Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1118

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
200.207.479_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:10816
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

non-concurrentie beding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1522
AR-Updates.nl 2017-0339
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.207.479/01

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. H. Feyli te Oisterwijk,

tegen

Limburgse Koelindustrie Liko B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.V.C. Savelkoul te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 januari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, burgerlijk recht, van 12 december 2016, gewezen tussen appellant - [appellant] - als eisende partij in conventie en verwerende partij in reconventie en geïntimeerde -Liko- als gedaagde partij in conventie en eisende partij in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 5435357 CV EXPL 16-9167)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep, tevens bevattende de grieven, waarbij producties zijn overgelegd;

- de memorie van antwoord, waarbij producties zijn overgelegd;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de appeldagvaarding bevattende de grieven.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis onder “2. De feiten” vastgesteld van welke feiten bij de beoordeling van het geschil is uitgegaan. Die feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Hierna volgt een opsomming van alle feiten.

a. [appellant] is per 1 januari 2015 krachtens arbeidsovereenkomst full-time in dienst getreden van Liko in de functie van koeltechnisch monteur. Ingevolge artikel 1 van de arbeidsovereenkomst (productie 1 dagvaarding in eerste aanleg) is deze met ingang van 1 januari 2016 gecontinueerd voor onbepaalde tijd.

b. Voor zover van belang houdt arbeidsovereenkomst d.d. 22 december 2015 in (productie 1 dagvaarding in eerste aanleg):

Artikel 14

Zowel gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst als gedurende één jaar na beëindiging daarvan is het ‘ [appellant] ’ behoudens de voorafgaande schriftelijke toestemming van ‘Liko’, verboden om binnen een straal van 125 km met de hoofdvestiging van ‘Liko’ als middelpunt, in enige vorm een zaak, gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan de van ‘Liko’ te (doen) drijven, hetzij direct, hetzij indirect, alsook financieel in welke vorm dan ook bij een dergelijke zaak belang te hebben of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, en/of daarin aandeel van welke aard dan ook te hebben.

Partijen komen overeen dat vanaf het moment dat de huidige hoofdvestiging van ‘Liko’ wijzigt, de hierboven aangegeven straal van 125 km dienovereenkomstig wijzigt.

(…)

Artikel 16

Indien ‘ [appellant] ’ de artikelen 10 tot en met 15 op enigerlei wijze overtreedt en/of niet nakomt, verbeurt hij aan ‘Liko’ een direct en zonder nadere aanmaning, ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst, opeisbare boete ten bedrage van EURO € 5.000,-- per overtreding, te vermeerderen met EURO 1.500,-- voor iedere kalenderdag dat de overtreding voortduurt en onverminderd de bevoegdheid van ‘Liko’ om daarnaast vergoeding van de volledige schade alsmede nakoming te vorderen. (…)

c. Voorafgaand aan het dienstverband met Liko heeft [appellant] ruim tien jaar gewerkt bij een ander bedrijf, Koeltex B.V., eveneens als koeltechnisch monteur, doch dat dienstverband is wegens bedrijfseconomische redenen beëindigd.

d. Bij e-mailbericht van 28 juni 2016 (productie 3 dagvaarding in eerste aanleg) heeft [appellant] aan Liko meegedeeld:

“Met deze brief bied ik u mijn ontslag aan. Ik heb een andere baan gevonden. Daarom zeg ik onze arbeidsovereenkomst, met inachtneming van de opzegtermijn van een maand, op per 28 juni (noot hof: bedoeld is juli) 2016.

Ik wil u bedanken voor de goede en correcte samenwerking waarvan ik de afgelopen anderhalf jaar heb mogen genieten (…)”.

e. De ‘andere baan’ waar [appellant] op doelde in laatstgenoemd e-mailbericht, betrof een aanbod van zijn vorige werkgever Koeltex om aldaar (weer) in dienst te treden.

f. Per brief van 22 juli 2016 (productie 5 dagvaarding in eerste aanleg) heeft Liko de ontvangst van de opzegging aan [appellant] bevestigd. Tevens wordt in die brief vermeld:

Zoals wederom tijdens het overleg d.d. 22-07 jl. medegedeeld, handhaven wij het overeengekomene in art. 11 t/m art. 16 van de onderhavige arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd d.d. 01-01-2016. Dit houdt onder meer in dat wij jou zullen houden aan het hierin vastgelegde en overeengekomen geheimhoudings- en concurrentiebeding waardoor je niet, zoals op 22-07 jl. ook al met jou besproken, vóór 01-08-2017 op welke manier dan ook voor Koeltex dan wel voor alle andere in voornoemde artikelen vermelde organisaties werkzaam mag zijn.

g. Bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg van het kort geding heeft [appellant] te kennen gegeven dat tot op dat moment nog geen arbeidsovereenkomst met Koeltex is gesloten omdat laatstgenoemde door Liko op de hoogte is gesteld van het non-concurrentiebeding en deswege heeft aangegeven eerst de uitkomst van dit kort geding af te wachten alvorens een arbeidsovereenkomst met [appellant] te sluiten.

4.2.1

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Ten aanzien van het non-concurrentiebeding:

a. De werking van het non-concurrentiebeding inclusief boetebeding uit de arbeidsovereenkomst, te schorsen voor een periode van 12 maanden ingaande vanaf augustus 2016, voor zover bij wege van een voorlopig oordeel komt vast te staan dat er sprake is van een non-concurrentiebeding en boetebeding en dat gelding heeft, dan wel de werking van de bedingen zodanig te beperken, dan wel de boete te matigen, dan wel wat de kantonrechter in goede justitie juist acht, zulks totdat in de bodemprocedure daarover is beslist; dan wel

b. Liko te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een vergoeding ex art. 7:653 lid 5 BW binnen vijf dagen na dagtekening van het vonnis, van € 3.160,79 bruto exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten voor de duur van de beperking, te weten 12 maanden, vanaf 1 augustus 2016 tot 1 augustus 2017, dan wel een door de kantonrechter te bepalen voorschot, telkens te betalen uiterlijk op de laatste dag van iedere kalendermaand, te vermeerderen met wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en de wettelijke rente ingeval van te late betaling te betalen vanaf het verstrijken van de betalingsperiode tot aan de dag der algehele voldoening;

en

II. Liko te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een voorschot van € 4.000,- voor schade bestaande uit juridische kosten aan de zijde van [appellant] binnen vijf dagen na dagtekening van het vonnis, een en ander te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;

en

III. Liko te veroordelen tot betaling aan [appellant] binnen vijf dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis van € 3.806,32 bruto (296,76 bruto + € 548,79 bruto + € 2.960,77 bruto) aan vakantiebijslag en opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met wettelijke verhoging van 50% ex art. 7:625 BW en de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf de dag der opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening, op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag dat betaling uitblijft;

en

IV. Liko te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijk rente ex art. 6:119 BW vanaf de datum van de opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening, alsmede in de nakosten.

4.2.2

Liko heeft in reconventie gevorderd dat de kantonrechter, als voorzieningenrechter recht doende in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

a. [appellant] tot 1 augustus 2017 zal verbieden om bij Koeltex B.V. in dienst te treden en/of op enigerlei wijze, direct of indirect, gehonoreerd of niet gehonoreerd, voor Koeltex B.V. werkzaam te zijn;

b. [appellant] zal gebieden om tot 1 augustus 2017 het in de artikelen 14 respectievelijk 12 van de arbeidsovereenkomst d.d. 22 december 2015 opgenomen concurrentiebeding en relatiebeding onverkort na te leven;

c. zal bepalen dat [appellant] aan Liko een dwangsom verbeurt van € 5.000,- per overtreding, te vermeerderen met een dwangsom van € 1.500,- voor elke dag of gedeelte van een dag dat [appellant] niet aan het onder a. vermelde verbod en/of b. vermelde gebod voldoet;

subsidiair:

d. een andere voorlopige voorziening zal treffen, die de voorzieningenrechter passend acht;

primair en subsidiair:

e. [appellant] zal veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf acht dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening.

4.2.3

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat het niet voldoende waarschijnlijk is dat in een bodemprocedure het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zal worden vernietigd op de voet van art. 7:653 BW. Het beding is volgens hem rechtsgeldig afgesproken en de door [appellant] aangevoerde belangen zijn niet voldoende om tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van het non-concurrentiebeding over te gaan.

Het in conventie onder III gevorderde zoals hiervoor is vermeld, is als onbetwist wel toegewezen. De voorzieningenrechter heeft, gelet op hetgeen in conventie ter zake het non-concurrentiebeding is geoordeeld, het in reconventie gevorderde toegewezen. De door Liko onder c. gevorderde dwangsom is gemaximeerd tot € 20.000,-.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten in conventie en reconventie zijn gecompenseerd.

4.3

[appellant] vordert onder het voordragen van vijf grieven dat het hof uitvoerbaar bij voorraad het vonnis in conventie en reconventie van 12 december 2016 zal vernietigen voor zover zijn vorderingen zijn afgewezen en, naar het hof begrijpt, die van Liko zijn toegewezen, en opnieuw rechtdoende,

I. Ten aanzien van het non-concurrentiebeding:

a. De werking van het non-concurrentiebeding inclusief boetebeding uit de arbeidsovereenkomst, te schorsen voor een periode van 12 maanden ingaande vanaf augustus 2016, dan wel de werking van het beding zodanig te beperken, althans de boete te matigen en/of te maximeren, dan wel te doen wat het hof in goede justitie juist acht, zulks totdat in de bodemprocedure daarover is beslist; dan wel

b. Liko te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een vergoeding ex art. 7:653 lid 5 BW binnen vijf dagen na dagtekening van het vonnis, van € 3.160,79 bruto exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten voor de duur van de beperking voortvloeiende uit het non-concurrentiebeding, te weten 12 maanden, vanaf 1 augustus 2016 tot 1 augustus 2017, dan wel een door het hof te bepalen voorschot, telkens te betalen uiterlijk op de laatste dag van iedere kalendermaand, te vermeerderen met wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en de wettelijke rente ingeval van te late betaling te betalen vanaf het verstrijken van de betalingsperiode tot aan de dag der algehele voldoening; dan wel

c. datgene te doen dat het hof in goede justitie vermeent te moeten doen;

en

II. Liko te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een voorschot van € 4.000,- voor schade bestaande uit juridische kosten aan de zijde van [appellant] binnen vijf dagen na dagtekening van het arrest (zoals het hof “vonnis” leest), een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;

en

III. af te wijzen alle reconventionele vorderingen van Liko;

en

IV. Liko in conventie en reconventie te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijk rente ex art. 6:119 BW vanaf de datum van de opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening, alsmede in de nakosten.

Liko voert verweer.

4.4

Met de eerste drie grieven voert [appellant] aan dat een juiste belangenafweging met zich brengt dat zijn vordering moet worden toegewezen en dat die van Liko moet worden afgewezen. Die grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

4.5

Het hof stelt voorop dat de door [appellant] gevorderde voorziening in het kader van dit kort geding slechts toewijsbaar is indien aannemelijk is dat de bodemrechter een vonnis zal wijzen dat in overeenstemming is met de thans gevraagde voorziening. Die bodemrechter kan een non-concurrentiebeding als het onderhavige dat is aangegaan bij de tussen [appellant] en Liko voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst krachtens art. 7:653 lid 3 sub b BW geheel of gedeeltelijk vernietigen indien in verhouding tot het te beschermen belang van Liko, [appellant] door het beding onbillijk wordt benadeeld. Van belang is verder dat dit spoed hoger beroep van een kort gedingvonnis zich naar zijn aard niet leent voor bewijslevering. Ten slotte is van belang dat het in art. 19 lid 3 van de Grondwet neergelegde recht op vrije keuze van arbeid niet ongeclausuleerd is. Lid 3 houdt immers in dat het recht op vrije keuze van arbeid wordt erkend behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld. Krachtens art. 7:653 BW kan een non-concurrentiebeding geldig zijn, waarmee dus krachtens de wet een beperking op het recht van vrije keuze van arbeid mogelijk is.

4.6

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij in verhouding tot het te beschermen belang van Liko onbillijk wordt benadeeld voert [appellant] aan dat hij voordat hij bij Liko in dienst is getreden alleen maar bij Koeltex heeft gewerkt en wel voor ruim tien jaar, waar bij het vak heeft geleerd. Bij Liko is [appellant] koeltechnisch monteur, maar bij zijn terugkeer naar Koeltex kan hij de functie van hoofdmonteur vervullen met een salarisverbetering met ingang van zes maanden na terugkeer bij Koeltex. [appellant] voert verder aan dat hij maar kort heeft gewerkt bij Liko en dat hij is weggegaan omdat hij zich bij Liko niet thuis voelde, het boterde al geruime tijd niet meer tussen hem en Liko en hij is ziek op het werk uitgevallen. Hij vindt het verder van belang dat de duur van de periode waarin hij bij Liko heeft gewerkt, 19 maanden, onevenredig kort is bezien in verhouding tot de duur van 12 maanden die het beding heeft. Hij kan verder niet eenvoudig werk vinden, en hij heeft inmiddels diverse malen vergeefs gesolliciteerd. Hij ontvangt geen WW-uitkering omdat hij zelf ontslag heeft genomen. Daartegenover staat, aldus [appellant] , dat hij niet beschikt over specifieke bedrijfsinformatie omtrent Liko, dat sprake is van een relatiebeding inhoudende dat hij een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst geen contact mag onderhouden met klanten van Liko (art. 12 van de arbeidsovereenkomst), dat hij geen bijzondere kennis heeft van klanten van Liko en als uitvoerend koelmonteur evenmin beschikt over prijzen en marges die Liko hanteert. Het is ook de vraag, aldus [appellant] , of Koeltex wel een concurrent is van Liko omdat Koeltex zich vooral richt op land- en tuinbouw en Liko overwegend andere klanten heeft. Liko heeft nauwelijks of niet in hem geïnvesteerd in de korte looptijd van de arbeidsovereenkomst. Er zijn geen personen dankzij [appellant] klant geworden bij Liko, en het is niet waarschijnlijk dat klanten van Liko bij haar weggaan omdat [appellant] is weggegaan en naar Koeltex wil terugkeren. Al met al weegt zijn in art. 19 lid 3 van de Grondwet neergelegde recht op vrije keus van arbeid, zwaarder dan instandhouding van het non-concurrentiebeding, aldus [appellant] .

4.7.1

Zoals hiervoor reeds vermeld is de te beantwoorden vraag of [appellant] bij handhaving van het beding onbillijk wordt benadeeld in verhouding tot het te beschermen belang van Liko. In rov. 4.6 zijn wat dit betreft de feiten en omstandigheden genoemd die moeten worden gewogen. De eerste vraag is welke van die feiten voldoende vaststaan om daarvan te kunnen uitgaan.

4.7.2

In dit geding is niet voldoende komen vast te staan dat de overstap van [appellant] van Liko naar Koeltex een voldoende relevante positie- en/of salarisverbetering met zich zou brengen. Op de vraag van [appellant] aan Koeltex of als het half jaar contract dat was gesloten zou zijn afgelopen, er bij een vervolgcontract een salarisverhoging in zat, is weliswaar met ja geantwoord (productie 6 bij appeldagvaarding), maar in die berichtenwisseling zitten de nodige onzekerheden. Ten eerste blijkt eruit dat [appellant] een halfjaar contract zou krijgen en gesteld noch gebleken is dat dit met zekerheid zou worden verlengd. Ten tweede houden volgens het hof de woorden dat er een salarisverhoging inzat niet perse in dat er een salarisverhoging komt, maar slechts dat deze tot de mogelijkheden behoorde.

4.7.3

Uit het door [appellant] als productie 5 bij appeldagvaarding overgelegde “werkhervattingsadvies” van 13 maart 2016 blijkt onvoldoende in welke mate zijn ziekte werkgerelateerd is geweest. Het advies houdt immers onder meer in dat [appellant] arbeidsongeschikt is “(…) als gevolg van ziekte als gevolg van werk en privéproblemen.” Daaruit kan onvoldoende worden afgeleid dat het beter voor de gezondheid van [appellant] was om bij Liko te vertrekken en dat hij bij een andere werkgever niet diezelfde werkproblemen zou hebben gehad. Het hof wijst er verder op dat in elk geval uit het e-mailbericht waarmee [appellant] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd voor zover inhoudende: “Ik wil u bedanken voor de goede en correcte samenwerking waarvan ik de afgelopen anderhalf jaar heb mogen genieten (…)” (rov 4.1 sub d), niet volgt dat hij een onprettige arbeidstijd heeft gehad bij Liko.

4.7.4

De arbeidsduur van 19 maanden kan niet heel lang worden genoemd, maar gesteld noch gebleken is dat [appellant] in die tijd het bedrijf van Liko niet volledig heeft gezien. [appellant] heeft evenmin gesteld dat er nog een aanzienlijk aantal klanten van Liko is, waarmee hij nog geen contact heeft gehad. Hierbij dient te worden meegewogen dat [appellant] zich zelf in de positie heeft gebracht dat de arbeidsverhouding maar 19 maanden heeft geduurd. Het hof wijst er in dit verband op dat hij op 1 januari 2015 bij Liko is begonnen met een contract voor een jaar waarin geen non-concurrentiebeding was opgenomen en dat [appellant] geen pogingen heeft ondernomen om tijdig over zijn wens om van werkgever te veranderen met Liko te overleggen om te bezien welke mogelijkheden er waren om eventueel de werking van het beding te verzachten. Hij heeft wat dit betreft Liko voor voldongen feiten gesteld.

4.7.5

De stelling van [appellant] dat hij niet eenvoudig werk kan vinden, is slechts onderbouwd met een afwijzingsbericht van de Unica Groep van 21 december 2016 en een ontvangstbericht van een sollicitatie bij Connexys van 21 november 2016 (productie 2 appeldagvaarding), en bijvoorbeeld niet van een bericht van een arbeidsbureau omtrent het bestaan van vacatures als koelmonteur buiten de straal van 125 km (zie rov. 4.1 sub b). Daarmee is onvoldoende komen vast te staan dat [appellant] , wonend in [woonplaats] , geen werk zou kunnen vinden boven Geldermalsen, de plaats waar de straal van 125 km eindigt. Nu onvoldoende vast staat dat hij geen werk zou kunnen vinden buiten de genoemde straal van 125 km en op acceptabele afstand van zijn woonplaats, komt weinig gewicht toe aan de omstandigheid dat hij geen WW-uitkering krijgt omdat hijzelf ontslag heeft genomen.

4.8

Aan de hand van de door Liko al in eerste aanleg overgelegde producties 1 en 2, overzichten van werkzaamheden van Liko en Koeltex, staat voorshands voldoende vast dat beide bedrijven elkaar overlappende werkzaamheden verrichten en concurrenten zijn op het terrein van koeltechniek. [appellant] heeft verder erkend dat hij in elk geval een zestal opleidingen heeft gevolgd tijdens zijn dienstverband en een aantal workshops, trainingen en/of opleidingen. Zo die workshops, trainingen en/of opleidingen al een verplichting vormen voor Liko omdat haar klanten wensten dat personeel van Liko deze volgden, ziet het hof zonder nadere, maar ontbrekende toelichting, niet waarom het niet in het belang van Liko zou zijn dat een concurrent van haar niet meteen kan profiteren met die dankzijn Liko door [appellant] verkregen vaardigheden. Daarmee vormen die opleidingen, workshops en trainingen feiten die moeten worden meegewogen ten gunste van Liko. Liko heeft niet betwist dat er geen personen dankzij [appellant] klant zijn geworden bij Liko. Liko heeft evenmin voldoende onderbouwd aangevoerd dat het waarschijnlijk is dat klanten van Liko bij haar weggaan omdat [appellant] is weggegaan en naar Koeltex wil terugkeren.

4.9

Uit al het vorenstaande volgt dat dermate veel van de door [appellant] te zijner gunste aangevoerde omstandigheden of voorshands niet zijn komen vast te staan of zodanig aan [appellant] moeten worden toegerekend dat in verhouding tot het te beschermen belang van Liko, niet kan worden geoordeeld dat [appellant] zodanig onbillijk door het beding wordt benadeeld dat één of meer van zijn vorderingen kunnen worden toegewezen. Het hof merkt hierbij nog op dat het niet inziet dat het feit dat [appellant] ruim 10 jaar voor Koeltex heeft gewerkt ten gunste van [appellant] kan meewegen. Het hof is van oordeel dat dit punt bezien in het licht van het feit dat [appellant] 19 maanden heeft gewerkt bij Liko en daar in elk geval een aantal workshops, trainingen en/of opleidingen heeft gevolgd, nauwelijks ten nadele van Liko meeweegt. Daarmee falen de eerste drie grieven.

4.10

In de vierde grief klaagt [appellant] over de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsommen. Hij miskent daarmee dat deze dwangsommen hun grondslag alleen vinden in hetgeen partijen hebben afgesproken. Het betreft enkel de contactuele dwangsommen zoals hiervoor in rov. 4.1 sub b zijn vermeld en [appellant] heeft verder niet toegelicht waarom Liko thans geen beroep zou kunnen doen op dit afgesproken beding. De contractuele dwangsommen zijn vervolgens door de voorzieningenrechter gelet op het salaris dat [appellant] bij Liko verdiende, op een alleszins redelijk bedrag gemaximeerd. Het hof merkt hierbj nog op dat de arbeidsovereenkomst daarvoor geen expliciete grondslag kende. Daarmee faalt ook de vierde grief.

4.11

In zijn vijfde en laatste grief voert [appellant] aan dat het beding hem in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van Liko werkzaam te zijn, zodat Liko hem krachtens art. 7:653 BW lid 5 een vergoeding moet betalen. De grief faalt. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat [appellant] geen werk kan vinden binnen een acceptabele afstand van zijn woonplaats maar buiten de cirkel van 125 km.

4.12

Het hof zal het vonnis waarvan beroep gelet op het feit dat alle grieven falen, bekrachtigen en [appellant] als in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van dit hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 12 december 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, tot heden aan de zijde van Liko begroot op € 716,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit arrest, bij niet betaling binnen deze termijn te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf het aflopen van die termijn tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, J.R. Sijmonsma en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 maart 2017.

griffier rolraadsheer