Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1246

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
200.206.949_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b nu schuldenaar ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest. Daarbij is het beroep van schuldenaar op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw niet gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 23 maart 2017

Zaaknummer : 200.206.949/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/319912 FT RK 16/1202

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. S. van Beers te Zeist.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 januari 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 5 januari 2017, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, hem alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017. Bij die gelegenheid is mr. Van Beers gehoord. [appellant] is, met bericht van verhindering, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 19 december 2016 en het procesdossier in eerste aanleg als beide bij brief van 14 februari 2017 overgelegd.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 23.855,83. Daaronder bevinden zich een tweetal belastingschulden voor een totaalbedrag van € 7.383,00 alsmede een schuld aan het UWV van € 6.129,96. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“3.3. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat de schuld aan het UWV ontstaan is doordat verzoeker voor een periode van circa zes maanden zowel inkomsten uit uitkering als inkomsten uit arbeid heeft ontvangen. Verzoeker heeft verklaard dat hij ervan op de hoogte was dat hij de inkomsten uit arbeid aan het UWV had moeten melden, maar dat hij dit bewust niet gedaan omdat hij het extra geld goed kon gebruiken om andere schulden af te lossen. Nadat de rechtbank verzoeker heeft gewezen op schulden aan het CJIB uit 2011 en 2012 van respectievelijk € 611,74 en € 1.542,--, welke niet op de lijst vermeld stonden, maar na navraag zijn opgegeven door het CJIB, heeft verzoeker hierover verklaard dat deze schulden zijn ontslaan doordat hij een oldtimer in een loods had staan en daar gedurende een langere periode de wegenbelasting en verzekeringen van heeft doorlaten lopen maar deze niet heeft betaald. Verzoeker heeft ten slotte verklaard dat hij zich ook hiervan bewust was, dat hij dit wel had moeten doen, maar hij op dit moment niet precies kan uitleggen waarom hij dat niet heeft gedaan. Verzoeker is, naar eigen zeggen, erg laks geweest in het verleden.

(…)

3.5.

Uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht inzake de openstaande schulden aan het UWV en CJIB volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat verzoeker ter zake het ontstaan van de schulden bij het UWV en CJIB niet te goeder trouw is geweest in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Allereerst merkt [appellant] op dat de schulden ten aanzien van het UWV alsmede de CJIB boetes van zeer lange tijd geleden zijn. Zo is de ontstaansdatum van de vordering van het CJIB inmiddels nagenoeg 5 jaar geleden en dient deze vordering dan ook - ter zake de toetsing van de goeder trouw - buiten beschouwing te worden gelaten. [appellant] is dan ook van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat deze vordering er aan in de weg staat om hem toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. [appellant] geeft voorts aan dat hij zich niet kan herinneren dat hij ter zitting zou hebben aangegeven dat hij de schuld aan het UWV bewust is aangegaan, temeer nu hij zich op het standpunt stelt dat hij er zich juist niet van bewust was dat hij deze (neven)inkomsten had moeten melden bij het UWV, reden waarom hij van mening is dat er geen sprake is van een schuld die te kwader trouw door hem is aangegaan. Daarbij merkt hij op dat er op deze vordering van het UWV inmiddels ruim € 2.700,00 is afgelost, nu de initiële vordering een bedrag ad € 9.058,42 bedroeg. Daarnaast merkt [appellant] op dat hij sinds enige tijd ook geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Tot slot doet [appellant] een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

3.5.

Hieraan is namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Mr. Van Beers geeft aan dat [appellant] vanwege ziekte niet ter zitting in hoger beroep kan verschijnen. Hij heeft griep en had eigenlijk een aanhouding van de zaak willen hebben. Zijn huisarts was evenwel niet bereid om met het oog hierop een verklaring op te stellen. Mr [appellant] heeft ter zitting niet om een aanhouding van de zitting verzocht.

Voorts herhaalt mr. Van Beers dat [appellant] stelt zich niet te kunnen herinneren dat hij bij gelegenheid van de toelatingszitting heeft gezegd dat hij de onterechte ontvangen uitkeringsgelden van het UWV heeft behouden hoewel hij wist dat hij daar geen recht op had. Er was vanwege een derdenbeslag ook al sprake van een lagere uitkering. [appellant] heeft de gelden naar eigen zeggen aangewend voor het aflossen op zijn schulden. Voorts geeft mr. Van Beers aan niet te weten waar de schuld aan de Belastingdienst van ruim

€ 2.700,00 op ziet, wellicht op de inkomensbelasting 2014. Ook de aard en ontstaansgeschiedenis van de schuld aan PRC van ruim € 2.500,00 weet zij desgevraagd niet nader te duiden. De schuld aan GGN van ruim € 6.400,00 is volgens mr. Van Beers een huurachterstand aangevuld met ontruimingskosten. Voorts erkent mr. Van Beers dat de schulden aan het CJIB inderdaad niet op de schuldenlijst staan vermeld en dat dit wel zou hebben gemoeten. Tot slot stelt zij dat [appellant] zeer gemotiveerd is en op dit moment ook volop solliciteert. Bewijzen van deze sollicitaties heeft zij evenwel niet voorhanden.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

Er is allereerst sprake van een tweetal belastingschulden van opgeteld ruim

€ 7.300,00. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Temeer nu [appellant] verzuimt de aard en ontstaansgeschiedenis met betrekking tot deze belastingschuld ex artikel 3.1.2.6. sub g van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken middels schriftelijke bewijsstukken dan wel anderszins inzichtelijk te maken wordt het onvoldoende aannemelijk geacht dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest.

3.6.3.

Daarnaast is er sprake van een schuld aan het UWV van ruim € 6.000,00 die naar het oordeel van het hof evenmin te goeder trouw is ontstaan. Het betreft hier immers naast een terugvordering ook een boete voor het, naast het genieten van inkomsten uit arbeid, onterecht ontvangen van een uitkering. Ten aanzien van deze schuld legt [appellant] wisselende en in de kern ook tegenstrijdige verklaringen af. Getuige het proces-verbaal van die zitting heeft [appellant] bij gelegenheid van de toelatingszitting in eerste aanleg immers verklaard dat hij er wel van op de hoogte was dat hij de inkomsten uit arbeid aan het UWV had moeten melden, maar dat hij dit bewust niet heeft gedaan omdat hij het extra geld goed kon gebruiken om andere schulden mee af te lossen. In zijn beroepschrift geeft [appellant] evenwel aan dat hij zich niet kan herinneren dat hij ter zitting bij de rechtbank zou hebben aangegeven dat hij deze schuld bij het UWV bewust is aangegaan. [appellant] stelt zich daarbij op het standpunt dat hij er zich juist niet van bewust was dat hij zijn neveninkomsten had moeten melden bij het UWV, reden waarom hij van mening is dat er geen sprake is van een schuld die te kwader trouw door hem is aangegaan. Het hof is hoe dan ook van oordeel dat [appellant] wist, althans had dienen te weten, dat hij in het kader van zijn uitkering zijn uitkeringsinstantie van zijn neveninkomsten uit arbeid op de hoogte had moeten stellen. Dit heeft hij, al dan niet weloverwogen, evenwel nagelaten hetgeen hem naar het oordeel van het hof valt toe te rekenen met als gevolg dat [appellant] ook ten aanzien van het ontstaan van deze schuld niet te goeder trouw is geweest.

3.6.4.

Voorts is er sprake van een tweetal schulden aan het CJIB van in totaal ruim € 2.100,00 welke evenwel niet op de door [appellant] overgelegde schuldenlijst staan vermeld. Uit punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken volgt dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. Het hof merkt hierbij op dat [appellant] bovendien heeft nagelaten om door het overleggen van schriftelijke bewijsstukken dan wel anderszins aan te tonen dat het hier om relatief oudere schulden zou gaan, hetgeen wel door hem is gesteld.

3.6.5.

Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat de onderbouwing, al dan niet door middel van schriftelijke bewijsstukken, ten aanzien van een groot aantal overige schulden zoals vermeld op de verklaring ex art. 285 Fw eveneens ontbreekt zodat ook van deze schulden niet kan worden vastgesteld of deze schulden te goeder trouw zijn ontstaan.

3.6.6.

Tot slot is het hof van oordeel dat het beroep op de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw niet kan slagen nu [appellant] onvoldoende inzichtelijk heeft weten te maken welke omstandigheden, die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, hij thans onder controle heeft gekregen. De door [appellant] genoemde omstandigheden, meer in het bijzonder de mededeling van [appellant] dat hij naar zijn idee zijn schulden onder controle heeft, dat hij op bestaande schulden aflost en dat hij nu, zij het vooralsnog onsuccesvol, solliciteert, betreffen immers geen omstandigheden zoals bedoeld in art. 288, lid 1 onder b Fw, dan wel art. 288, lid 2 onder c Fw, zodat de hardheidsclausule ex art. 288, lid 3 Fw hierop niet van toepassing kan zijn. Wil een beroep op artikel 288 lid 3 Fw slagen, dan is in het algemeen vereist dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die zich toont in het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Dat blijkt ook uit het feit dat artikel 288 lid 3 Fw volgens de wetsgeschiedenis vooral ziet op "echte gedragsaspecten" (Handelingen I 2006-2007, nr. 30, blz. 958). Van een dergelijke ontwikkeling is naar het oordeel van het hof in het geheel althans onvoldoende niet gebleken.

3.6.7.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.7.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, S.M.A.M. Venhuizen en L.Th.L.G. Pellis en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2017.