Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1228

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
20-002170-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2015:3669, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schietincident te Helmond. Vrijspraak van diefstal in vereniging met geweld, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Naar het oordeel van het hof blijkt niet, althans onvoldoende, dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee daders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002170-15

Uitspraak : 23 maart 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 26 juni 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-879181-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Utrecht - HvB locatie Nieuwegein.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van -kort gezegd- diefstal in vereniging met geweld en bedreiging met geweld terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en het opzettelijk aanwezig hebben van hennep veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Tevens is in dat vonnis beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en is beslist over de in beslag genomen goederen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen, met aanvulling van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen met de verklaring die de verdachte op 16 februari 2017 bij de politie en op 9 maart 2017 ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd.

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Subsidiair is ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde een strafmaatverweer gevoerd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is opgemerkt dat de verdediging zich kan vinden in de beslissing van de rechtbank en ter zake geen verweer zal voeren. Wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich derhalve mede tegen de partiële vrijspraak door de rechtbank van het onder 2 ten laste gelegde omtrent de hennep die is aangetroffen in het pand [adres] te 's-Hertogenbosch. Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep voor zover dit hiertegen is gericht.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 16 april 2013 te Helmond, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (in/uit een pand aan de [plaats delict] ) een of meer hoeveelheid/hoeveelheden (soft)drugs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of diens mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) (zakelijk weergegeven) uit:

- het ten overstaan van (een of meer van) genoemde perso(o)n(en) trekken van een pistool, althans een vuurwapen, en/of dat pistool, althans vuurwapen, richten en/of gericht houden op genoemde [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 2] en/of

- het drukken en/of gedrukt houden van (de loop van) een pistool, althans een vuurwapen, tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of het daarbij, althans vervolgens, roepen van de woorden: "Geld, geld" en/of "wiet, wiet" en/of "stil blijven staan, niet bewegen", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- het slaan en/of ten val brengen van die [slachtoffer 2] en/of het met een pistool, althans een vuurwapen, schieten op het lichaam van die [slachtoffer 2] en/of

- het met een pistool, althans een vuurwapen, schieten in de richting van genoemde

[slachtoffer 4] , en/of

- het slaan en/of schoppen van die [slachtoffer 1] ,

zulks terwijl het plegen van voormeld feit zwaar lichamelijk letsel voor genoemde

[slachtoffer 2] , te weten (een) schotverwonding(en) en/of darmletsel en/of een breuk van de 4e lendenwervel, ten gevolge heeft gehad;

2.
hij op of omstreeks 29 april 2014 te 's-Hertogenbosch, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in perceel [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) 1234 gram of daaromtrent, in elk geval (een) hoeveelheid/hoeveelheden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van feit 1

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft ontkend het ten laste gelegde te hebben gepleegd. Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 maart 2017 heeft hij verklaard dat hij weliswaar op 16 april 2013 met twee anderen een bezoek heeft gebracht aan de woning [plaats delict] te Helmond, maar dat hij niet wist dat er een zogenaamde ripdeal gepleegd zou worden. Verdachte stelt dat hij heeft gefungeerd als tussenpersoon bij een hennepdeal. Hij wist niet dat één van de anderen een pistool bij zich had en ging er vanuit dat er gewoon betaald zou worden voor de hennep. Verdachte betwist met klem dat hij geweldshandelingen heeft verricht. De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij verdachte het opzet op het medeplegen van het ten laste gelegde strafbare feit ontbreekt en dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.

Gelet op de stukken in het dossier kan het hof niet uitsluiten dat de verdachte inderdaad niet heeft geweten dat er een ripdeal gepleegd zou worden. Uit de feiten en omstandigheden voorafgaand, tijdens en na afloop van de ripdeal, zoals die volgen uit het dossier, blijkt naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende, dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee daders.

Het bewijs schiet tekort om te oordelen dat verdachte voorafgaand aan zijn bezoek aan de [plaats delict] te Helmond op de hoogte was van de aanwezigheid van een wapen bij één van de andere personen die met hem daar naartoe zijn gegaan en dat verdachte op voorhand bekend was met een voornemen tot het plegen van een ripdeal.

Evenmin kan het hof buiten enige mate van redelijke twijfel vaststellen dat verdachte zelf in de woning geweld heeft uitgeoefend.

Zo heeft de getuige [slachtoffer 3] bij de politie verklaard dat “ze” volgens hem begonnen te slaan en bij de rechter-commissaris dat er gevochten werd met [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2] ), maar uit zijn verklaringen wordt niet duidelijk of hij daarmee alle drie de Marokkanen bedoelt. Weliswaar verklaart [slachtoffer 2] bij de rechter-commissaris dat hij op de persoon met het pistool gedoken is en dat de andere twee Marokkanen ook op hem gedoken kwamen, doch deze verklaring wijkt af van zijn verklaring bij de politie waarin hij aangeeft met slechts twee Marokkanen waaronder de man met het wapen geworsteld te hebben en waarin hij zegt dat nummer drie bij hem weinig in beeld is geweest. Voorts heeft hij bij de politie verklaard dat hij tijdens de worsteling heeft gezien dat [slachtoffer 4] met een van de Marokkanen aan het worstelen was om de zak met wiet, maar zulks vindt geen bevestiging in de verklaring van [slachtoffer 4] bij de politie, die niet spreekt over een met hem plaatsgevonden worsteling maar juist over een worsteling tussen [slachtoffer 2] en een van de daders, door hem aangeduid met nummer vijf. Niet duidelijk is of dit verdachte is geweest. Ook op basis van de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] kan derhalve niet zonder redelijke twijfel worden vastgesteld dat alle drie de Marrokkanen -dus ook verdachte- geweld hebben gebruikt. Uit de verklaring van de getuige [slachtoffer 1] bij de politie kan volgen dat de Marokkanen, door hem aangeduid met de nummers vijf en zes, naar de zak met wiet plukken en in die zin geweld hebben gebruikt, doch nu [slachtoffer 2] noch [slachtoffer 4] spreken over een met hen plaatsgevonden worsteling om de zak met wiet acht het hof deze verklaring onvoldoende doorslaggevend. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] kan verder volgen dat het verdachte is geweest die hem in de gang van de woning heeft geslagen. Evenwel heeft de verdediging gemotiveerd verweer gevoerd omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaring, nu [slachtoffer 1] in de woning aan het blowen was. [slachtoffer 1] heeft zelf verklaard dat hij heel stoned was, dat hij niet goed tegen drugs kan en dat zijn waarneming en herinnering daardoor was vertroebeld. Zo heeft [slachtoffer 1] bij de politie gezegd dat [slachtoffer 4] niet in de woning is geweest, terwijl de andere getuigen juist hebben verklaard dat [slachtoffer 4] wèl aanwezig was.

Voor wat betreft de situatie na afloop van de ripdeal overweegt het hof dat ook voor die situatie het bewijs tekort schiet om te oordelen dat van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de twee andere Marokkanen sprake is geweest. Het enkele feit dat verdachte na afloop van het gebeurde samen met de twee andere Marokkanen in de auto is gestapt en is weggereden met de weggenomen zak met wiet, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om uit te kunnen gaan van deze nauwe en bewuste samenwerking.

Gelet op het bovenstaande is bij het hof twijfel blijven bestaan over de vraag of de verdachte als mededader kan worden aangemerkt van feit 1 op de tenlastelegging. Deze twijfel dient in het voordeel van verdachte te leiden tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 april 2014 te ’s-Hertogenbosch opzettelijk aanwezig heeft gehad in perceel [adres] een hoeveelheid van in totaal 1.074,8 gram, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof gelet op de omstandigheid dat verdachte een aanzienlijke hoeveelheid hennep voorhanden heeft gehad. In het algemeen geldt voor verdovende middelen dat zij verslavend zijn, met alle nadelige gevolgen van dien voor de gebruikers zelf en voor de samenleving als geheel. Wetenschappelijk is aangetoond dat het frequent gebruik van softdrugs de volksgezondheid kan schaden, met name waar het geestelijke aandoeningen betreft. Door zijn handelwijze heeft verdachte bijgedragen aan deze nadelige gevolgen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 november 2016. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk tot straf is veroordeeld, maar niet voor een delict dat strafbaar is gesteld in de Opiumwet.

Het hof acht het passend en geboden om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van één maand. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal op deze straf in mindering worden gebracht.

Beslag

De hierna in het dictum te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking waartoe het onder 2 bewezen verklaarde is begaan en/of die vermeld zijn op lijst II van de Opiumwet, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang en zulks ook is bepaald in artikel 13a van de Opiumwet.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 1.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,00, te vermeerderen met de kosten van tenuitvoerlegging. De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Nu aan verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.350,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [slachtoffer 2] in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 13a van de Opiumwet, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde omtrent de hennep die is aangetroffen in het pand [adres] te 's-Hertogenbosch.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. een zak hennep, goednummer 786836, 82,95 gram bruto;

2. hennep in een plastic tas, goednummer 786845, 1074,8 gram bruto;

3. hennep in een AH zak, goednummer 786878, 77,05 gram bruto;

4. een zak hennep, goednummer 786364, 154,9 gram bruto;

5. een zak hennep, goednummer 786366, 1629,3 gram bruto.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij [slachtoffer 2] in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. E.A.A.M. Pfeil, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 23 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.