Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:109

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
200.166.234_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opdracht begeleiding restauratie;

nakoming;

tekortkomingen;

ontbinding;

schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.166.234/01

arrest van 17 januari 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. B.A.P. Sijben te Helmond,

tegen

1 Res Nova V.O.F.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] , (voormalig) vennoot,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3] , (voormalig) vennoot,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Res Nova,

advocaat: mr. J. van Zinnicq Bergmann te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 februari 2015 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 11 juli 2013 en 20 november 2014, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en Res Nova als eiseressen in conventie, verweersters in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer zknr.823705,rlnr.12-11697)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het herstelexploot van [appellant] ;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel appel;

  • -

    de akte van Res Nova in het principaal en incidenteel appel;

  • -

    de antwoordakte in principaal en incidenteel appel van [appellant] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Ten aanzien van de stukken in eerste aanleg merkt het hof op dat de overgelegde pleitnotities van 4 september 2012 van mr O.F.J. Moorman van Kappen niet als gedingstuk worden aangemerkt, nu uit de bestreden vonnis niet blijkt dat dit stuk als zodanig heeft te gelden.

3 De beoordeling

in het principaal en in het incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] heeft eind 2011 een villa gekocht, plaatselijk bekend als “ [villa] Villa”

(verder te noemen: de villa). Het betreft een rijksmonument waaraan omvangrijke restauratie is geboden. Voor de restauratie is een bouwvergunning nodig. De villa is een monument, hetgeen meebrengt dat herstelkosten voor fiscale aftrek in aanmerking kunnen komen.

3.1.2.

Partijen zijn overeengekomen dat Res Nova ten behoeve van de restauratie van

het pand “ [villa] Villa” de werkzaamheden van het door haar aangeboden product

“Fiscaal verhaal” uit zou voeren.

3.1.3.

De werkzaamheden zouden in twee fases worden uitgevoerd: een voortraject en een definitief traject.

3.1.4.

Fase 1 is uitgevoerd. [appellant] heeft de factuur met factuurnummer

[factuurnummer 1] d.d. 9 december 2011 betreffende fase 1 voldaan. Res Nova heeft bij deze

factuur in rekening gebracht 11,5 uur voor een bedrag van € 1.322,50 (€ 115,- per

uur), plus 5% overhead ad € 66,13 en € 263,84 ter zake btw. Overigens heeft er in zoverre een verschil van inzicht bestaan met betrekking tot het aantal voor deze fase in rekening gebrachte aantal uren, dat dit 40 % hoger zou zijn geweest dan aanvankelijk begroot; na uitleg heeft [appellant] zich daarbij neergelegd en de factuur betaald. Deze fase maakt dus geen onderwerp meer uit van het geschil.

Fase 2 van het product bestaat uit een drietal modules

- a. een cultuur- en bouwhistorische analyse,

- b. een gebrekenplan en

- c. een fiscaalcultuurhistorische indicatie

Voor deze tweede fase heeft (nadat partijen het over een vast bedrag niet eens zijn geworden) Res Nova een urenindicatie gegeven:

A. een cultuur- en bouwhistorische analyse, uitmondende in een monumentale effecttoets (dit komt overeen met module a) zoals hierboven genoemd): 19 uur;

B. het Fiscaal Verhaal, waarvan onderdeel uitmaakt:

- het gebrekenplan (dit komt overeen met module b) zoals hierboven genoemd,

- een fiscaalcultuurhistorische indicatie (dit komt overeen met module c) zoals hierboven genoemd),

- diverse andere onderdelen, zoals genoemd in de inleidende dagvaarding onder 4 sub B. 3 tot en met 6:

alles bijeen 72 uur;

C. bouwhistorisch interieuradvies: 5 à 6 uur per thema;

D. extra kosten: op basis van nacalculatie.

Opmerking verdient dat onderdeel A. nu eens als afzonderlijk onderdeel naast het “Fiscaal Verhaal” wordt genoemd (bijvoorbeeld inleidende dagvaarding nr. 4.; conclusie van antwoord nr. 13.), dan weer als onderdeel van het “Fiscaal Verhaal” (bijv. conclusie van antwoord nr. 7.).
Waar het gaat om de begroting van het aantal uren is onderdeel A echter als een aparte post genoemd en het hof zal dit hierna ook als afzonderlijke post blijven aanmerken.

3.1.5.

[appellant] heeft voorts de factuur met factuurnummer [factuurnummer 2] van 9 december 2011

aangaande Fase 2, eerste termijn van 75% voldaan. Res Nova heeft bij deze

factuur in rekening gebracht 85,5 uur x € 115,- per uur is € 9.832,50, plus 5%

overhead ad € 491,63 en een bedrag van € 1.961,55 ter zake btw.

Res Nova heeft bij deze factuur in rekening gebracht 75% van de door haar

ingeschatte uren voor de verschillende onderdelen zoals hiervoor vermeld, resulterend in de volgende in rekening gebrachte uren:

A. 14,25 uur

B. 54 uur

C. 13,5 uur (van in totaal 18 uur) en

D. 3,75 uur.

3.1.6.

Bij e-mail van 23 december 2011 heeft [appellant] de opdracht om aan onderdeel C

nog tijd/werk te besteden ingetrokken en Res Nova nog een week in de

gelegenheid gesteld om onderdeel B af te ronden en voor het geval Res Nova daar

niet in slaagde zou [appellant] Res Nova in gebreke stellen en zou Res Nova in

verzuim zijn.

3.1.7.

[appellant] heeft de overeenkomst per e-mail van 3 januari 2012 buitengerechtelijk

ontbonden.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert Res Nova in conventie betaling van

€ 12.360,61, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft Res Nova ten grondslag gelegd dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten op grond waarvan eiseres in opdracht en voor rekening van [appellant] onderzoek heeft verricht met betrekking tot voormelde, door [appellant] te ontwikkelen onroerende zaak. Ingevolge voormelde overeenkomst is [appellant] wegens door haar, Res Nova, verrichte werkzaamheden, verschuldigd de bij de facturen met nummer [factuurnummer 3] van 20 december 2011 en [factuurnummer 4] van 4 januari 2012 in rekening gebrachte bedragen van achtereenvolgens € 9.778,28 en € 1.257,31. Res Nova vordert nakoming van deze verplichting van [appellant] .

Bedoelde facturen zijn overgelegd bij inleidende dagvaarding.
De factuur [factuurnummer 3] gaat uit van 57,30 uren à € 115,--, uitkomend op € 6.589,50 voor onderdeel B en van 10,75 uur, uitkomend op € 1.236,25 voor onderdeel D. Beide bedragen tezamen vormen, vermeerderd met 5 % opslag en btw, het bedrag groot € 9.778,28. Deze factuur vermeldt niet of deze in de plaats van [factuurnummer 2] , of daar bovenop komt. Uit de bij die factuur overgelegde specificatie (productie 14 conclusie van antwoord) blijkt evenwel dat Res Nova uitging van 111,30 uur voor post B, verminderd met de reeds berekende 54 uur, en voor post D van 14,50 uur, verminderd met de reeds berekende 3,75 uur.
Bij de factuur [factuurnummer 4] is voor onderdeel A de resterende 25 %, dus 4,75 uur, uitkomend op € 546,25 in rekening gebracht en voor onderdeel C de resterende 25 %, dus 4 uur, uitkomende op € 460,00 in rekening gebracht. Deze bedragen tezamen vormen, vermeerderd met 5 % opslag en btw, het bedrag groot € 1.257,31.
Het gaat, kortom, zowel bij [factuurnummer 3] als bij [factuurnummer 4] om additionele facturen en [appellant] gaat daar ook van uit.

3.2.3.

[appellant] betwist dat de in rekening gebrachte uren daadwerkelijk zijn gewerkt.

Bovendien heeft hij, [appellant] , niet ingestemd met de overschrijding van de overeengekomen, maximaal te besteden uren.

Voorts zijn ten onrechte bedragen in rekening gebracht voor een ingetrokken deel van de opdracht.

Tenslotte mag op grond van artikel 56 lid 2 van de geldende algemene voorwaarden van de brancheorganisatie DNR-2005 (hierna: DNR) door Res Nova pas een einddeclaratie worden ingediend als alle werkzaamheden zijn voltooid, hetgeen niet het geval is.

3.3.1.

[appellant] vordert in reconventie, na wijziging, betaling van € 13.938,20 met rente, overlegging van de urenoverzichten op basis waarvan Res Nova haar facturen heeft samengesteld, betaling van schadevergoeding van € 104.862,16, subsidiair nader op te maken bij staat en betaling van kosten.

3.3.2.

[appellant] legt aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat Res Nova tekort is gekomen in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

Hij voert hiertoe aan dat Res Nova niet steeds vooraf met hem overleg pleegde en hem niet volledig op de hoogte hield.

Bovendien heeft Res Nova haar werkzaamheden niet voltooid. Res Nova mocht aan voltooiing van haar werk niet als voorwaarde betaling van een rekening verbinden.

De overeenkomst is ontbonden en nakoming is niet meer mogelijk zodat [appellant] recht heeft op restitutie van het teveel betaalde.

Voorts stelt [appellant] dat hij belang heeft bij overlegging van de urenoverzichten omdat zij vermoedt dat Res Nova geen urenoverzichten heeft bijgehouden maar dat die naderhand zijn opgemaakt.

[appellant] voert als onderbouwing van de gevorderde schadevergoeding aan dat een bindende mededeling van de Belastingdienst Bureau Monumentenpanden (hierna: BBM) zal worden ingetrokken omdat Res Nova verzuimd heeft de daarvoor met BBM gemaakte afspraken na te komen en [appellant] niet in staat heeft gesteld zelf deze afspraken na te komen. De daaruit voortvloeiende schade wordt begroot op 20% van het bedrag van de bindende mededeling nu dat deel sinds 1 januari 2012 slechts voor 80% voor fiscale aftrek in aanmerking komt. Dit leidt tot een schadepost van € 104.862,16 netto.

Bovendien heeft hij een derde moeten inschakelen omdat Res Nova haar werk niet volledig had uitgevoerd, hetgeen hem, [appellant] , € 3.000,- heeft gekost.

3.3.3.

Res Nova betwist dat er sprake is van wanprestatie.

De urenstaten heeft zij inmiddels in het geding gebracht.

De gestelde schade wordt niet geleden. Voor eventuele schade is zij niet aansprakelijk omdat [appellant] verplicht is zijn schade te beperken.

Res Nova is op grond van haar toepasselijke algemene voorwaarden niet verplicht een eindproduct te leveren alvorens betaling te kunnen verlangen.

3.4.1.

In het tussenvonnis van 11 juli 2013 heeft de kantonrechter in conventie en in reconventie onder aanhouding van iedere verdere beslissing de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van akten van partijen.

3.4.2.

In het eindvonnis van 20 november 2014 heeft de kantonrechter in conventie [appellant] veroordeeld tot betaling van € 5.742,91 met rente, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie is Res Nova veroordeeld tot betaling van € 2.478,70 met rente, zijn de proceskosten gecompenseerd en is het meer of anders gevorderde afgewezen.

in principaal en incidenteel hoger beroep:

3.5.

De vordering in conventie behoorde tot de bevoegdheid van de kantonrechter. Door het instellen van een vordering in reconventie overschreed (zie art. 94 lid 1 Rv.) het totaal van de vorderingen waarover de kantonrechter had te oordelen de in art. 93 lid aanhef en sub a) Rv. bedoelde grens. De kantonrechter heeft daarin geen aanleiding gezien om de zaak op de voet van art. 71 lid 1 Rv. naar een andere kamer van de rechtbank te verwijzen. Krachtens lid 5 van genoemd artikel stond echter tegen het achterwege laten van zulk een verwijzing geen voorziening open.

3.6.

[appellant] heeft bij memorie van grieven aangegeven dat uit het handelsregister bij de Kamer van Koophandel blijkt dat de onderneming van Res Nova is uitgeschreven met ingang van 1 februari 2013. [appellant] noemt dit een belangrijk feit maar verbindt er geen conclusies aan. Res Nova heeft bij memorie van antwoord aangegeven dat de samenwerking tussen de vennoten is geëindigd. Naar het oordeel van het hof heeft dit geen implicaties voor de procedure; Res Nova kan als procespartij (in liquidatie) blijven optreden.

in het principaal hoger beroep

3.7.

[appellant] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen, tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen in reconventie en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen in conventie van Res Nova, met veroordeling van Res Nova in de proceskosten van beide instanties.

Grief I.

3.8.

Volgens [appellant] heeft de kantonrechter in 3.3.4. van het tussenvonnis van 11 juli 2013 ten onrechte vastgesteld dat voor onderdeel B niet blijkt van een afgesproken plafond.

3.9.

Het hof leest in de mail van 8 november 2011 10:12 PM van [geïntimeerde 2] dat voor onderdelen A. (cultuur- en bouwhistorisch signalement) en B. (fiscaal verhaal) tezamen een aanbieding wordt gedaan van € 10.200,- exclusief btw, gebaseerd op een percentage van de te verwachten fiscaal aftrekbare kosten.

Uit de mail van [geïntimeerde 2] van 11 november 2011 8:45 PM blijkt dat naar aanleiding van voormelde mail van 8 november 2011 een telefonisch onderhoud tussen [geïntimeerde 2] en [appellant] heeft plaatsgevonden. In de mail van 11 november 2011 wordt vermeld dat is afgesproken dat [roepnaam medewerker Res Nova] (toevoeging hof: [medewerker Res Nova] ) en [geïntimeerde 2] op uurbasis werken aan het project, dat [geïntimeerde 2] voor een akkoord van [appellant] om op uurbasis verder te werken een overzicht moet sturen van het te verwachten aantal uren dat zij nodig hebben om A. en B. voor elkaar te krijgen. Voor A. en B. noemt [geïntimeerde 2] respectievelijk 19 uren en ongeveer 72 uur.

[appellant] reageert hierop in zijn mail van 12 november 2011 10.35 AM dat voor wat betreft onderdeel B hij zelf meer input willen leveren om de tijdsbesteding van de kant van [geïntimeerde 2] tot circa 36 uur te beperken. Voorts geeft hij aan in te stemmen met 35 uur voor onderdelen A en C samen.

[geïntimeerde 2] schrijft vervolgens in haar mail van 22 november 2011 11.40 AM aan [appellant] dat zoals afgesproken zij een recapitulatie stuurt van wat de dag tevoren is besproken met de planning en de verwachte uren. In die mail bevestigt [geïntimeerde 2] dat [appellant] Res Nova niet op basis van een vast bedrag als in de eerste offerte wilde laten werken maar dat [appellant] hen op uurbasis verder wilde laten werken en dat [appellant] alleen een inschatting wilde hebben. Ten aanzien van onderdelen A en C merkt [geïntimeerde 2] op zich niet vast te willen leggen op een maximum van 35 uren. Ten aanzien van onderdeel B geeft [geïntimeerde 2] in die mail een inschatting van 72 uur en uitleg over die inschatting. [geïntimeerde 2] geeft vervolgens aan dat voor de oplevering van het concept op die maandag een grove inschatting op ongeveer 52 uren uitkomt. [geïntimeerde 2] merkt op dat zij ervan uitgaat dat [appellant] zich kan vinden in de grove inschatting van de 52 uren en dat hij zich kan vinden in het voorstel dat zij bij oplevering van het concept aan BBM de daadwerkelijke uren zal doorgeven. [geïntimeerde 2] sluit af met het verzoek aan [appellant] van hem zijn akkoord te willen ontvangen.

[appellant] geeft in zijn mail van 22 november 2011 12.:32 PM zijn akkoord om voort te gaan op de door [geïntimeerde 2] aangegeven weg en op basis van de daarbij door [geïntimeerde 2] aangegeven tijdsplanning. Wel roept [appellant] op zo efficiënt mogelijk te werken en geen dingen te doen die hij zou kunnen doen en geen dingen dubbel te doen.

[appellant] merkt in zijn mail van 9 december 2011 9:01 PM op dat hij te kennen heeft gegeven [roepnaam medewerker verbonden aan de Instandhouder] (toevoeging hof: [medewerker verbonden aan de Instandhouder] , verbonden aan “Instandhouder”) meer in te willen schakelen om de 72 uur naar beneden terug te dringen en dat ondanks de bijdrage van [medewerker verbonden aan de Instandhouder] voornoemd, [geïntimeerde 2] toch over de 72 uur heen gaat.

[geïntimeerde 2] schrijft in haar mail van 10 december 2011 3:11 PM dat pas bij de eindfactuur zal worden overgegaan tot calculatie van de uren.

Gezien voormelde e-mails (productie 14 bij akte in eerste aanleg van Res Nova na comparitie van 4 september 2012), heeft [appellant] onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat tussen partijen ter zake van onderdeel B. een plafond is overeengekomen.

Deze grief faalt.

Grief II.

3.10.

[appellant] vindt dat de kantonrechter in het tussenvonnis van 11 juli 2013 in 3.3.4. en 3.3.5. ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] akkoord zou zijn en geen expliciet bezwaar zou hebben gemaakt tegen de door Res Nova ingeschatte 52 uur werk.

3.11.

Het hof stelt vast dat uit de verwijzing in deze grief naar de bestreden overwegingen en uit de toelichting op deze grief, de grief op Fase 2, onderdeel B: Fiscaal verhaal ziet.

Uit de mail van [appellant] van 22 november 2011 12:32 PM blijkt het hof, dat [appellant] akkoord gaat met het voorstel van [geïntimeerde 2] zoals vermeld in haar mail van voormelde datum van 11.40 AM. Voormeld akkoord is zonder enig voorbehoud gegeven. Immers in zijn voormelde mail merkt [appellant] slechts op dat je in 40 uur extreem veel kunt doen en roept hij op om zo efficiënt mogelijk te werken en geen dingen te doen die hij zou kunnen doen en geen dubbele dingen te doen. Enige gevolgen aan deze mededeling en oproep voor voormeld akkoord verbindt hij daaraan niet. [appellant] stelt nog dat hij ook heeft aangeboden om zijn echtgenote in te schakelen om tijd te besparen, maar hij voert niet aan dat dit aanbod als voorbehoud bij het gegeven akkoord is gedaan. Evenmin heeft [appellant] gesteld dat hij aan zijn akkoord de voorwaarde heeft verbonden dat door derden verrichte werkzaamheden zoals door “Instandhouder” en door “BAAC” in aanmerking moeten worden genomen door Res Nova in die zin dat zij tot een verlaging van het geschatte aantal uren zouden moeten leiden.

Deze grief faalt eveneens.

Grief III.

3.12.

Ten onrechte, aldus [appellant] , overweegt de kantonrechter in 3.4. en volgende van het tussenvonnis en 2.6. en verder van het eindvonnis, dat Res Nova een opschortingsrecht toekwam met betrekking tot het leveren van het eindrapport aan [appellant] .

3.13.1.

Het hof constateert dat de grief, gelet op de bestreden overwegingen, betrekking heeft op Fase 2, onderdeel B: Fiscaal verhaal.

3.13.2.

In artikel 14 aanhef sub a. en d. van de Algemene voorwaarden van Res Nova (productie 16 bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie), waarop Res Nova zich beroept, is bepaald dat de eerste oplevering bestaat uit het concept- of ontwerpproduct, dat gelijktijdig daarmee de opdrachtgever de eindnota ontvangt en dat de opdrachtgever het definitieve exemplaar krijgt toegezonden na betaling van de eindnota.

[appellant] heeft in eerste aanleg (voormelde conclusie onder 26.) aangevoerd dat op grond van artikel 1b van voormelde algemene voorwaarden de DNR-2005 gelden. Dit betoog wordt verworpen omdat in artikel 1b staat dat voor zover op het punt van aansprakelijkheid, rechtszekerheid en zorgvuldigheid strijdigheid mocht bestaan tussen de artikel van de Algemene voorwaarden van Res Nova en die van DNR-2005, laatstgenoemde voorrang hebben. [appellant] heeft echter niet gesteld dat op het punt van aansprakelijkheid, rechtszekerheid en zorgvuldigheid strijdigheid bestaat tussen de Algemene voorwaarden van Res Nova en DNR-2005. Daarenboven heeft art. 14 geen betrekking op kwesties inzake aansprakelijkheid, rechtszekerheid en zorgvuldigheid. Gelet hierop geldt dan ook voormeld artikel 14.

3.13.3.

Bij mail van 28 november 2011 7:23 PM heeft [geïntimeerde 2] aan [appellant] het concept van het Fiscaal verhaal met gebrekenplan aan [appellant] toegestuurd. Op 20 december 2011 heeft Res Nova aan [appellant] een rekening met kenmerk [factuurnummer 3] gezonden waarin ter zake van onderdeel B € 6.589,50 nog te vermeerderen met BTW, in rekening wordt gebracht, te betalen binnen veertien dagen. Gezien voormeld artikel 14 was [appellant] in beginsel gehouden de door Res Nova verrichte werkzaamheden te betalen omdat hij het concept Fiscaal verhaal had gekregen. Aangezien [appellant] niet heeft betaald, was Res Nova op grond van artikel 14 van haar algemene voorwaarden niet gehouden het definitieve exemplaar van het Fiscaal verhaal aan [appellant] toe te zenden.

3.13.4.

Dat, zoals [appellant] in zijn toelichting op deze grief aanvoert, hij voldoende verhaal biedt, doet niets af aan zijn voormelde verplichting op grond van de Algemene voorwaarden van Res Nova na ontvangst van het conceptrapport de rekening van Res Nova te moeten betalen.

3.13.5.

Evenmin wordt gehonoreerd de stelling van [appellant] , dat zijn belang bij het verkrijgen van het definitieve rapport meebracht dat Res Nova geen betaling van het concept kon eisen. [appellant] kon immers zijn belang zelf dienen door de rekening van Res Nova zo spoedig mogelijk te betalen onder voorbehoud van verschuldigdheid, na welke betaling [appellant] het definitieve rapport zou verkrijgen. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de in de mail van 10 december 2011 3:11 PM (zie hiervoor onder r.o. 3.7) door [geïntimeerde 2] geopperde mogelijkheid van discussie over de uren bij de eindnota niet meebrengt dat Res Nova afstand heeft gedaan van haar recht betaling te eisen van haar factuur na toezending van het concept rapport. Bovendien laat voormelde mail de mogelijkheid open dat die discussie over de uren na betaling kan worden gevoerd.

3.13.6.

De opmerking van [appellant] , dat Res Nova betaling wilde voordat de betalingstermijn was verstreken, is niet relevant aangezien [appellant] ook niet binnen die termijn van veertien dagen de rekening heeft betaald.

3.13.7.

Voorgaande verplichting van [appellant] tot betaling van de rekening van Res Nova na ontvangst van het conceptrapport geldt naar het oordeel van het hof niet indien [appellant] niets of nagenoeg niets meer verschuldigd zou zijn aan Res Nova ter zake van de werkzaamheden voor het concept Fiscaal verhaal, zodat het bij factuur van 20 december 2011 in rekening gebrachte bedrag voor onderdeel B ten onrechte, althans nagenoeg geheel ten onrechte bij [appellant] in rekening zou zijn gebracht. [appellant] voert in dit verband in zijn toelichting op de grief aan dat het grootste deel van de facturen al was voldaan.

Uit de specificatie bij de rekening van 20 december 2011 (productie 14 conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie) blijkt dat Res Nova 111,30 uren in rekening brengt voor onderdeel B, waarvan 54 uren reeds zijn voldaan door de voorschotnota van 9 december 2011, zodat 57,30 uren, dat wil zeggen 57 uren en 18 minuten resteren te betalen. Zoals hiervoor is overwogen is onvoldoende gesteld om een plafond aan te kunnen nemen.

Gezien de hierna vermelde beslissingen ten aanzien van Grief VI van [appellant] en de grieven 3 en 5 van Res Nova is slechts de reistijd van 9 uur en 20 minuten ten onrechte in rekening gebracht, waarvan 6 uren betrekking hebben op onderdeel B, zoals blijkt uit de specificatie bij de factuur. Van laatstgenoemde in mindering te brengen uren uitgaande, heeft Res Nova op 20 december 2011 dus terecht voor onderdeel B. 105 uren en 18 minuten (111u18 minuten – 6u), in rekening gebracht, welke nog niet waren betaald door [appellant] .

Derhalve gaat de stelling van [appellant] , dat de op 20 december 2011 in rekening gebrachte uren voor onderdeel B. voor het grootste deel waren voldaan, niet op en kan niet geconcludeerd worden dat [appellant] niets of nagenoeg niets meer was verschuldigd aan Res Nova ter zake van onderdeel B.

3.13.8.

Deze grief gaat derhalve niet op.

Grief IV.

3.14.

Als vierde grief werpt [appellant] op dat de kantonrechter in 3.4.4. en volgende van het tussenvonnis en in 3.8.1. van het eindvonnis ten onrechte heeft overwogen dat Res Nova de werkzaamheden had voltooid.

3.15.

Deze grief heeft betrekking op onderdeel B., zoals blijkt uit voormelde verwijzingen naar de overwegingen in de bestreden vonnissen. Res Nova heeft echter geen vordering ingesteld op de grond dat zij haar werkzaamheden ter zake onderdeel B zou hebben beëindigd. Immers haar vordering betreft slechts de betaling van haar in opdracht van [appellant] gewerkte uren tot het moment van toezending van het conceptrapport betreffende het Fiscaal verhaal aan [appellant] . Deze vordering is, gelet op het toepasselijke artikel 14 van de Algemene voorwaarden van Res Nova, toewijsbaar ook al zijn de werkzaamheden nog niet voltooid.

Bovendien kan het niet opleveren van een definitief rapport niet als tekortkoming van Res Nova worden beschouwd omdat [appellant] de factuur van 20 december 2011 niet heeft voldaan en hij derhalve in verzuim is.

Deze grief kan dus niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen leiden en wordt daarom verworpen.

Grief V.

3.16.

Ten onrechte, aldus [appellant] , heeft de kantonrechter in 4.4.6. en volgende van het tussenvonnis en 3.5.3. en 3.8.1. en verder van het eindvonnis overwogen dat Res Nova zich voldoende moeite heeft getroost om [appellant] op de hoogte te houden omtrent de voortgang van de uitvoering van de opdracht.

3.17.1.

Uit de verwijzingen in deze grief naar 3.5.3. van het tussenvonnis maakt het hof op dat de grief zich ook richt op onderdeel A. Echter uit de toelichting op deze grief blijkt in het geheel niet welk bezwaar [appellant] heeft tegen deze overweging. De grief is dus in zover onvoldoende onderbouwd.

3.17.2.

De overige verwijzingen in de grief en de toelichting daarop zien op onderdeel B. Uit de toelichting begrijpt het hof dat [appellant] stelt dat Res Nova haar niet heeft geïnformeerd over de contacten met BBM. Het hof merkt allereerst op dat [appellant] door de rekening van 20 december 2011 niet te betalen in verzuim is, vanaf 3 januari 2012.

Indien het verwijt van [appellant] terzake onvoldoende informatievoorziening betrekking heeft op de periode na het intreden van voormeld verzuim van [appellant] , kan Res Nova niet in verzuim zijn gekomen.

Voor zover het verwijt van [appellant] betrekking heeft op de periode vóór zijn verzuim, heeft [appellant] onvoldoende toegelicht dat Res Nova hem onvoldoende heeft geïnformeerd. In dit verband wijst het hof op de mails van [geïntimeerde 2] van 21 oktober 2011 11:44 AM, 24 oktober 2011 8:12 PM, 28 oktober 2011 1:29 PM, 4 november 2011 9:32 PM, 28 november 2011 6:19 en 7:23 PM, 29 november 2011 9:58 AM, 30 november 2011 5:06 PM, 7 december 2011 9:15 PM, 8 december 2011 5:03 PM, 9 december 2011 10:26 AM, 9 december 2011 6:54 PM, 14 december 2011 10:21 PM, 20 december 2011 12:14 PM, 20 december 2011 6:27 PM waarin [geïntimeerde 2] [appellant] informeert over de contacten met BBM en de stand van zaken en waarin [geïntimeerde 2] met [appellant] overlegt over de fiscale afwikkeling.

In haar mail van 23 december 2011 5:43 PM deelt [geïntimeerde 2] aan [appellant] mede dat de bindende mededeling (toevoeging hof: van de belastingdienst) pas echt van kracht is als alle stukken zijn ingeleverd, dat het dus noodzakelijk is dat de factuur van onderdeel B Fiscaal verhaal betaald wordt, dat dan de definitieve rapportage en het formulier voor de handtekening van [appellant] aan hem gestuurd kan worden, zodat [appellant] dit samen met de tekeningen kan opsturen naar Amersfoort (toevoeging hof: de belastingdienst) vóór het einde van het jaar. Hieruit blijkt dat Res Nova zich voldoende het belang van [appellant] heeft aangetrokken door hem op het belang van tijdige afwikkeling te wijzen.

Deze grief is ongegrond.

Grief VI.

3.18.

De kantonrechter heeft volgens [appellant] ten onrechte overwogen in 3.5.6. en volgende van het tussenvonnis dat de gemaakte uren door [medewerker] meegenomen mogen worden.

3.19.

Uit de specificatie van de rekening van 20 december 2011 blijkt dat ter zake van werkzaamheden verricht door [medewerker] (“ [initialen van medewerker] ” in de specificatie) 27,25 uren in rekening zijn gebracht voor onderdeel B. In het mailbericht van [geïntimeerde 2] van 11 november 2011 8:45 PM staat, zoals [appellant] aanvoert, dat zij, [geïntimeerde 2] en [roepnaam medewerker Res Nova] ( [medewerker Res Nova] ) op uurbasis verder werken, terwijl daarin [medewerker] niet is genoemd. Echter in de mail van [geïntimeerde 2] van 22 november 2011 11:40 AM is ter zake van het voorstel met betrekking tot onderdeel B. de naam [roepnaam medewerker] genoemd, dat zij een stuk van de samenstelling van de rapportages van [geïntimeerde 2] overneemt en dat dat bij elkaar ongeveer tweemaal vier uur is. Onder [roepnaam medewerker] verstaat het hof, nu daaromtrent niets anders is gesteld, [medewerker] . Uit laatstgenoemde mail blijkt voorts dat de tweemaal vier uren van [medewerker] onderdeel uitmaken van de schatting van de werkzaamheden van 52 uren. Gelet op het voorgaande houdt het voorstel van Res Nova tevens in vergoeding van de uren van [medewerker] . Uit zijn mail van 22 november 2011 12:32 PM blijkt dat [appellant] zijn akkoord geeft om voort te gaan op de door [geïntimeerde 2] aangegeven weg. [appellant] maakt hierbij geen uitzondering voor de werkzaamheden of het tarief voor de werkzaamheden van [medewerker] . Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat tussen partijen is overeengekomen dat Res Nova de uren voor [medewerker] in rekening mocht brengen bij [appellant] . De argumenten die [appellant] ontleent aan artikel 53 sub 1 DNR-2005 worden verworpen omdat die voorwaarden niet van toepassing zijn, zoals hiervoor al is overwogen.

Deze grief wordt dus verworpen.

Grief VII.

3.20.

[appellant] is van mening dat de overweging in 4.6.1. en verder van het tussenvonnis en 3.11 en volgende van het eindvonnis, dat van een toerekenbare tekortkoming van de zijde van Res Nova geen sprake kan zijn, ten onrechte is.

3.21.

Ook deze grief heeft betrekking op onderdeel B., zoals blijkt uit voormelde verwijzingen naar overwegingen in de bestreden vonnissen.

Zoals hiervoor al is overwogen is [appellant] in verzuim omdat hij de factuur van 20 december 2011 niet heeft betaald. Reeds hierom is Res Nova niet in verzuim.

[appellant] betoogt in zijn toelichting op deze grief nog dat er nog helemaal geen eindsituatie was bereikt, zodat, zo begrijpt het hof, Res Nova nog niet gerechtigd was om op 20 december 2011 aan [appellant] haar werkzaamheden te factureren. Volgens [appellant] diende Res Nova namelijk nog prijzen op te vragen bij aannemers om vervolgens een lijst op te maken met daarin telkens de hoogste prijs per post om vervolgens met die lijst met BBM te overleggen om een zo groot mogelijk bedrag aan aftrekbare posten te realiseren.

Gezien artikel 14 van de Algemene voorwaarden van Res Nova is voormeld betoog van [appellant] onjuist. In voormeld artikel wordt een conceptproduct als eerste oplevering beschouwd. Op 28 november 2011 heeft Res Nova het concept van het Fiscaal verhaal met gebrekenplan naar [appellant] gezonden. [appellant] heeft niet (voldoende) betwist dat dit stuk niet als een conceptproduct in de zin van artikel 14 voormeld kan worden beschouwd. Res Nova was dus gerechtigd daarbij de nota voor haar werkzaamheden te voegen.

Uit artikel 15 volgt dat na de eerste oplevering nog een definitieve opleverdatum in overleg met de opdrachtgever wordt vastgesteld. Indien na oplevering van het ingevolge artikel 14 sub c. definitief gemaakte conceptrapport verdere werkzaamheden nodig waren, zoals [appellant] stelt, dan heeft hij niet aangegeven dat die verdere werkzaamheden niet als werkzaamheden ter zake van definitieve oplevering zouden moeten worden beschouwd.

De grief faalt.

Grief VIII.

3.22.

In 3.11.2 en verder van het eindvonnis heeft de kantonrechter volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat [appellant] slechts zijn stellingen herhaalt en geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoert. [appellant] stelt dat hij in het geheel geen nieuwe feiten hóefde aan te voeren.

3.23.

Genoemd standpunt van [appellant] is op zichzelf juist. Blijkens de toelichting bij die grief houdt deze in feite in dat de kantonrechter op grond van de door [appellant] aangedragen argumenten tot een onjuiste beoordeling was gekomen. Op de gronden zoals hiervoor overwogen deelt het hof echter die visie van [appellant] niet. Mitsdien faalt deze grief.

Grief IX.

3.24.

Ten onrechte heeft de kantonrechter in 3.12. en verder van het eindvonnis overwogen, dat [appellant] tijdens de comparitie zijn standpunt voldoende heeft kunnen uiten, zodat het recht op pleidooi ontbreekt, aldus [appellant] .

3.25.

[appellant] heeft in de toelichting op deze grief verzocht om zijn zaak te mogen bepleiten. [appellant] heeft zijn verzoek niet op een rolzitting gedaan, zoals voorzien in het procesreglement. Na de memoriewisseling hebben partijen zich beraden. [appellant] heeft na beraad geen pleidooi gevraagd, maar arrest. Res Nova heeft na beraad verzocht een akte te mogen nemen. Het laatste is toegestaan, waarna akten zijn gewisseld. Na de aktewisseling is de zaak voor arrest geagendeerd. [appellant] , noch Res Nova heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gelet op het voorgaande gaat het hof er van uit dat [appellant] geen pleidooi meer wenst. Hierbij komt dat [appellant] niet heeft aangegeven dat hij in hoger beroep niet de mogelijkheid heeft gekregen om zijn bezwaren tegen de bestreden vonnissen alsnog voldoende uiteen te zetten.

De grief wordt verworpen.

Bewijsaanbod.

3.26.

Het door [appellant] gedane bewijsaanbod wordt als niet ter zake dienend gepasseerd. Enige toelichting omtrent de feiten welke [appellant] zou willen bewijzen ontbreekt. Zijn grieven zijn feitelijk gericht tegen de beoordeling door de kantonrechter van de door [appellant] aangedragen argumenten, waartoe bewijslevering niet noodzakelijk is.

Slotsom.

3.27.

Het door [appellant] ingestelde principaal hoger beroep wordt verworpen.

in het incidenteel hoger beroep

3.28.

Res Nova heeft negen grieven voorgedragen en geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen onder toewijzing van haar vorderingen in conventie en afwijzing van de vorderingen van [appellant] in reconventie met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van beide instanties.

Grief 1.

3.29.

Res Nova is van mening dat de kantonrechter ten onrechte in 3.2.2. van het tussenvonnis heeft overwogen dat niet is gebleken dat een definitieve effecttoets is opgeleverd zodat het [appellant] vrijstond de overeenkomst ten aanzien van onderdeel A te ontbinden.

3.30.1.

[geïntimeerde 2] bericht in haar mail van 7 december 2011 9:15 PM dat zij het concept van de effecttoets de volgende ochtend aan de gemeente stuurt en dat zij het stuk bijvoegt zover het af is.

3.30.2.

In haar mail van 9 december 2011 6:54 PM schrijft [geïntimeerde 2] aan [appellant] dat het rapport is afgerond en dat hier alleen nog de tijd bij zal komen die nodig is voor het definitief maken van het rapport na het akkoord van de commissie. Hieruit volgt dat het concept rapport pas definitief gemaakt kan worden na het akkoord van de commissie van de gemeente.

3.30.3.

In zijn mail van 28 december 2011 schrijft [appellant] aan [geïntimeerde 2] dat hij vaststelt dat zij niet, althans niet volledig is nagekomen, dat hij [geïntimeerde 2] tot het einde van die week gelegenheid geeft om alsnog volledig na te komen, dat dat inhoudt dat voor die tijd alle stukken netjes in orde zijn en zijn ingediend, dat hij daarbij geen genoegen neemt met concept-stukken of digitale stukken en dat mocht [geïntimeerde 2] daaraan geen of niet bevredigend gevolg geven, zij in verzuim zal zijn.

3.30.4.

Uit voormelde mails van 7 en 9 december 2011 blijkt dat de effecttoets bij de gemeente is ingediend en dat het rapport pas definitief kon worden na akkoord van de commissie. [appellant] heeft niet betwist dat het rapport bij de gemeente is ingediend. [appellant] heeft niet gesteld dat de commissie al akkoord was gegaan met de effecttoets zodat het rapport definitief kon worden gemaakt. [appellant] heeft niet gesteld dat op grond van de overeenkomst tussen partijen het voor rekening en risico van Res Nova kwam dat er binnen de door [appellant] gestelde termijn nog geen akkoord was van de commissie.

Gelet op het voorgaande is Res Nova niet in verzuim geraakt.

3.30.5.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de overeenkomst wat onderdeel A. betreft niet als ontbonden kan worden aangemerkt. De grief slaagt dus. Dit leidt er toe dat Res Nova in beginsel nakoming kan vorderen van het overeengekomene.

Grief 2.

3.31.

Ten onrechte, aldus Res Nova, heeft de kantonrechter in 3.3.4 van het tussenvonnis en 2.5. van het eindvonnis geconcludeerd dat in ieder geval voor de onderdelen A. en C. een plafond van 35 uren is overeengekomen, daartoe in 2.5.1. van het eindvonnis overwegend, dat partijen inderdaad een alarmmoment zijn overeengekomen, maar dat daarbij is afgesproken dat [appellant] ten tijde van het alarmmoment kon beslissen wat er nog moest worden gedaan, zodat het Res Nova vrij stond tot op dat punt (35 uur) werkzaamheden te verrichten, waarna overleg diende plaats te vinden, zodat in die zin sprake is van een plafond.

3.32.

Bij akte van 19 januari 2016 heeft Res Nova zelf aangevoerd (nr. 2. sub e.) dat zij voor de onderdelen A en C geen uren boven 35 in rekening heeft gebracht. Hieruit maakt het hof op dat Res Nova tot een maximum van 35 uren in rekening wil brengen aan [appellant] . Gelet hierop heeft Res Nova niet voldoende gesteld welk voldoende belang zij heeft bij een oordeel over de vraag of zo’n plafond al dan niet is overeengekomen.

De grief wordt dus verworpen.

Grieven 3. en 5.

3.33.

Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken, nu zij betrekking hebben op één factuur van Res Nova, namelijk die van 20 december 2011.

3.33.1.

Volgens Res Nova in haar derde grief heeft de kantonrechter in overweging 3.5.4. van het tussenvonnis ten onrechte overwogen dat Res Nova enkel de post Stukken uploaden gemotiveerd heeft betwist, terwijl het enkel verwijzen naar de overgelegde urenstaten ten aanzien van de andere door [appellant] betwiste posten onvoldoende is, zodat de overige door [appellant] weersproken 18 uur en 45 minuten op de vordering van Res Nova in mindering worden gebracht.

3.33.2.

Ten onrechte, zo betoogt Res Nova in haar vijfde grief, heeft de kantonrechter in 4.4.5. van het tussenvonnis overwogen dat [appellant] niet, althans onvoldoende weersproken heeft aangevoerd, dat extra overlegsituaties nodig waren, noch dat hij deze heeft opgedragen dan wel goedgekeurd, zodat Res Nova wordt veroordeeld tot het betalen van een bedrag groot € 538,85.

3.34.1.

Uit de verwijzing naar voormelde bestreden overwegingen volgt dat Res Nova met deze grieven het oog heeft op de onderdelen B. en D., zoals in rekening gebracht bij factuur van 20 december 2011.

3.34.2.

Voor genoemde onderdelen worden in die rekening in totaal 111 uren en 18 minuten respectievelijk 14 uren en 30 minuten vermeld. Die uren zijn gespecificeerd in bijlagen bij voormelde factuur, te weten een “Overzicht uren” en een “Urenstaat” (productie 14 bij conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie).

3.34.3.

[appellant] heeft in zijn productie 22, overgelegd bij conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie, correctieposten bij die declaratie opgesteld. De totale correctie voor B. en D. komt volgens [appellant] op 67 uren en 10 minuten.

Het hof merkt hierover op voorhand op dat de correctie “06-12-2011 geen opdracht tot extra overleg (onderdeel D) – 01.50” onjuist is omdat Res Nova hier 1 uur en 30 minuten in rekening heeft gebracht en niet 1 uur en 50 minuten. Het hof begrijpt dit als een vergissing en dat met 1:50 wordt bedoeld 1 uur en 30 minuten.

Voorts corrigeert [appellant] als volgt “09-12-2011 idem gedachtenvorming is geen uitvoering (doe je maar in eigen tijd) -06.50”. Res Nova heeft echter voor gedachtenvorming op 9 december 2011 slechts 30 minuten in rekening gebracht.

Na voormelde correctie van de correctieposten van [appellant] komt de totale door [appellant] gewenste correctie op 60 uren en 30 minuten.

3.34.4.

De werkzaamheden van [medewerker] met een omvang van 29 uur en 5 minuten mogen wel in rekening worden gebracht, zoals hiervoor is beslist, zodat de daarop betrekking correctieposten van [appellant] niet worden gehonoreerd. Overigens noemt [appellant] op 24 november 2011 een urenaantal van 6:40 in plaats van 6:30 uur en op 25 november 2011 een urenaantal van 10:40 in plaats van 09:00 uur. Voor de werkzaamheden van [medewerker] was dus geen 29 uur en 5 minuten berekend, maar bij de vraag welk bedrag aan correcties resteert kan van de door [appellant] opgestelde lijst worden uitgegaan.

3.34.5.

Ook is over de post “Stukken oploaden” ter grootte van 10 uren onherroepelijk geoordeeld dat die in rekening mag worden gebracht, zodat deze post niet tot correctie leidt.

3.34.6.

Over de reistijd is onherroepelijk door de kantonrechter beslist dat die niet in rekening mag worden gebracht. Die correctie bedraagt 9 uren en 20 minuten.

3.34.7.

Gelet op het voorgaande resteren van voormelde correctieposten 12 uur en 5 minuten (60u30min – 29u5min – 10u – 9u20min) aan betwiste werkzaamheden.

3.35.

Ter zake onderdeel B. blijkt uit de mails van [geïntimeerde 2] aan [appellant] dat de in rekening gebrachte werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Het gaat dan met name om de mails van 4 november 2011 9:32 PM waarin het bezoek op 10 november met [roepnaam medewerker Res Nova] wordt afgesproken en door [appellant] wordt bevestigd in zijn mail van 5 november 2011 10:03 AM, van 11 november 2011 8:45 PM, van 22 november 2011 11:40 AM, van 8 december 2011 5:03 PM en van 9 december 2011 10:26 AM en 6:54 PM. Gelet hierop is de betwisting van [appellant] , dat de in rekening gebrachte uren zijn gemaakt, onvoldoende, aangezien hij in het geheel niet ingaat op voormelde mails waaruit wel blijkt dat die werkzaamheden zijn uitgevoerd. De in rekening gebrachte uren zijn derhalve verschuldigd.

3.36.1.

Wat betreft onderdeel D overweegt het hof dat volgens de mail van 8 november 2011 10:12 PM en 11 november 2011 8:45 PM dit onderdeel ziet op extra overlegsituaties die niet van te voren zijn in te schatten. Hierbij moet volgens voormelde mails gedacht worden aan de presentatie aan de monumentencommissie en de gemeente voor eventuele indiening van vergunningsaanvraag voor een gedeelte van het project, eventueel extra overleg met [medewerker verbonden aan de Instandhouder] verbonden aan de Instandhouder, de aannemer, BBM, NRF, en eventueel met de voormalige architect en de kleinzoon van [villa] . Per mail van 22 november 2011 12:32 heeft [appellant] zijn akkoord gegeven. Uit voormelde mails volgt niet dat partijen zijn overeengekomen dat bij elke overlegsituatie in het kader van onderdeel D. [appellant] tevoren toestemming aan Res Nova diende te geven.

3.36.2.

Gelet op de omschrijvingen van de werkzaamheden ter zake van onderdeel D. heeft [appellant] onvoldoende naar voren gebracht om tot zijn conclusie te kunnen komen dat de in rekening gebrachte werkzaamheden niet nodig waren.

3.36.3.

Anders dan [appellant] aanvoert, volgt uit hetgeen partijen zijn overeengekomen niet dat onder overleg geen overleg per e-mail of telefoon kan worden verstaan.

3.36.4.

Tenslotte blijkt uit de mails dat de betreffende werkzaamheden door Res Nova zijn verricht, zodat de betwisting van [appellant] dat die werkzaamheden zijn verricht en zonder in te gaan op de betreffende mails als onvoldoende wordt beschouwd. Het hof doelt hier op de mails van [geïntimeerde 2] aan [appellant] van 28 november 2011 6:19 PM waaruit blijkt van de werkzaamheden op 25 november 2011 en op 28 november 2011, van 30 november 2011 5:06 PM waaruit blijkt van de aanstaande werkzaamheden op 6 december 2011, van 7 december 2011 9:15 PM waaruit blijkt van de werkzaamheden op 6 december 2011, van 9 december 2011 van 6:54 PM waarin ter zake onderdeel D wordt aangegeven dat dit op 5,5 uur staat en dat die samenhangen met extra overleg vanwege de offertes van de aannemers en dat daarbij nog het overleg komt met de gemeente de dinsdag na deze mail, van 17 december 2011 7:54 PM waaruit het overleg met een aannemer blijkt en uit de mail van 20 december 2011 12:14 PM waaruit de werkzaamheden op 19 december 2011 blijken. Hierbij komt dat in een mail van [appellant] aan [geïntimeerde 2] van 7 december 2011 10:05 PM [appellant] bevestigt dat hij met de betreffende aannemer heeft kennisgemaakt.

3.36.5.

De ter zake van onderdeel D. in rekening gebrachte werkzaamheden dienen derhalve te worden voldaan.

3.37.

De grieven 3 en 5 slagen. Dit leidt er toe dat slechts de in rekening gebrachte reistijd van 9 uren en 20 minuten in mindering dient te worden gebracht op de factuur, te weten

€ 1.341,13 (9u20min x € 115,- x 1,05 overhead x 1,19 btw). Ter zake de onderdelen B. en D. is [appellant] derhalve € 8.437,15 (€ 9.778,28 - € 1.341,13) verschuldigd.

Grief 4.

3.38.

Res Nova is van mening dat de kantonrechter ten onrechte in 4.4.4. van het tussenvonnis heeft overwogen dat Res Nova weliswaar niet, althans onvoldoende weersproken heeft aangevoerd dat [medewerker Res Nova] in totaal 20,55 uur aan onderdeel C. heeft besteed, doch dat nu niet is weersproken dat [appellant] geen advies inzake interieurthema’s heeft ontvangen, Res Nova tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst zodat de vordering tot terugbetaling van de door [appellant] betaalde uren van onderdeel C. ad

€ 1.939,85 zal worden toegewezen.

3.39.1.

In haar toelichting voert Res Nova aan dat de door haar bestede uren betaald dienen te worden. [appellant] heeft in eerste aanleg betwist dat Res Nova aan onderdeel C 20:55 uur heeft gewerkt. Dit verweer van [appellant] en de daarop gebaseerde vordering tot terugbetaling dienen in hoger beroep wederom beoordeeld te worden. Aan de vordering tot terugbetaling heeft [appellant] , zo begrijpt het hof uit de gedingstukken in eerste aanleg en in hoger beroep, onverschuldigde betaling ten grondslag gelegd, nu [appellant] zich op het standpunt stelt dat hij geen vergoeding aan Res Nova is verschuldigd omdat Res Nova niet de gestelde werkzaamheden heeft verricht.

3.39.2.

Het hof is van oordeel dat Res Nova de door haar gestelde werkzaamheden ter zake van onderdeel C. onvoldoende heeft onderbouwd. Bij akte in eerste aanleg van 4 september 2012 heeft Res Nova als productie 7 een urenstaat in het geding gebracht. Uit die urenstaat blijkt dat in de periode 7 tot en met 18 november 2011 werkzaamheden bestaande uit inlezen, onderzoek, bezoek aan bibliotheek en het zoeken van vergelijkingsmateriaal zijn besteed. Een verdere specificatie heeft Res Nova achterwege gelaten, zodat niet kan worden nagegaan waarop de werkzaamheden precies hebben gezien. Gelet hierop concludeert het hof dat Res Nova de verschuldigdheid van de factuur van 9 december 2011 ter zake van onderdeel C. onvoldoende heeft onderbouwd. De vordering tot terugbetaling is derhalve terecht toegewezen. De grief faalt.

Grief 6.

3.40.

De kantonrechter heeft volgens Res Nova ten onrechte overwogen in 3.5.9. van het tussenvonnis en 2.7. en 2.11. van het eindvonnis, dat de gevorderde rente eerst vanaf 11 april 2012 wordt toegewezen omdat de rente in de dagvaarding over een te hoog bedrag wordt gevorderd.

3.41.

De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest, zo bepaalt artikel 119 lid 1 BW.

Res Nova heeft in haar inleidende dagvaarding rente gevorderd vanaf 4 april 2012. Uit hetgeen hiervoor is overwogen was [appellant] in ieder geval vanaf 4 april 2012 in verzuim. Op dat moment dient dan ook de rente in te gaan.

Het beroep van [appellant] op matiging van de rente op grond van artikel 6:109 BW is onvoldoende onderbouwd en ook overigens ziet het hof daarvoor geen aanleiding.

De grief slaagt en de wettelijke rente zal met ingang van 4 april 2012 worden toegewezen.

Grief 7.

3.42.

Res Nova voert aan dat de kantonrechter ten onrechte in 2.14. van het eindvonnis heeft overwogen dat nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld de proceskosten worden gecompenseerd.

3.43.

In conventie heeft Res Nova € 12.360,61 in hoofdsom gevorderd. Hiervan zal worden toegewezen € 7.449,29 (zie hierna). De proceskosten in conventie zijn dan ook terecht gecompenseerd omdat partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld.

3.44.

In reconventie heeft [appellant] € 13.938,20 en € 104.862,16 aan hoofdsommen gevorderd. Die vorderingen zijn grotendeels respectievelijk geheel afgewezen. Kostencompensatie acht het hof niet op zijn plaats omdat [appellant] overwegend in het ongelijk is gesteld.

De grief slaagt in zo ver. [appellant] zal derhalve de proceskosten in reconventie van Res Nova moeten betalen. Die kosten worden begroot op € 900,- (€ 600,- x <comparitie= 1punt + akte na comparitie=0,5 punt + akte uitlaten 24 januari 2013=0,5 punt + akte 5 september 2013=0,5 punt + akte 9 januari 2014=0,5 punt> :2) aan salaris gemachtigde overeenkomstig de voor kantonzaken vastgestelde tarieven.

Grief 8.

3.45.

Ten onrechte, aldus Res Nova, heeft de kantonrechter in 2.3. van het eindvonnis overwogen dat het principe van hoor en wederhoor in de onderhavige zaak juist is toegepast omdat Res Nova in voldoende mate en op gepaste wijze in de gelegenheid is gesteld om zich over de standpunten van [appellant] uit te laten, zodat hij in het aangevoerde geen aanleiding ziet terug te komen op hetgeen reeds in het tussenvonnis is overwogen.

3.46.

Deze grief wordt verworpen omdat Res Nova, voor zover zij in eerste aanleg onvoldoende zou zijn gehoord, in dit hoger beroep dat heeft kunnen herstellen.

Grief 9.

3.47.

In 3.6.5. van het tussenvonnis en 2.3. van het eindvonnis heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat Res Nova aan heeft geboden haar stellingen ten aanzien van de gemaakte uren te bewijzen door het horen van getuigen, maar dat hij geen aanleiding ziet om daarop in te gaan, nu Res Nova daar eerder in de procedure (3.5.4. van het tussenvonnis) al toe in de gelegenheid is gesteld en zij toen de door haar gemaakte uren niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt of gespecificeerd, waarbij het enkel verwijzen naar producties onvoldoende is.

3.48.

Res Nova heeft in hoger beroep een bewijsaanbod gedaan. Dit wordt als niet ter zake dienend gepasseerd.

Slotsom.

3.49.

De bestreden vonnissen zullen als gevolg van het slagen van de hiervoor vermelde grieven, aangedragen door Res Nova in het door haar ingestelde incidenteel hoger beroep, worden vernietigd. Er zijn geen verweren van [appellant] welke vanwege voormelde vernietiging nog besproken moeten worden.

3.50.

Ter zake van de vorderingen van Res Nova zal worden toegewezen € 6.497,29 (betaling onderdeel B en D: € 8.437,15 – terugbetaling onderdeel C: € 1.939.86) in hoofdsom.

3.51.

De bij inleidende dagvaarding gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van

€ 952,- zijn niet bestreden en daarom toewijsbaar.

3.52.

De berekening van de bij inleidende dagvaarding gevorderde rente van € 373,02 is niet inzichtelijk gemaakt, zodat die rente niet herrekend kan worden nu minder is toegewezen dan gevorderd en die rente dus zal worden afgewezen.

Proceskosten.

3.53.

[appellant] wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep, aan de zijde van Res Nova gevallen, veroordeeld.

Die zullen worden vastgesteld op € 711,- griffierecht en € 5.922,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (voor het hoger beroep rekent het hof in het principaal appel 1 punt voor de memorie van antwoord en 0,5 punt voor de akte, aldus 1,5 punt; voor het incidenteel appel rekent het hof de helft van de kosten in het principaal appel, dus 0,75 punt; samen 2,25 punten bij tarief V groot € 2.632,-- per punt).

Het hof zal de nakosten begroten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.
De door Res Nova gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen. Met het oog op de redelijke termijn voor nakoming als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW, zal het hof de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten eerst vanaf veertien dagen na de dag van deze uitspraak toewijzen.

4 De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de tussen partijen door de rechtbank Oost-Brabant, kanton Eindhoven, onder zaaknummer 823705 en rolnummer 12-11697 gewezen vonnissen van 11 juli 2013 en 20 november 2014 en opnieuw rechtdoende

veroordeelt [appellant] aan Res Nova te betalen € 7.449,29, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.497,29 vanaf 4 april 2012 tot de betaling;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg ter zake van de conventie in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten ter zake van de reconventie in eerste aanleg en begroot die kosten aan de zijde van Res Nova tot op heden op € 900,-;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Res Nova op € 711,- aan griffierecht en op € 5.922,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders door partijen gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, J.M. Brandenburg en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 januari 2017.

griffier rolraadsheer