Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1114

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
200.201.682_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:7736
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Kort geding. Loonstop met terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1619
Prg. 2017/131
AR-Updates.nl 2017-0382
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.201.682/01

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. R.G.P. Voragen te Heerlen,

tegen

1 Post & Pakket Distributie Service V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

en haar vennoten:

2. [vennoot 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [vennoot 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als PPDS,

advocaat: mr. J.F.E. Kikken te Hoensbroek,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 oktober 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 september 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in kort geding gewezen tussen [appellante] als eiseres en PPDS als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 5279303 CV EXPL 16-7225)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met vier grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    het schriftelijk pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

De feiten

3.1.1.

In dit kort geding in hoger beroep kan worden uitgegaan van de feiten zoals zijn vastgesteld in de bodemprocedure die heeft geleid tot het tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg van 24 november 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:10244 (prod. bij mva). In de pleitnota’s van [appellante] en PPDS worden deze feiten niet betwist.

- [appellante] is op grond van een arbeidsovereenkomst op 15 september 2015 in dienst getreden van PPDS in de functie van chauffeuse. Zij heeft zich op 28 december 2015 ziek gemeld.

- Op 16 februari 2016 en 14 april 2016 heeft de bedrijfsarts van PPDS geconcludeerd dat [appellante] arbeidsongeschikt is voor haar eigen werkzaamheden, maar dat aangepaste werkzaamheden waarin afgewisseld kan worden in houding en die fysiek niet belastend zijn wel mogelijk zijn voor 5x2-3 uur.

- Bij brief van 20 april 2016 heeft PPDS [appellante] medegedeeld dat zij niet tevreden is over de slechte bereikbaarheid van [appellante] en het ontbreken van initiatief aan de zijde van [appellante] om te re-integreren. PPDS roept [appellante] in deze brief op om met ingang van 26 april 2016 te hervatten in aangepaste werkzaamheden voor vijf dagen in de week van 15:00 uur tot 17:00 uur.

- [appellante] heeft [hof: haar werk] op 26 april 2016 niet hervat in aangepaste werkzaamheden.

- Bij e-mailbericht van 10 mei 2016 heeft PPDS [appellante] andermaal opgeroepen om zich de dag erna om 15.00 uur te melden voor het hervatten in aangepast werk. [appellante] is daarbij voorts medegedeeld dat haar loonbetaling zal worden opgeschort indien zij niet verschijnt. [appellante] heeft diezelfde dag per e-mail medegedeeld dat zij op dat tijdstip niet zal verschijnen omdat zij verhinderd is.

- Op verzoek van [appellante] is het UWV om een deskundigenoordeel gevraagd over de kwestie of het door PPDS aangeboden werk passend is voor [appellante] .

- In de rapportage van 20 juni 2016 concludeert [arbeidsdeskundige van het UWV] , arbeidsdeskundige van het UWV, dat de door PPDS aangeboden arbeid redelijkerwijs passend lijkt “al zal in de praktijk de duurzame haalbaarheid moeten blijken”.

- PPDS heeft vervolgens de betaling van het loon van [appellante] opgeschort met ingang van 1 juni 2016.

- Op 13 juli 2016 heeft ten kantore van PPDS een gesprek met [appellante] en haar gemachtigde plaatsgevonden waarbij PPDS [appellante] heeft gesommeerd diezelfde dag te hervatten in aangepast werk. Bij die gelegenheid is [appellante] voorts een brief overhandigd waarin haar (onder meer) wordt medegedeeld dat indien zij niet uiterlijk om 14.45 uur die dag verschijnt voor instructies teneinde te hervatten in aangepast werk om 15.00 uur zij op staande voet ontslagen zal worden. Bij dat gesprek heeft [appellante] zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat zij zich niet in staat acht om te hervatten in aangepast werk. Vervolgens heeft zij gesteld dat werken die dag niet gaat maar dat zij wel onder nadere voorwaarden een dag later wil hervatten. Met dat voorstel is PPDS niet akkoord gegaan.

- [appellante] is niet verschenen op 13 juli 2016 om 14.45 uur en is derhalve die dag niet begonnen met aangepaste werkzaamheden bij PPDS .

- Bij brief van 13 juli 2016 heeft PPDS [appellante] op staande voet ontslagen.

3.2.

Bij inleidende dagvaarding van 18 augustus 2016 in dit kort geding heeft [appellante] gevorderd PPDS te veroordelen tot betaling van het salaris, en de wettelijke verhoging en wettelijke rente daarover, vanaf 1 juni 2016, met hun veroordeling in de kosten.

De kortgedingrechter, ook die in hoger beroep, dient zijn beslissing af te stemmen op de beslissing van de bodemrechter. In genoemde beschikking van 24 november 2016 in de bodemzaak is de vordering van [appellante] tot vernietiging van het haar verleende ontslag op staande voet afgewezen.

Dat betekent dat de vordering van [appellante] , voor zover betrekking hebbend op de periode na 13 juli 2016 moet worden afgewezen. Inzet van dit geding is dan de loonvordering over de periode van 1 juni 2016 tot en met 13 juli 2016.

3.3.

Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 5 september 2016 (overgelegd bij mva) heeft de kantonrechter vijf minuten voor de zitting kennis genomen van het verzoek van de advocaat van [appellante] tot verplaatsing van de zitting. Dit verzoek is afgewezen. [appellante] noch haar advocaat zijn ter zitting verschenen. De kantonrechter heeft vervolgens de vorderingen afgewezen.

In de eerste grief stelt [appellante] zich op het standpunt dat het verzoek tot verplaatsing van de mondelinge behandeling in eerste aanleg ten onrechte is afgewezen. Zij meent dat er een schending van het recht op hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.

Bij deze grief heeft [appellante] geen belang. Veronderstellenderwijze ervan uitgaande dat de grief slaagt, leidt die vaststelling nog niet tot een ander dictum (of er een ander dictum moet volgen hangt af van de inhoudelijke beoordeling) of tot terugverwijzing naar de kantonrechter nu de vordering is afgewezen op inhoudelijke gronden (zie de in de pleitnota van PPDS genoemde uitspraken van de Hoge Raad, ecli:nl:hr:2014:96 en ECLI:NL:HR:2014:97).

3.4.

De grieven 2 en 4 keren zich tegen de afwijzing van de loonvordering.

3.4.1.

Het hof neemt eerst in overweging dat [appellante] ook in het bodemgeding een loonvordering heeft ingesteld (in algemene bewoordingen gesteld), maar die werd afgewezen, evenwel zonder verdere motivering (rov. 4.8 van de beschikking). Mogelijk heeft de kantonrechter deze loonvordering zo uitgelegd dat loon vanaf de datum van het ontslag op staande voet (13 juli 2016) werd gevorderd. Maar ook is denkbaar dat de kantonrechter de periode van 1 juni 2016 tot en met 13 juli 2016 wel in de beoordeling heeft betrokken, immers de loonstop wordt wel in de overweging meegenomen. In dit laatste geval is toewijzing in kort geding niet meer aan de orde. [appellante] heeft de vraag of in het bodemgeding een loonvordering betreffende de periode 1 juni 2016 tot en met 13 juli 2016 aan de orde is niet onderkend en dus ook niet beantwoord. PPDS noemt de kwestie terloops (mva pagina 4 bovenaan).

3.4.2.

Voor het geval in het bodemgeding geen loonvordering voor de periode 1 juni 2016 tot en met 13 juli 2016 is ingesteld, is het hof het volgende van oordeel.

Zo’n vordering had wel kunnen worden ingesteld, waarmee wellicht op 24 november 2016 zou zijn beslist. De inleidende dagvaarding van dit kort geding is van 18 augustus 2016, dus van ná het verleende ontslag op staande voet. In die dagvaarding wordt aangegeven dat het ontslag op staande voet wordt aangevochten. Het inleidend verzoekschrift in de bodemzaak is niet gedagtekend (het verweerschrift is van 11 november 2016).

Naar het oordeel van het hof ontbreekt het [appellante] daarmee aan spoedeisend belang bij de honorering van de gevraagde voorziening, in ieder geval thans in hoger beroep. Kennelijk is een beslissing voor [appellante] niet dringend.

3.4.3.

Voor een toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat met voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter die vordering zal honoreren. Daarvan is hier geen sprake. De bodemrechter heeft immers overwogen (rov. 4.6) dat [appellante] ondanks veelvuldige pogingen daartoe van PPDS zonder gegronde redenen heeft geweigerd (voldoende) mee te werken aan haar re-integratie en wel in zodanige mate en ernst dat die weigeringen (uiteindelijk) een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Hoewel de bodemrechter wellicht niet heeft geoordeeld over de weigeringen van [appellante] die hebben geleid tot de ‘loonstop’ per 1 juni 2016, kan, naar het voorlopig oordeel van het hof, vooralsnog met onvoldoende mate van zekerheid worden geoordeeld dat de loonvordering voor de hier nog aan de orde zijnde periode zal worden toegewezen. Uit de beslissing van de bodemrechter kan worden afgeleid dat ook de eerdere weigeringen tot re-integratie onterecht waren. Die onterechte weigeringen liggen immers mede ten grondslag aan de beoordeling van de situatie op de ontslagdatum.

3.4.4.

[appellante] heeft voorts zich erop beroepen dat een loonstop met terugwerkende kracht onmogelijk is (overigens zonder deze stelling te onderbouwen). Daarbij doelt zij op de eerste zin van de aan haar gerichte brief van PPDS van 1 juli 2016 (prod. 1 bij inl. dagv.), luidende:

Middels deze brief wil ik je informeren dat ik het loon stopzet per 01-06-2016.

Daarmee wordt door PPDS aangegeven, zo begrijpt het hof, dat het loon over de maand juni 2016, verschuldigd geworden aan het einde van die maand, niet wordt uitbetaald.

PPDS wijst erop dat [appellante] deze maatregel was aangezegd. In de brief aan [appellante] van 20 april 2016 schrijft zij, laatste zin (prod. 5 bij inl dag.):

Let op, ik wil je wijzen op je reintegratieverplichtingen en bij het niet naleven van deze afspraken (…), het tot financiële consequenties kan leiden.

Verder wijst PPDS op de mail van 10 mei 2016 (prod. 6 bij inl. dagv.), waarin staat:

Mocht je zonder bovengenoemde reden deze afspraak niet nakomen dan wordt de loondoorbetalingsbetaling per die datum stop gezet omdat jij je niet aan je re-integratie verplichting houdt.

[appellante] is op de afspraak niet verschenen.

Gelet op deze correspondentie kan niet aanstonds worden geoordeeld dat sprake is van een ‘loonstop met terugwerkende kracht’. De loonstop is immers vóór 1 juni 2016 aangekondigd.

Overigens is het hof van oordeel dat het niet betalen van loon een sanctie is op het – onterecht – niet voldoen aan de verplichting van [appellante] tot re-integratie. Dit niet voldoen kan uit zijn aard eerst achteraf worden geconstateerd, zodat ook eerst pas achteraf loonbetaling feitelijk kan worden gestaakt, zoals hier het geval. Het aannemen van een waarschuwingsverplichting, althans een aankondiging vooraf, is alleszins redelijk, maar aan die verplichting lijkt te zijn voldaan.

3.4.5.

Mede in aanmerking nemende hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 3.4.1 en 3.4.2 werd overwogen ziet het hof geen aanleiding voor het opleggen van een voorlopige voorziening. De grieven 2 en 4 falen.

3.5.

Grief 3 heeft betrekking op de proceskostenbeslissing. Gelet op de uitkomst in hoger beroep dient [appellante] in de proceskosten te worden veroordeeld, ook die in eerste aanleg, zodat haar grief faalt.

3.6.

[appellante] wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep (2 punten, tariefgroep I).

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van PPDS op € 718,- aan griffierecht en op € 768,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, M.E. Smorenburg en J.W. van Rijkom en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 maart 2017.

griffier rolraadsheer