Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1127

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
200.208.334_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:11145
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht.

Vordering in kort geding tot doorbetaling van loon, terwijl het recht om de vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst te verzoeken is vervallen door verloop van de in artikel 7:686a lid 4 sub a BW gestelde termijn van twee maanden. Werkneemster heeft er niet in redelijkheid op mogen vertrouwen dat de werkgever geen beroep meer zou doen op de opzegging van de arbeidsovereenkomst. \Vordering tot doorbetaling loon afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 686a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1486
AR-Updates.nl 2017-0343
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.208.334/01

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. J.H.A. Nieste te Roermond,

tegen

[Wooncenter] Wooncenter B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [Wooncenter] ,

advocaat: mr. H.F.A. Bronneberg te Geleen,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 januari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van 19 december 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [Wooncenter] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 5551582 \ CV EXPL 16-11348)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met drie grieven en vijf producties;

  • -

    de memorie van antwoord met een productie.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.1.

De kantonrechter heeft in de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.12 van het vonnis enkele feiten vastgesteld. Tegen die rechtsoverwegingen zijn geen grieven gericht. Het hof zal de door de kantonrechter vastgestelde feiten hieronder weergeven (vernummerd tot 3.1.2 tot en met 3.1.12).

3.1.2.

[appellante] is op 23 mei 2008 bij [Wooncenter] voor bepaalde tijd in dienst getreden in de functie van verkoopster meubels. Met ingang van 7 oktober 2009 is de arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De arbeidsduur bedraagt 25 uur per week.

3.1.3.

Op 12 april 2014 zijn partijen een wijziging van de arbeidsovereenkomst overeengekomen inhoudende dat [appellante] te werk werd gesteld in het filiaal te [filiaalplaats] in de functie van gastvrouw/verkoopster keukens voor 25 uur per week. Haar laatstgenoten loon bedraagt € 1.224,17 bruto per maand.

3.1.4.

Op 12 juli 2016 heeft [appellante] zich ziek gemeld.

3.1.5.

Op 28 juli 2016 heeft [appellante] het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht die een probleemanalyse en advies heeft opgesteld. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat werkhervatting niet mogelijk is en heeft geadviseerd om daarmee te wachten tot [appellante] in de volgende fase van het revalidatieprogramma is, dat nog minstens 2-3 weken duurt, waarna de werkhervatting geleidelijk moet worden opgebouwd.

3.1.6.

Bij brief van 29 juli 2016 heeft [Wooncenter] aan [appellante] meegedeeld dat: “… wij heden uw arbeidsovereenkomst opzeggen. Met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn welke in uw geval twee maanden bedraagt zullen wij de arbeidsovereenkomst per 30 september 2016 beëindigen. De reden van beëindiging ligt in het feit dat wij totaal geen vertrouwen meer hebben in uw arbeidshouding en de wijze waarop u uw taken invult.”

3.1.7.

Bij schrijven van 3 augustus 2016 heeft [appellante] aan [Wooncenter] bericht dat de opzegging niet rechtsgeldig is geschied omdat sprake is van een opzegverbod en geen ontslagvergunning door het UWV is verleend.

3.1.8.

[Wooncenter] heeft hierna per e-mail d.d. 5 augustus 2016 aan [appellante] meegedeeld dat het [Wooncenter] bekend is dat sprake is van een opzegverbod, maar dat zij de arbeidsovereenkomst met [appellante] wenst te beëindigen en dat zij via een vaststellingsovereenkomst het volgende aanbiedt: beëindiging per 30 september 2016, beëindigingsvergoeding € 3.000,00 bruto, vrijstelling van arbeid tot 30 september 2016 met verrekening verlof en vakantiedagen en hersteld melding door [appellante] uiterlijk per 29 september 2016.

3.1.9.

Op 12 augustus 2016 heeft [appellante] wederom het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat herstel dient te worden afgewacht en dat er geen re-integratie mogelijkheden zijn.

3.1.10.

Vanaf oktober 2016 heeft [Wooncenter] de loondoorbetaling aan [appellante] gestaakt.

3.1.11.

Op 20 oktober 2016 heeft [appellante] andermaal het spreekuur van de bedrijfsarts bezocht. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat er sprake is van relatief ernstige mentale beperkingen en dat intensieve revalidatie nodig is om hiervan te herstellen.

3.1.12.

[appellante] heeft vervolgens een deskundigenoordeel aan het UWV gevraagd. Op 8 december 2016 heeft het UWV geoordeeld dat [appellante] vanaf 12 juli 2016 arbeidsongeschikt is te achten op basis van ziekte.

3.2.1.

In de onderhavige kortgedingprocedure vordert [appellante] , samengevat, veroordeling van [Wooncenter] bij wege van voorlopige voorziening:

 a) tot betaling van loon over de maanden oktober en november 2016 ad € 1.224,17 bruto per maand aan [appellante] , vermeerderd met 8% vakantietoeslag en vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata van de salarisbetalingen;

 b) tot afgifte van loonspecificaties over de maanden oktober en november 2016 op straffe van verbeurte van een dwangsom;

 c) tot betaling van loon ad € 1.224,17 bruto per maand aan [appellante] vanaf 1 december 2016 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

 d) tot betaling van € 367,20 ter zake buitengerechtelijke incassokosten;

met veroordeling van [Wooncenter] in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat er geen reden is om het loon niet aan haar te betalen en voor zover [Wooncenter] zich op het standpunt zal stellen dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, heeft [Wooncenter] zelf de onjuistheid van dat standpunt erkend.

3.2.3.

[Wooncenter] heeft verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In rov 3.1 van het beroepen vonnis heeft de kantonrechter vooropgesteld dat in het kader van deze kortgedingprocedure beoordeeld moet worden of de door [appellante] ingestelde vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat het gerechtvaardigd is daarop door toewijzing van de vorderingen in kort geding vooruit te lopen.

3.3.2.

In rov. 3.2 van het beroepen vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat daarom in deze zaak de vraag beantwoord zou moeten worden of [appellante] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [Wooncenter] de opzegging van de arbeidsovereenkomst tegen 30 september 2016 niet zou handhaven. Uit het vervolg van die rechtsoverweging en uit de inhoud van rechtsoverweging 2.14, waarin de kantonrechter het standpunt van [appellante] heeft weergegeven, is af te leiden dat deze overweging van de kantonrechter verband houdt met het feit dat:

 de kantonrechter ingevolge artikel 7:681 lid 1 BW op verzoek van een werknemer de opzegging van een arbeidsovereenkomst kan vernietigen;

 een dergelijk verzoek van de werknemer ingevolge artikel 7:686a lid 4 sub a BW moet worden ingediend binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, en dat de bevoegdheid om een dergelijk verzoekschrift in te dienen daarna vervalt;

 in het onderhavige geval een dergelijk verzoek niet is ingediend binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst volgens de opzegging is geëindigd.

De kantonrechter heeft met de rechtsoverweging klaarblijkelijk tot uitdrukking willen brengen dat:

 de bevoegdheid van [appellante] om een verzoek in te dienen tot vernietiging van de opzegging van haar arbeidsovereenkomst is vervallen wegens overschrijding van de in artikel 7:686a lid 4 sub a BW gestelde termijn;

 de arbeidsovereenkomst daarom voorshands uitsluitend geacht kan worden in stand te zijn gebleven, als [appellante] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [Wooncenter] de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet zou handhaven.

3.3.3.

In rov. 3.3 van het vonnis heeft de kantonrechter het volgende oordeel opgenomen:

“Echter, daargelaten of die vraag in deze spoedeisende procedure, die zich niet leent voor nadere bewijsvoering, beantwoord zou kunnen worden, is allereerst van belang of voldoende aannemelijk is dat [appellante] een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van haar vorderingen. Die vraag moet ontkennend beantwoord worden. [appellante] heeft namelijk gesteld dat zij rechtstreeks van het UWV een ziekengelduitkering ontvangt en dat de hoogte daarvan nagenoeg gelijk is aan haar laatstgenoten loon. [appellante] heeft derhalve geen spoedeisend financieel belang. [appellante] heeft geen ander spoedeisend belang aangevoerd op grond waarvan van haar niet gevergd kan worden een uitspraak in een bodemprocedure af te wachten.”

Op grond van dit oordeel heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten van het geding in eerste aanleg veroordeeld (welke kosten de kantonrechter aan de zijde van [Wooncenter] op nihil heeft begroot).

3.3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellante] heeft op basis van die grieven geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis in kort geding en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

Met betrekking tot de grieven I en II: spoedeisend belang?

3.4.1.

Grief I is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellante] geen spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen omdat zij van het UWV een ziekengelduitkering ontvangt waarvan de hoogte nagenoeg gelijk is aan haar laatstgenoten loon. In de toelichting op de grief heeft [appellante] gesteld dat zij weliswaar een eenmalige betaling van ziekengeld heeft ontvangen, maar dat deze ten onrechte aan haar is verstrekt en moet worden terugbetaald omdat [appellante] betwist dat haar dienstverband bij [Wooncenter] geëindigd is.

3.4.2.

Naar het oordeel van het hof kunnen deze grieven niet leiden tot vernietiging van het vonnis in kort geding, strekkende tot afwijzing van de door [appellante] gevorderde voorlopige voorzieningen. Ook als het hof zou uitgaan van de veronderstelling dat [appellante] spoedeisend belang heeft bij die vorderingen, zijn die vorderingen immers niet toewijsbaar. Dat blijkt uit hetgeen het hof hierna met betrekking tot grief III zal overwegen. De grieven I en II kunnen dus, ook als zij terecht zouden zijn voorgedragen, geen doel treffen.

Met betrekking tot grief III: Verval van het recht om een verzoekschrift in te dienen tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst?

3.5.1.

Grief III borduurt voort op de grieven I en II. In de toelichting op de grief betoogt [appellante] dat de kantonrechter zich had moeten uitlaten over de vraag of [appellante] erop had mogen vertrouwen dat [Wooncenter] de opzegging van de arbeidsovereenkomst had ingetrokken. Volgens [appellante] had de kantonrechter die vraag bevestigend moeten beantwoorden. [appellante] is kennelijk van mening dat [Wooncenter] zich daarom niet meer op de opzegging mag beroepen, zodat haar arbeidsovereenkomst in stand gebleven is.

3.5.2.

Het hof stelt voorop dat [appellante] niet heeft betwist dat [Wooncenter] de arbeidsovereenkomst van [appellante] per brief van 29 juli 2016 heeft opgezegd met ingang van 1 oktober 2016 (“per 30 september 2016”). [appellante] heeft voorts niet betwist dat zij niet binnen twee maanden na 1 oktober 2016 een verzoekschrift heeft ingediend tot vernietiging van de opzegging. Ook heeft [appellante] niet bestreden dat haar recht om alsnog een dergelijk verzoek tot vernietiging van de opzegging in te dienen, door de overschrijding van de tweemaandentermijn vervallen is.

3.5.3.

Het door [appellante] in het kader van grief 3 gehouden betoog komt erop neer dat zij er op grond van de feiten en omstandigheden die zich na de verzending van de brief van 29 juli 2016 hebben voorgedaan, redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat [Wooncenter] die opzegging had ingetrokken. Volgens [appellante] kan zij [Wooncenter] nu aan die intrekking van de opzegging houden en is haar arbeidsovereenkomst dus in stand gebleven.

[Wooncenter] heeft de grief bestreden. Zij meent dat zij niet het vertrouwen heeft gewekt dat zij de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft ingetrokken, en volgens haar heeft [appellante] dat ook niet redelijkerwijs mogen aannemen.

3.5.4.

Het hof stelt voorop dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst bij de brief van 29 juli 2016 in duidelijke en niet voor misverstand vatbare bewoordingen heeft plaatsgevonden. Uit de reactie van de advocaat van [appellante] bij brief van 3 augustus 2016 blijkt dat [appellante] heeft begrepen dat [Wooncenter] haar arbeidsovereenkomst had opgezegd met ingang van 1 oktober 2016.

3.5.5.

Uit het feit dat [Wooncenter] vervolgens bij e-mail van 5 augustus 2016 aan [appellante] onder meer heeft meegedeeld dat het [Wooncenter] bekend is dat sprake is van een opzegverbod, maar dat zij geen enkel vertrouwen meer heeft in de arbeidsethos en taakvervulling van [appellante] en dat zij de arbeidsovereenkomst om die reden wil beëindigen en daartoe een regeling aanbiedt, heeft [appellante] naar het voorlopig oordeel van het hof niet zonder meer mogen afleiden dat [Wooncenter] , ook indien [appellante] de aangeboden regeling niet zou accepteren, de opzegging introk. Ook uit de omstandigheid dat [appellante] nog enkele keren bij de bedrijfsarts heeft moeten verschijnen, heeft zij naar het voorshands oordeel van het hof in de gegeven omstandigheden niet mogen afleiden dat [Wooncenter] de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft willen intrekken. Het hof acht hierbij mede van belang dat [Wooncenter] de betaling van loon aan [appellante] met ingang van 1 oktober 2016 heeft gestaakt. Dat is aan [appellante] onmiskenbaar duidelijk geworden toen zij in de loop van oktober 2016 een salarisspecificatie ontving waarop geen salaris over die maand werd verloond maar die een eindafrekening betrof, uitgaande van beëindiging van de arbeidsovereenkomst per het einde van de maand september 2016 (aldus ook punt 8 van de inleidende dagvaarding). Door middel van deze specificatie werd aan [appellante] bevestigd dat [Wooncenter] vasthield aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2016. [appellante] (die werd bijgestaan door een advocaat) had overigens ook op dat moment nog ruimschoots de gelegenheid om binnen de vervaltermijn van twee maanden, die pas op 1 december 2016 zou verlopen, een verzoek tot vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst in te dienen.

3.5.6.

In het kader van het onderhavige kort geding moet om bovenstaande redenen voorshands worden geconcludeerd dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet is ingetrokken of vernietigd, dat de arbeidsovereenkomst dus als gevolg van de opzegging met ingang van 1 oktober 2016 is geëindigd en dat de door [appellante] gevorderde voorlopige voorzieningen om die reden niet toewijsbaar zijn. Voor het laten plaatsvinden van bewijslevering is binnen het kader van dit kort geding geen aanleiding aanwezig. De grieven kunnen om deze reden geen doel treffen.

Conclusie

3.6.

Omdat de grieven geen doel treffen, zal het hof het beroepen vonnis in kort geding van 19 december 2016 bekrachtigen en [appellante] veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 5551582 \ CV EXPL 16-11348 tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van 19 december 2016;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [Wooncenter] op € 716,-- aan vast recht en op € 894,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M. van Ham en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 maart 2017.

griffier rolraadsheer