Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1110

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
200.190.680_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Publiekrechtelijke inschrijving in de Basisregistratie personen, bevestiging daarvan en controle op daadwerkelijk verblijf in een aan de Gemeente toebehorende onroerende zaak, vormen geen aanbod tot het aangaan van enige civielrechtelijke overeenkomst of toezegging en de betrokkenen mochten dat ook niet zo begrijpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.190.680/01

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

1 [appellant] ,

2. [appellante],

beide wonende te [woonplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

hierna (in mannelijk enkelvoud): [appellanten] ,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Tilburg,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

hierna: Gemeente Tilburg,

advocaat: mr. F.M. Guljé te ‘s-Gravenhage,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest in het incident ex artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van 28 juni 2016 in het hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West Brabant zittingsplaats Breda van 13 april 2016, onder zaaknummer 303578 HA ZA 15-533 gewezen tussen [appellanten] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie en Gemeente Tilburg als eiseres in conventie/verweerster in reconventie.

5 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

5.1

Dit blijkt uit:

  • -

    het voornoemde tussenarrest van 28 juni 2016 waarbij de incidentele vordering van [appellanten] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis is afgewezen en de beslissing over de proceskosten in het incident is aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak,

  • -

    de memorie van grieven van [appellanten] ,

  • -

    de memorie van antwoord van Gemeente Tilburg.

5.2

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de bovenvermelde stukken, die genoemd in het tussenarrest en die van de eerste aanleg zijn overgelegd.

6 De beoordeling

6.1

Omdat niet is geklaagd over de feitenvaststelling in het bestreden vonnis, gaat ook het hof van die feiten uit. Daarvan zijn voor deze zaak vooral de navolgende feiten van belang.

  1. Op 14 juli 2006 verkreeg Gemeente Tilburg de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats] (hierna: de onroerende zaak) in eigendom. De onroerende zaak bestaat uit drie verdiepingen, zijnde een bedrijfsruimte op de begane grond en twee woonruimten op de eerste en tweede verdieping.

  2. Op 1 augustus 2006 nam [huurder] (hierna: [huurder] ) de onroerende zaak in gebruik tegen een maandelijkse vergoeding.

  3. Op 18 september 2013 stuurde Gemeente Tilburg een brief aan [huurder] , waarin zij hem aanzegde de onroerende zaak voor 1 november 2013 geheel leeg en bezemschoon op te leveren.

  4. Op 14 januari 2014 is nogmaals een brief aan [huurder] gestuurd, waarin gesommeerd werd de onroerende zaak op 1 februari 2014 ontruimd op te leveren.

  5. Op 21 augustus 2014 schreef Gemeente Tilburg [appellanten] in in de Basisregistratie personen (hierna: Brp) op het adres van de onroerende zaak.

  6. Op 16 september 2014 is deze Brp-inschrijving schriftelijk bevestigd door Gemeente Tilburg.

  7. Op 3 februari 2015 schreef (de gemachtigde van) Gemeente Tilburg [appellanten] aan de onroerende zaak per 23 februari 2015 te ontruimen en ontruimd te houden.

  8. Per brief van 5 februari 2015 reageerde [appellanten] dat hij daartoe niet zal overgaan, tenzij Gemeente Tilburg hem een ander pand ter beschikking stelt.

6.2

Het bestreden vonnis is gewezen tussen Gemeente Tilburg als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en [huurder] en [appellanten] als gedaagden in conventie/eisers in reconventie. Bij dat vonnis heeft de rechtbank in conventie op vordering van Gemeente Tilburg

  • -

    voor recht verklaard dat [huurder] na 1 februari 2014 alsmede [appellanten] zonder recht of titel en daarmee onrechtmatig gebruik maken van de onroerende zaak,

  • -

    [huurder] en [appellanten] op straffe van een dwangsom veroordeeld tot ontruiming van de onroerende zaak,

en [huurder] veroordeeld tot betaling van

  • -

    € 453,80 aan achterstallige schadevergoeding over de maanden november 2014 tot en met februari 2015, en

  • -

    € 113,45 voor iedere maand of gedeelte daarvan vanaf 1 maart 2015 tot de dag dat hij de onroerende zaak feitelijk ontruimt.

Bij dat vonnis zijn in reconventie afgewezen

  • -

    de vordering van [huurder] om Gemeente Tilburg op verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot het aanbieden van een conveniërende locatie om te wonen en werken, en

  • -

    de vorderingen van [appellanten] om Gemeente Tilburg op straffe van een dwangsom

- bij toewijzing van de in conventie gevorderde ontruiming, te veroordelen tot het aanbieden van vervangende woonruimte en tot vergoeding van verhuis- en inrichtingskosten,

- bij afwijzing van de in conventie gevorderde ontruiming, te veroordelen tot het aansluiten van de nutsvoorzieningen en herstellen van de gebreken aan de onroerende zaak,

- te veroordelen tot toekenning van een uitkering aan [appellanten] ,

met veroordeling van Gemeente Tilburg in de proceskosten.

Bij dat vonnis zijn [huurder] en [appellanten] in conventie en in reconventie hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten en de nakosten, beide te vermeerderen met wettelijke rente, en zijn de uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6.3

In dit geding concludeert [appellanten] onder het voordragen van twee grieven dat het hof het tussen partijen gewezen bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Gemeente Tilburg alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Gemeente Tilburg in de proceskosten van beide instanties.

Gemeente Tilburg concludeert dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellanten] hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad zal veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente.

6.4

Het hof overweegt dat voor zover daarbij ook omtrent (mede)partij [huurder] is beslist, het bestreden vonnis in hoger beroep niet ter beoordeling voorligt. Met de grieven en de in hoger beroep geformuleerde conclusie van [appellanten] spitst dit aan het hof voorliggende geding zich toe op de rechtsverhouding tussen partijen en meer in het bijzonder op de bij het bestreden vonnis in conventie op vordering van Gemeente Tilburg uitgesproken

  • -

    verklaring voor recht dat [appellanten] zonder recht of titel en daarmee onrechtmatig gebruik maakt van de onroerende zaak,

  • -

    veroordeling van [appellanten] , op straffe van een dwangsom, tot ontruiming van de onroerende zaak,

  • -

    hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van de proceskosten en de nakosten, beide te vermeerderen met wettelijke rente,

en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van die uitgesproken veroordelingen.

6.5

Gemeente Tilburg legt aan haar in conventie toegewezen vordering ten grondslag dat [appellanten] onrechtmatig inbreuk maakt op haar eigendomsrecht door in ieder geval sinds 21 augustus 2014 zonder recht of titel gebruik te maken van de onroerende zaak. [appellanten] voerde in eerste aanleg het bevrijdende verweer dat Gemeente Tilburg zijn gebruik op grond van uit een overeenkomst of uit redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichtingen moet dulden.

6.6

[appellanten] zegt met grief I op te komen tegen het rechtbankoordeel dat [appellanten] zonder toestemming van Gemeente Tilburg in de onroerende zaak zouden verblijven. Voor zover [appellanten] toelicht dat Gemeente Tilburg toestemming gaf voor zijn bewoning van de onroerende zaak althans dat hij gerechtvaardigd op die toestemming mocht vertrouwen, wijst [appellanten] nadrukkelijk op de door Gemeente Tilburg op 21 augustus 2014 gedane inschrijving van [appellanten] in de Brp op het adres van de onroerende zaak, de op 16 september 2014 door Gemeente Tilburg schriftelijke gedane bevestiging van die Brp-inschrijving en door (medewerkers van) Gemeente Tilburg in het kader van de Brp uitgevoerde controlebezoeken op daadwerkelijk verblijf in de onroerende zaak en gedane mededelingen dat hij daarin mag wonen. Hiermee beroept [appellanten] zich op door Gemeente Tilburg in het kader van haar (aan het college van burgemeester en wethouders bij de Wet basisregistratie personen opgedragen) publiekrechtelijke taak gedane en publiekrechtelijk voorgeschreven en genormeerde verklaringen of gedragingen. Zelfs bij juistheid mocht [appellanten] al die handelingen redelijkerwijze niet -noch afzonderlijk noch in samenhang bezien- begrijpen als een aanbod tot het aangaan van enige (hier aan de orde zijnde) civielrechtelijke overeenkomst of toezegging, laat staan tot welke verbintenis of prestatie Gemeente Tilburg zich daarmee tegenover [appellanten] dan zou hebben verplicht of hebben willen verplichten. [appellanten] beargumenteert en verduidelijkt ook niet dát, wanneer en waarmee Gemeente Tilburg bij [appellanten] de schijn opwekte dat zij zo’n civielrechtelijke verplichting op zich nam, en al helemaal niet: waartoe Gemeente Tilburg zich dan concreet zou hebben verplicht of wat die verplichting voor Gemeente Tilburg dan precies zou inhouden. [appellanten] motiveert en concretiseert zelfs niet dát, hoe en wanneer Gemeente Tilburg de onroerende zaak feitelijk aan [appellanten] in gebruik zou hebben gegeven of -in welke vorm ook- ter beschikking zou hebben gesteld. Voor zover [appellanten] zegt er op te hebben vertrouwd dat Gemeente Tilburg met zijn bewoning van haar onroerende zaak akkoord was en instemde, zijn daartoe vereiste feiten en omstandigheden niet althans onvoldoende gesteld of gebleken en was dat vertrouwen in ieder geval niet gerechtvaardigd.

6.7

Nu als onbestreden verder voor het hof tot uitgangspunt dient het in het bestreden vonnis vervatte rechtbankoordeel dat tussen [huurder] en [appellanten] (ook) geen overeenkomst is gesloten, faalt de toegelichte grief I. Hiermee faalt ook de daarop voortbouwende grief II, gericht tegen de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van de proceskosten en de nakosten.

6.8

Reeds gezien het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de grieven niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen voor zover dat aan het hoger beroep is onderworpen, de in het ongelijk te stellen [appellanten] in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen en de door [appellanten] verlangde en onweersproken hoofdelijkheid en uitvoerbaarverklaring bij voorraad toewijzen.

In vervolg op het tussenarrest van 28 juni 2016 zal het hof [appellanten] als de in het incident in het ongelijk gestelde partij nu ook in de proceskosten van het incident veroordelen.

Omdat hetgeen partijen verder nog aanvoeren niet tot een ander oordeel leidt, kan dat onbesproken blijven en beslist het hof als volgt.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen,

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, met dien verstande dat als en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van

  1. het incident, tot op heden aan de zijde van Gemeente Tilburg begroot op nihil aan verschotten en op € 894,-- aan salaris advocaat,

  2. het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Gemeente Tilburg begroot op € 718,-- aan verschotten en op € 894,-- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening,

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenbeslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders in hoger beroep gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 maart 2017.

griffier rolraadsheer