd dat verdachte niet heeft geweten, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de betreffende auto en de daarop aangebrachte kentekenplaten van diefstal afkomstig waren. Ook heeft verdachte volgens de raadsman niet geweten dat er in de auto voorwerpen lagen die geschikt zijn om een plofkraak mee te plegen en was hij op geen enkele wijze van plan om de voorwerpen te gebruiken, laat staan voor die doeleinden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte heeft eerst ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij een vriend (waarvan hij de naam niet wil noemen) in Sittard is tegengekomen. Deze vriend heeft aan verdachte gevraagd of hij, verdachte, hem naar Maastricht wilde brengen. De auto waarin verdachte heeft gereden, behoorde derhalve toe aan deze vriend. Toen verdachte de politie zag, stond hij stil voor een groen uitstralend stoplicht, omdat de eerder genoemde vriend even de auto was uitgestapt om te plassen. Omdat verdachte wist dat hij nog een vrijheidsbenemende straf had openstaan en hij niet in de zomermaanden gedetineerd wilde zijn, schrok hij toen hij de politie zag en is hij weggereden. Deze verklaring heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep in de kern herhaald.

Noch daargelaten dat de verdachte het voor het hof volstrekt onmogelijk heeft gemaakt om diens verklaring te toetsen door pertinent te weigeren de naam van deze vriend te noemen en het hof daarnaast niet vermag in te zien waarom verdachte eerst ter terechtzitting in eerste aanleg de voor hem als ontlastend beoogde verklaring naar voren brengt, acht het hof dit scenario ongeloofwaardig, zulks op basis van de inhoud van het in hoger beroep aan het dossier toegevoegde proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2017.

In dit proces-verbaal wordt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, immers gerelateerd dat zij de Audi – de auto waarin de verdachte heeft gereden – zien komen aanrijden, dat zij deze auto constant in de gaten hielden en dat deze plotseling stopte voor het groene verkeerslicht. Zij zagen dat er enkel een bestuurder in de auto zat en zij hebben niemand zien uitstappen en ook geen andere personen of voertuigen op straat gezien.

Gelet op het vorenstaande houdt het hof het ervoor dat op 5 juli 2016 de betreffende Audi enkel in gebruik was bij verdachte en dat hij hierover als heer en meester beschikte.

Het hof stelt voorop dat mag worden aangenomen dat degene die als enige gebruiker/bestuurder beschikt over een auto en derhalve over deze auto feitelijk zeggenschap heeft, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, op de hoogte is van de staat waarin de auto zichtbaar verkeert en van hetgeen zich in zijn auto bevindt.

Op grond van het dossier is het hof allereerst gebleken dat de linker achterruit van de auto ontbrak op het moment dat de verbalisanten verdachte zagen rijden en dat is geconstateerd dat glassplinters op de achterbank lagen. Voorts is de Audi door de verbalisanten aangetroffen met in het contactslot een Volkswagensleutel, welke niet was voorzien van afstandsbediening of transponder. Na onderzoek is gebleken dat de betreffende (niet met het merk van de auto corresponderende analoge) sleutel zonder transponder in casu slechts is te gebruiken indien door aanpassing van de software in de auto de beveiligingsmaatregelen in het voertuig onklaar zijn gemaakt. Uit onderzoek is gebleken dat de betreffende auto op

21 juni 2015 als gestolen is aangeven.

Voorts zijn in de auto op de grond bij de bijrijdersstoel onder een tas twee opgevouwen kentekenplaten aangetroffen. Dit waren de kentekenplaten die oorspronkelijk bij de Audi hoorden. De kentekenplaten die op de auto waren gemonteerd, bleken na onderzoek afkomstig van een auto van het merk Ssangyong, waarvan later aangifte van diefstal is gedaan.

Tevens zijn diverse voorwerpen in de auto aangetroffen. In een tas die op de achterbank was vastgebonden met de autogordels en die blijkens een zich in het dossier bevindende foto een groot deel van deze bank in beslag nam, zijn twee gastanks met daarop een drukmeter en een soort van lans aangetroffen. De gasflessen waren aan elkaar getapet. Voorts is achter de bestuurdersstoel een fles met opschrift “Ammoniak” aangetroffen. Tot slot zijn er in de auto onder meer nog gereedschap, zwarte tassen en hoofdlampen aangetroffen.

Zoals hiervoor overwogen mag worden aangenomen dat degene die als enige gebruiker over een auto beschikt en daarover feitelijk zeggenschap heeft, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, op de hoogte is van hetgeen zich in zijn auto bevindt. Verdachte heeft ontkend wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van de in de auto aangetroffen kentekenplaten en de voorwerpen in de tas op de achterbank. Daarbij heeft verdachte verklaard dat de auto toebehoorde aan een vriend en dat hij slechts op uitnodiging van deze vriend als bestuurder van de auto is opgetreden. Waar het hof deze verklaring van verdachte evenwel als ongeloofwaardig terzijde heeft gesteld, doet zich niet voor de situatie dat er aanwijzingen bestaan voor het tegendeel zoals hiervoor bedoeld en gaat het hof er van uit dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van al de in de auto aangetroffen goederen en voorwerpen, waaronder de kentekenplaten en de voorwerpen in de tas op de achterbank en in de kofferbak.

Gezien het feit dat de achterruit ontbrak, er glassplinters op de bank lagen en de auto was voorzien van een niet voor die auto afgegeven sleutel en de omstandigheid dat verdachte wetenschap moet hebben gehad van de aanwezigheid van de opgevouwen kentekenplaten onder de tas bij de bijrijdersstoel, kan het niet anders zijn dan dat verdachte heeft geweten dat de auto waarover hij op 5 juli 2016 als enige gebruiker beschikte, van diefstal afkomstig was en dat de op de auto aangebrachte kentekenplaten niet tot de auto behoorden en derhalve eveneens van diefstal afkomstig waren. Bij dit oordeel heeft het hof nog meegewogen dat verdachte op het moment dat hij de politie waarneemt, op de vlucht slaat: eerst rijdend in de auto – waarbij om aan aanhouding te ontkomen door verdachte zeer gevaarzettend wordt gereden – en nadat deze in een berm tot stilstand was gekomen, te voet. De verklaring van verdachte dat hij is gevlucht, omdat hij wist dat er nog een vrijheidsbenemende straf tegen hem openstond, acht het hof gelet op de geschetste feiten en omstandigheden niet aannemelijk. Dit geldt temeer nu verdachte, door de politie bevraagd omtrent zijn gevaarlijke rijgedrag, zich alstoen op zijn zwijgrecht heeft beroepen terwijl het toch voor de hand had gelegen dat hij reeds op dat moment zou hebben aangegeven dat dit te maken had met zijn angst voor het uitzitten van een openstaande vrijheidsstraf.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde overweegt het hof nog het navolgende.

Zoals hierboven reeds door het hof is vastgesteld, gaat het hof er van uit dat verdachte heeft geweten dat er in zijn auto de hiervoor genoemde voorwerpen lagen. Ten aanzien van de in de auto aangetroffen voorwerpen, zoals de in een tas op de achterbank aan elkaar getapete gastanks met drukmeter en een soort van lans, de fles ammoniak, de gereedschappen en hoofdlampen, is blijkens het proces-verbaal d.d. 28 februari 2017 vastgesteld dat dit voorwerpen betreffen die veelvuldig gebruikt worden voor het plegen van plofkraken. De genoemde voorwerpen kunnen derhalve afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen van verdachte, dienstig zijn voor het plegen van plofkraken.

De beantwoording van de vraag of de in art. 46, eerste lid, Sr vermelde voorwerpen, afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm "zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf" in de zin van deze bepaling, kan niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had (vgl. HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 en HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503). In dat verband wijst het hof op het volgende.

Gebleken is dat op het moment dat de auto op 5 juli 2016 in de berm tot stilstand was gekomen, in de auto een TomTom navigatiesysteem zichtbaar in gebruik was in de zin dat op dit navigatiesysteem een te rijden route en bestemming werd aangeven. Deze TomTom was ingesteld om de bestemming Siemensstrasse in Bönen Duitsland te bereiken en op het scherm werd als reistijd nog 1 uur en 41 minuten vermeld voor een afstand van 187 km. Het hof gaat er dan ook vanuit – mede gezien de feiten en omstandigheden zoals vermeld in het voorgaande – dat verdachte niet op weg was naar Maastricht, maar naar de genoemde bestemming zoals weergegeven op de TomTom. Voorts is het hof gebleken dat op of in de directe nabijheid van voornoemde bestemming op 1 juli 2016 in Bönen Duitsland een plofkraak had plaatsgevonden.

Gelet op het vorenstaande, te weten dat verdachte blijkens zijn TomTom op 5 juli 2016 op weg was naar een adres waar een aantal dagen eerder in de nabijheid een plofkraak had plaatsgevonden, terwijl hij in zijn auto voorwerpen, waaronder gasflessen die gevuld waren, vervoerde die veelvuldig worden gebruikt bij het plegen van plofkraken, staat voor het hof vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor het plegen van een plofkraak, zoals dit onder 3 is bewezen verklaard.

Het hof verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzetheling.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een auto en van kentekenplaten en het verrichten van voorbereidingshandelingen voor het plegen van een plofkraak. Het hof heeft bij het bepalen van de straf meegewogen dat het doel van de door verdachte gepleegde voorbereidingshandelingen, namelijk het mogelijk maken van een plofkraak, een ernstig feit betreft dat zeer veel schade kan aanrichten en ook gevaarlijk kan zijn voor eventueel omwonenden en passanten.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof voorts ten nadele van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij blijkens het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 januari 2017 voorafgaand aan het bewezen verklaarde reeds onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten. Deze eerdere veroordelingen hebben verdachte kennelijk niet het laakbare van zijn handelen doen inzien.

Voor het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de straffen die worden opgelegd in gevallen – grosso

modo – vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Voorts heeft het hof acht geslagen op richtlijnen van het openbaar ministerie. Hierin is bepaald dat voor een voltooide plofkraak een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden een passende eis is. Nu er geen sprake is van een voltooide plofkraak doch “enkel” van voorbereidingshandelingen hiertoe en op grond van het bepaalde in artikel 46, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld, bij voorbereiding met de helft wordt verminderd, acht het hof de straf die is opgelegd door de rechtbank en is gevorderd door te advocaat-generaal te fors.

Al het vorenstaande afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden passend bij de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, alsmede bij de persoon van verdachte.

Beslag

Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de in het dictum te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven aan verdachte toebehorende voorwerpen, die worden gezien als een samenstel van voorwerpen, met betrekking tot welke voorwerpen het feit is begaan of die tot het begaan van het misdrijf zijn bestemd, vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Het hof zal derhalve overeenkomstig het oordeel van de rechtbank hieromtrent beslissen. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 36.674,99, te vermeerderen met wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de heling van de betreffende auto is bewezen en niet de diefstal en niet vast te stellen is dat de gevorderde schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is veroorzaakt. Bovendien bevinden zich in het dossier aanwijzingen dat de betreffende auto reeds is teruggegeven aan de eigenaar.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 33, 33a, 46, 57, 157 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

 1 1 liter ammoniak (814484);

 1 100 liter benzine (4 kannen à 25 liter) (814491);

 1 1 gasfles zuurstof (814493);

 1 1 gasfles acetylaan (814494);

 1 1 TomTom (811381);

 1 1 sporttas (814452);

 1 2 stuks zwart plakband (814460);

 1 4 schroevendraaiers (814463);

 1 1 zwarte schaar (814464);

 1 1 breekijzer (814466);

 1 1 meetlat (814468);

 1 twee grijze handschoenen L+D (811395).

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. A.R. Hartmann, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. M. Malsch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 16 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M. Malsch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.