Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1207

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
200 207 715_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling.

De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Hulpverlening voor de kinderen op het gebied van het vergroten van hun weerbaarheid en hulpverlening om de communicatie tussen de ouders te verbeten is noodzakelijk en dient in het gedwongen kader plaats te vinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 23 maart 2017

Zaaknummer : 200.207.715/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/02/322072 JE RK 16-1846 en C/02/322069 JE RK 16-1845

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L. den Ouden,

tegen

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te ' [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- [belanghebbende] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest-Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 november 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 januari 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de GI strekkende tot de verlenging van de ondertoezichtstelling van de hierna te noemen kinderen af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 februari 2017, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 februari 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. R. Tamboenan, waarnemend voor mr. L. den Ouden;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de vader.

2.3.1.

De raad was niet ter zitting aanwezig.

2.3.2.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [de minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan schriftelijk gebruik gemaakt middels het formulier kindgesprek, welk formulier ter griffie is ingekomen op 7 februari 2017. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 24 februari 2017.

2.4.1.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben de moeder, de GI en de vader verklaard dat zij voornoemd V6-formulier met bijlagen niet hebben ontvangen. Daarop is de mondelinge behandeling voor enige tijd geschorst teneinde hen in de gelegenheid te stellen om kennis te nemen van de inhoud van deze stukken en daarop te reageren.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn geboren:

- [de minderjarige 1] (hierna te noemen: [de minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2005, te [geboorteplaats] ;

- [de minderjarige 2] (hierna te noemen: [de minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2007, te [geboorteplaats] .

De vader heeft de kinderen erkend.

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.2.

De kinderen staan sinds 1 juni 2015 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verlengd van 1 december 2016 tot 1 september 2017.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gronden van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nog steeds aanwezig zijn; de ondertoezichtstelling is ten onrechte verlengd. De moeder kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat de kinderen zich in een loyaliteitsconflict bevinden, nu hieraan geen rapportage van een gedrags-deskundige ten grondslag ligt. De moeder stelt dat de kinderen zich goed ontwikkelen, hun schoolprestaties goed zijn en er geen zorgen door andere instanties of hulpverleners worden geuit. Uit het overgelegde Evaluatie Plan van Aanpak d.d. 24 maart 2016 en het Vervolg Plan van Aanpak d.d. 23 november 2016 volgt – naar de mening van de moeder – dat er thans geen doelen meer zijn. De moeder staat open voor hulpverlening en de kinderen krijgen de zorg en hulp die zij nodig hebben. Ter zitting van het hof heeft de moeder hieraan toegevoegd dat [de minderjarige 2] thans op school een klassikale weerbaarheidstraining Rots en Water volgt. Het enige resterende doel van de ondertoezichtstelling is het werken aan de communicatie tussen de ouders. De moeder merkt op dat er in het verleden hiervoor reeds een “batterij” aan hulpverlening is ingezet zonder resultaat. In het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling staat vermeld dat er gezamenlijke gesprekken tussen de ouders dienen te worden opgestart. Uit voornoemd Vervolg Plan van Aanpak volgt dat er slechts één gezamenlijk gesprek heeft plaatsgevonden en dat de vader heeft verklaard geen ruimte te kunnen vinden in zijn werkzaamheden om hier een vervolg aan te geven. De moeder heeft hieraan ter zitting van het hof toegevoegd dat ten onrechte de verantwoordelijkheid voor de slechte communicatie tussen de ouders bij haar wordt neergelegd. De moeder stelt dat zij in de onderlinge communicatie aan de vader de ruimte geeft, maar dat hij dit niet zo ervaart. De ondertoezichtstelling heeft – naar de mening van de moeder – geen meerwaarde om uit de huidige situatie te geraken.

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – aan dat de ondertoezichtstelling dient te worden voortgezet, zodat de weerbaarheid van de kinderen kan worden versterkt en de ouders hun onderlinge communicatie kunnen verbeteren. De kinderen worden nog steeds belast met de scheidingsstrijd van de ouders. Er zijn geen bijzonderheden voor wat betreft de schoolse ontwikkelingen van de kinderen. Tijdens de dyslexiebehandeling van [de minderjarige 1] is gebleken van forse aandacht- en concentratie-problemen. Er is geadviseerd om in overleg met een kinderarts gedragsregulerende medicatie in te zetten. De moeder en de vader hebben hierover tegengestelde visies. Voorts zal de jeugdzorgwerker op korte termijn gaan bekijken welke hulpverlening nodig is om de weerbaarheid van de kinderen te vergroten. Er dient te worden bezien of de training Rots en Water op school voor [de minderjarige 2] voldoende is, nu deze training zeer laagdrempelig is en klassikaal wordt gegeven. Ter zitting van het hof heeft de GI verklaard dat de zorg in deze ondertoezichtstelling met name ligt op het gebied van de communicatie tussen de ouders. De vader wordt door de moeder onvoldoende betrokken in aangelegenheden betreffende de kinderen. Gelet op de leeftijd van de kinderen en de daarmee gepaard gaande belangrijke keuzes die eraan komen, moet de communicatie tussen de ouders verbeteren. De ouders moeten worden geholpen om te leren de belangen van de kinderen centraal te stellen.

Het is de GI nog niet gelukt om een start te maken met het verbeteren van de onderlinge communicatie tussen de ouders. Er is thans een nieuwe jeugdbeschermer bij het gezin betrokken die gespecialiseerd is in complexe echtscheidingsproblematiek. Zij heeft inmiddels een eerste gezamenlijk gesprek met de ouders ingepland op 17 maart 2017.

3.7.

De vader heeft ter zitting in hoger beroep – kort samengevat – verklaard dat de rechtbank de ondertoezichtstelling van de kinderen terecht heeft verlengd. De vader is van mening dat er nog steeds zorgen omtrent beide kinderen bestaan. [de minderjarige 2] kan moeilijk tegenslagen verwerken en heeft moeite om zich emotioneel te uiten. De moeder heeft de creatieve therapie van [de minderjarige 2] – tegen het advies van de therapeut en de wens van de vader – stopgezet. Deze therapie zou in het kader van de ondertoezichtstelling weer opgepakt kunnen worden. Het dossier van [de minderjarige 1] bij het GGZ is gesloten, maar er is ten aanzien van [de minderjarige 1] wel geadviseerd om hem een therapietraject te laten volgen waar ook de ouders bij worden betrokken. De moeder wilde hieraan echter niet haar medewerking verlenen. De vader heeft – desgevraagd – verklaard dat hij eerder vanwege zijn werk niet in staat was om deel te nemen aan de gezamenlijke oudergesprekken onder begeleiding van de gezinsvoogd.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.3.

Het hof stelt voorop dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep volgt dat zowel bij [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] sprake is van kindeigen problematiek. [de minderjarige 1] is gediagnosticeerd met PDD-NOS. Er is sprake van forse aandachts- en concentratieproblemen en hij kampt met dyslexie. De problematiek van [de minderjarige 2] bestaat eruit dat hij moeite heeft om zich emotioneel te uiten en moeite met de weerslag die de problematiek van [de minderjarige 1] en het daarmee gepaard gaande (drukke) gedrag op hem heeft. Voorts is er ook bij [de minderjarige 2] sprake van dyslexie. De kindeigen problematiek maakt dat beide kinderen behoefte hebben aan ouders die in staat zijn om op een zodanige wijze met elkaar te communiceren dat zij beslissingen van enig belang over de kinderen in goed gezamenlijk overleg kunnen nemen en daarmee op een verantwoorde wijze invulling kunnen geven aan hun gezamenlijk ouderschap en hulpverlening aan de kinderen op juiste wijze vorm kan krijgen. Het hof constateert dat de ouders hiertoe – ondanks de reeds eerder ingezette hulpverlening en de ondertoezichtstelling – nog steeds niet in staat zijn.

3.8.4.

Het hof is, gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De gronden voor de ondertoezichtstelling van de kinderen zijn nog onverkort aanwezig. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken dat verdere hulpverlening voor de kinderen op het gebied van het vergroten van hun weerbaarheid en hulpverlening om de communicatie tussen de ouders te verbeteren noodzakelijk is. Anders dan de moeder, is het hof van oordeel dat deze hulpverlening binnen het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling dient plaats te vinden. Het hof acht op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep – ondanks alle goede bedoelingen zoals die ter zitting zijn uitgesproken – hulpverlening in het vrijwillig kader op dit moment niet toereikend om de ontwikkelingsbedreiging af te wentelen. Niet te verwachten is dat partijen daartoe voldoende op een lijn zitten en bereid zullen zijn de adviezen ten aanzien van in te zetten hulpverlening op te volgen. De kinderen zullen door de ouders en met name ook door de moeder als verzorgende ouder gemotiveerd en gestimuleerd moeten worden om voor hen in te zetten hulpverlening te accepteren en daaraan mee te werken. De ervaring leert dat de ouders daar in het verleden niet altijd toe in staat zijn geweest en met name [de minderjarige 2] weerstand biedt als hij het gevoel krijgt iets te moeten. Gezien zijn leeftijd is het zorgelijk dat deze weerstand dan kennelijk niet wordt of kan worden doorbroken door de ouders. Het is van belang dat een en ander in het kader van de ondertoezichtstelling kan worden begeleid door een gezaghebbende derde. Verder is naar het oordeel van het hof niet te verwachten dat hulpverlening ten behoeve van de noodzakelijke verbetering van de communicatie van de ouders in het vrijwillig kader tot stand zal komen. Ook daar is nog een gedwongen kader voor nodig. Het hof verwacht wel dat thans voortvarend en met volledige inzet van zowel de ouders als de GI gewerkt gaat worden aan verbetering van de communicatie van de ouders en de problematiek van de kinderen en hun weerbaarheid.

Het hof is in het licht van al hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de rechtbank terecht de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] heeft verlengd tot 1 september 2017.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 28 november 2016;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, E.K. Veldhuijzen van Zanten en A.M.M. Hompus en is op 23 maart 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. E. Mimpen, griffier.