Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1089

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
06-08-2018
Zaaknummer
200.144.208_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:1967
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:3942
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:2131
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijsrecht. Vordering tot betaling facturen. Betwisting door wederpartij dat goederen en diensten zijn geleverd. Bewijswaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.144.208/01

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

Autobedrijf [Autobedrijf] B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.J.E. Spee te Maastricht-Airport,

tegen

  1. [geïntimeerde 1] h.o.d.n. Autoradiateuren [autoradiateuren] , voormalig vennoot van de inmiddels ontbonden vennootschap onder firma Autoradiateuren [de VOF] V.O.F.,
    wonende en zaakdoende te [woion- en zaaksplaats] ,

  2. [geintimeerde 2] , voormalig vennoot van de inmiddels ontbonden vennootschap onder firma Autoradiateuren [de VOF] V.O.F.,
    wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 6 oktober 2015 en 20 maart 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer C/03/159146/HA ZA 11-208 gewezen vonnis van 12 februari 2014.

9 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 6 oktober 2015;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 december 2015;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 7 september 2016;

  • -

    de memorie na enquête van [geintimeerden c.s.] met productie 3;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [appellante] met producties 4A, 4B, 4C en 4D.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

10 De verdere beoordeling

10.1.

Bij genoemd tussenarrest van 6 oktober 2015 heeft het hof [geintimeerden c.s.] toegelaten nadere feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat de door hen onder rekening nummer [rekeningnotanummer] gefactureerde goederen/diensten (voor zover niet gecorrigeerd door de credit factuur met nummer [creditnotanummer] ) en de door hen onder rekening nummer [rekeningnummner] gefactureerde goederen/diensten door hen aan [appellante] zijn geleverd.

10.2.

Ter voldoening aan deze bewijsopdracht hebben [geintimeerden c.s.] [geïntimeerde 1] (geïntimeerde sub 1), [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen doen horen. Vervolgens heeft de raadsheer-commissaris de zaak naar de rol verwezen voor beraad voortzetting enquête aan de zijde van [geintimeerden c.s.] Op de rol hebben [geintimeerden c.s.] aangegeven sluiting van de enquête te wensen. Daarna heeft [appellante] aangegeven geen contra-enquête maar memorie na enquête te wensen. Partijen zijn daarop in de gelegenheid gesteld om een memorie na enquête te nemen, van welke gelegenheid zij beide gebruik hebben gemaakt zoals hiervoor is weergegeven bij het verloop van de procedure. Vervolgens is de zaak op de rol van 7 februari 2017 geplaatst voor aanvullend fourneren voor het wijzen van arrest. Op die datum hebben [geintimeerden c.s.] verzocht om bij akte te mogen reageren op de producties bij de antwoordmemorie na enquête van [appellante] èn de door [appellante] ten aanzien hiervan in die memorie nieuw geponeerde stellingen. De rolraadsheer heeft dit verzoek afgewezen, kennelijk omdat de zaak voor arrest zou komen zodat bij dit arrest het hof zou kunnen beslissen of het die producties en stellingen buiten beschouwing zou laten en of [geintimeerden c.s.] een akte dienaangaande zouden mogen nemen.

10.3.

Het hof stelt vast dat [appellante] in haar antwoordmemorie na enquête op verscheidene plaatsen naar de bij die memorie overgelegde producties verwijst, te weten onder randnummers 6, 19, 30, 38 en 60. Het betreft een nadere onderbouwing van de stellingen van [appellante] in reactie op de verklaringen van getuigen die [geintimeerden c.s.] in hoger beroep hebben doen horen. Daarbij gaat het met name om de betwisting door [appellante] van het standpunt van [geintimeerden c.s.] dat de door hen als productie 23 overgelegde opdrachtbonnen als bewijs van aflevering dienen te worden gekwalificeerd. Volgens [appellante] tonen de bij haar antwoordmemorie na enquête overgelegde stukken aan dat [geintimeerden c.s.] wel degelijk gebruik maakten van pakbonnen (afleverbonnen). Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de nieuwe producties en stellingen in de antwoordmemorie na enquête van [appellante] buiten beschouwing te laten. In aanmerking genomen de wijze waarop de onderhavige procedure zich in hoger beroep heeft ontwikkeld, acht het hof het niet in strijd met de goede procesorde dat [appellante] deze stukken niet eerder heeft overgelegd. Uit oogpunt van hoor en wederhoor zullen [geintimeerden c.s.] een akte uitlating mogen nemen om te reageren op die producties en stellingen.

10.4.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

11 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 4 april 2017 voor akte uitlating aan de zijde van [geintimeerden c.s.] als bedoeld in rov. 10.3;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en J.P. de Haan en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 maart 2017.

griffier rolraadsheer