Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1109

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
200.187.703_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Kosten uitvaart door moeder overledene betaald. Vordert vergoeding daarvan door bijna gescheiden echtgenote die de nalatenschap heeft verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/105
ERF-Updates.nl 2017-0072
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.187.703/01

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante,

advocaat: mr. J.A.N. Lap te Malden,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.A. Oliemans te Bergen op Zoom,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 maart 2016 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter te Bergen op Zoom van de rechtbank Zeeland-West-Brabant gewezen vonnis van 9 december 2015 tussen appellante - [appellante] - als eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4217546 CV EXPL 15-3103)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 1 maart 2016;

- de memorie van grieven van [appellante] van 31 mei 2016 met een productie;

- de akte van [appellante] van 12 juli 2016 met een productie;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 9 augustus 2016.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

  1. Op 30 januari 2013 is overleden de heer [zoon appellante] (verder: [zoon appellante]), zoon van [appellante] .

  2. [zoon appellante] was op het moment van zijn overlijden de echtgenoot van [geïntimeerde] . Zij waren buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd. Tussen hen liep een procedure tot echtscheiding. De echtscheiding was op het moment van overlijden nog niet in het huwelijksgoederenregister ingeschreven.

  3. [zoon appellante] en [geïntimeerde] woonden ten tijde van het overlijden van [zoon appellante] niet meer samen. [zoon appellante] woonde bij zijn moeder, na een tijdelijk verblijf in een vakantiewoning.

  4. Uit het huwelijk van [zoon appellante] en [geïntimeerde] zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren. Uit een eerder huwelijk van [zoon appellante], met mevrouw [voormalig echtgenote], zijn ook twee thans nog minderjarige kinderen geboren.

  5. Na het overlijden van [zoon appellante] heeft op 31 januari 2013 overleg plaatsgevonden tussen de uitvaartondernemer, [appellante] en [geïntimeerde] . Daarbij bleek [geïntimeerde] niet bereid de kosten van de uitvaart op zich te nemen. [appellante] is met betrekking tot de uitvaart van [zoon appellante] de contractuele wederpartij van de uitvaartondernemer. De haar daarvoor in rekening gebrachte kosten bedragen € 5.149,35. [geïntimeerde] is niet bereid deze kosten (gedeeltelijk) voor haar rekening te nemen. Met de uitvaartondernemer heeft [appellante] een betalingsregeling afgesproken.

  6. [geïntimeerde] heeft de nalatenschap van [zoon appellante] op 18 juli 2013 - formeel - verworpen.

4.2

Bij dagvaarding van 10 juni 2015 heeft [appellante] de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [appellante] dat [geïntimeerde] de nalatenschap van [zoon appellante] voorafgaande aan de formele verwerping ervan al zuiver had aanvaard zodat deze verwerping geen effect sorteert. Volgens [appellante] zijn de kosten van de uitvaart op grond van artikel 4:7 lid 1 sub b BW aan te merken als schuld van de nalatenschap, zodat [geïntimeerde] als erfgenaam van [zoon appellante] deze kosten aan haar dient te vergoeden. Op grond daarvan vordert [appellante] in conventie veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de kosten van uitvaart van [zoon appellante]. In punt 36 van de dagvaarding in eerste aanleg vermeldt [appellante] als haar vordering het bedrag van € 5.149,35, vermeerderd met € 326,15 aan wettelijke rente tot 29 mei 2015 en € 928,= aan buitengerechtelijke incassokosten. In het petitum van de dagvaarding in eerste aanleg vermeldt [appellante] als vordering een bedrag van € 5.844,47 aan hoofdsom. In de dagvaarding zelf komt dit bedrag niet terug; het is wel vermeld in productie 3 daarbij, een brief van de uitvaartondernemer van 4 juli 2013 over de betalingsregeling met [appellante], als op dat moment in die regeling openstaand bedrag.

4.3

[geïntimeerde] betwist de vordering van [appellante]. Zij stelt dat zij niet kan worden aangesproken op de kosten van de uitvaart omdat zij de nalatenschap heeft verworpen. Zij betwist dat zij de nalatenschap toen al zuiver had aanvaard. Daarnaast acht zij het bedrag niet in overeenstemming met de omstandigheden van de overledene.

Voor het geval wordt geoordeeld dat zij de erfenis zuiver heeft aanvaard maakt [geïntimeerde] aanspraak op vergoeding van de waarde van goederen die [appellante] volgens haar onder zich gehouden heeft terwijl deze eigendom van [geïntimeerde] waren. Op grond hiervan vordert [geïntimeerde] in voorwaardelijke reconventie [appellante] te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 2.749,21 met rente en kosten.

[appellante] heeft deze vordering op haar beurt bestreden.

4.4

Bij vonnis van 9 december 2015 heeft de kantonrechter het standpunt van [appellante] dat [geïntimeerde] de nalatenschap van [zoon appellante] zuiver had aanvaard voordat zij deze formeel had verworpen, niet aanvaard. Op grond daarvan is de vordering van [appellante] in conventie afgewezen, met compensatie van de proceskosten. Op de voorwaardelijke reconventionele vordering behoefde niet te worden beslist omdat de voorwaarde daarvoor niet was vervuld.

4.5

Grief 1 richt zich tegen vaststelling door de kantonrechter dat bij gebreke van een testament de wettelijke verdeling van toepassing is. In haar toelichting op deze grief formuleert [appellante] een aantal bezwaren tegen deze vaststelling om ten slotte te concluderen dat er geen testament is en dat de wettelijke verdeling van toepassing is. Gelet op deze conclusie valt niet in te zien welk belang [appellante] bij deze grief heeft, zodat deze wordt verworpen.

4.6

De grieven 2 tot en met 5 betreffen de vraag of [geïntimeerde] zich na het overlijden van [zoon appellante] met diens financiën heeft beziggehouden door het afwikkelen van een gezamenlijke bankrekening bij de Rabobank en het ontvangen van een slotuitkering van de werkgever van [zoon appellante]. In dit verband voert [appellante] aan dat de Rabobank bij e-mail van 14 november 2014 aan de gemachtigde van [appellante] heeft verwezen naar een eerdere e-mail waarin is meegedeeld dat [geïntimeerde] alle bankzaken van [zoon appellante] heeft afgehandeld. [geïntimeerde] heeft hiertegen aangevoerd dat ruim voor het overlijden van [zoon appellante] de Rabobankrekening onderling was verdeeld en dat alleen [zoon appellante] nog in het bezit was van een bankpas voor die rekening. Dit laatste blijkt volgens haar uit het feit dat zij bij de bespreking op 31 januari 2013 om de bankpas heeft gevraagd maar niet heeft gekregen. Uit het overleggen van een kopie van deze pas bij memorie van grieven blijkt dat [appellante] deze heeft, aldus [geïntimeerde] . Verder betwist [geïntimeerde] dat zij van de werkgever van [zoon appellante] een slotuitkering heeft ontvangen.

4.7

Het hof overweegt hierover het volgende. [geïntimeerde] en [zoon appellante] waren buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd, zij woonden sinds september 2012 niet meer bij elkaar en zij beoogden een echtscheiding. Onder deze omstandigheden ligt het niet voor de hand dat [geïntimeerde] en [zoon appellante] in deze laatste periode voor diens overlijden nog over een gemeenschappelijke bankrekening beschikten en dat [geïntimeerde] na diens overlijden nog de mogelijkheid had om over aan [zoon appellante] toekomende financiën te beschikken. De mededeling van de Rabobank waar [appellante] zich op beroept, vermeldt geen tijdstip zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat de bemoeienis van [geïntimeerde] dateert van na het overlijden. Het is aan [appellante] die zich erop beroept dat [geïntimeerde] de nalatenschap van [zoon appellante] zuiver aanvaard voordat zij deze formeel heeft verworpen om te onderbouwen en zo nodig te bewijzen dat dit het geval is geweest. Hetgeen [appellante] daartoe aanvoert is ook naar het oordeel van het hof onvoldoende concreet en door [geïntimeerde] voldoende gemotiveerd betwist. Een hierop toegespitst bewijsaanbod van de kant van [appellante] ontbreekt overigens. De consequentie hiervan is dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] de nalatenschap van [zoon appellante] zuiver heeft aanvaard, zodat haar verwerping ervan effect sorteert en zij niet als erfgenaam kan worden aangesproken op de kosten van de uitvaart.

4.8

Met grief 6 betoogt [appellante] dat de kantonrechter de rechtsgronden ambtshalve had moeten aanvullen met het bepaalde in artikel 4:184 lid sub b, c en d BW. Zij voegt hier aan toe dat voor toepasselijkheid van deze bepaling is vereist dat [geïntimeerde] erfgenaam is. Dat laatste is, zoals gezegd, niet het geval zodat het beroep op deze bepaling reeds hierop strandt en deze grief wordt verworpen.

4.9

Met grief 7 beroept [appellante] zich op artikel 4:212 BW. Deze bepaling houdt in dat wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van een erfgenaam of een door de rechter benoemde vereffenaar aan schuldeisers van de nalatenschap schade heeft toegebracht, doordat hij opzettelijk goederen der nalatenschap aan het verhaal van de schuldeisers heeft onttrokken, zij van hem voldoening van hun vordering kunnen eisen, voor zover hij niet bewijst dat hun schade op een lager bedrag moet worden gesteld. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] zich een positief saldo op de bankrekening bij de Rabobank toegeëigend, dit verborgen of zoekgemaakt. Ook heeft [geïntimeerde] volgens [appellante] haar taak als vereffenaar niet naar behoren vervuld en daardoor aan [appellante] als schuldeiser schade toegebracht. Op dit laatste ziet artikel 4:212 BW niet en voor datgene waar de bepaling wel op ziet heeft [appellante] haar stelling onvoldoende onderbouwd. Wat de bankrekening betreft is dit in het voorgaande reeds aan de orde geweest; dat op andere punten sprake zou zijn van het opzettelijke goederen onttrekken aan het verhaal van de schuldeisers blijkt nergens uit. Grief 7 wordt daarom verworpen.

4.10

Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] jegens haar onrechtmatig gehandeld doordat zij haar taak als vereffenaar namens haar minderjarige kinderen niet heeft uitgevoerd en mevrouw [voormalig echtgenote], de wettelijk vertegenwoordiger van de andere twee minderjarige kinderen heeft gehinderd, eveneens vereffenaar, heeft gehinderd bij het uitvoeren van die taak door geen informatie te verstrekken. Volgens [appellante] lijdt zij daardoor schade die gelijk staat aan haar vordering op de nalatenschap. [geïntimeerde] betwist dat sprake is van onrechtmatig handelen van haar kant. Zij voert hiertoe aan dat voor het overlijden van [zoon appellante] de samenleving met hem al was geëindigd, dat zij over diens nalatenschap niets kon zeggen en dat zij meende dat waar mevrouw [voormalig echtgenote] reeds vereffende niet van haar verlangd kon worden dat zij dat ook nog eens zou doen.

4.11

Het hof overweegt hierover het volgende. Ook indien zou komen vast te staan dat [geïntimeerde] haar taak als vereffenaar, in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar twee minderjarige kinderen, niet (correct) zou hebben uitgevoerd dan wel de andere vereffenaar bij het uitvoeren van haar taak zou hebben gehinderd of in ieder geval onvoldoende medewerking zou hebben verleend, betekent dat nog niet dat zij daardoor jegens [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld en de kosten van de uitvaart aan haar moet vergoeden. Daarvoor bieden de stellingen die [appellante] in deze procedure naar voren heeft gebracht een ontoereikende grondslag. Grief 8 wordt daarom verworpen.

4.12

Grief 9, ten slotte, betreft de stelling van [appellante] dat de bewijslast omgekeerd dient te worden dan wel dat de door haar gestelde feiten voorshands bewezen geacht dienen te worden. Naar het oordeel van het hof is daarvoor geen grond aanwezig. [appellante] stelt een vordering op [geïntimeerde] te hebben en dan is het aan haar om die vordering te onderbouwen en zo nodig overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv te bewijzen. Zoals bij de bespreking van de overige grieven is gebleken, bieden de stellingen van [appellante] een onvoldoende grondslag voor de vordering zoals zij deze heeft ingesteld. Deze stellingen heeft zij in ieder geval niet van zodanig bewijs voorzien dat gesproken kan worden van bewezen behoudens tegenbewijs van de kant van [geïntimeerde] . Voor afwijking van de hoofdregel van artikel 150 Rv ziet het hof in hetgeen [appellante] naar voren heeft gebracht geen grond. Grief 9 wordt verworpen.

4.13

Gelet op de relatie tussen partijen en de aard van het geschil zal het hof de proceskosten in hoger beroep tussen hen compenseren.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 9 december 2015, waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en J.H.C. Schouten en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 maart 2017.

griffier rolraadsheer