Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:108

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
05-03-2019
Zaaknummer
200.150.287_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:HR:2013:BZ1721. Schilder overlijdt aan blaaskanker.

ECLI:NL:GHARN:2012:BW0025

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0239
PS-Updates.nl 2019-0380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.150.287/01

arrest van 17 januari 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. L.E.M. Charlier te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.

16 Het geding verder

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 12 april 2016;

- het deskundigenbericht van 20 juli 2016 en het aanvullend deskundigenbericht van 4 augustus 2016 van prof. Van der Laan;

- de memories na deskundigenbericht van [appellante] en [geïntimeerde] van 13 september 2016, beide met producties;

- de antwoordmemories na deskundigenbericht van [appellante] en [geïntimeerde] van 11 oktober 2016, in het geval van [appellante] met een productie.

Vervolgens heeft het hof een datum voor arrest bepaald.

17 De verdere beoordeling

17.1.

Bij voormeld tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat ir. Con Boeckhout tot deskundige kan worden benoemd voor het onderzoek ten aanzien van de zorgplicht maar is het hof daar bij dat arrest nog niet toe overgegaan, kort gezegd wegens de afbakeningsproblemen van dit onderzoek met het onderzoek ten aanzien van de blootstelling dat verricht werd door prof. Van der Laan. Het hof achtte het geraden om eerst de uitkomst van het onderzoek van prof. Van der Laan af te wachten.

17.2.

Zoals hiervoor bij het procesverloop is aangegeven, heeft prof. Van der Laan inmiddels zijn deskundigenbericht uitgebracht. Bij het onderhavige arrest zal het hof dan ook overgaan tot de benoeming van ir. Boeckhout. Waar partijen zich in hun (antwoord)memories na deskundigenbericht op het standpunt stellen dat dit na het onderzoek van prof. Van der Laan niet meer nodig is, deelt het hof dit standpunt niet. Daarbij speelt ook mee dat het hof met het deskundigenbericht van prof. Van der Laan het onderzoek naar de blootstelling niet afgerond acht (zie hierna rov. 17.3). Voorts blijft de verwevenheid van de te beantwoorden vragen in het kader van de blootstelling en de zorgplicht een rol spelen (zie het tussenarrest van 7 juli 2015, rov. 5.2).

17.3.1.

Het hof heeft kennis genomen van het deskundigenbericht en het aanvullend deskundigenbericht van prof. Van der Laan. Prof. Van der Laan concludeert dat de kans dat de kanker bij [de overleden vader van appellante] door zijn werk als schilder is veroorzaakt tussen de 14,7% en 32,3% bedraagt (deskundigenbericht van prof. Van der Laan, pagina 8 bovenaan).

17.3.2.

Bij hun (antwoord)memories na deskundigenbericht hebben partijen rapporten van hun partijdeskundigen in het geding gebracht. Als productie 3 bij memorie na deskundigenbericht heeft [appellante] het rapport van [partijdeskundige 2] overgelegd waarbij [partijdeskundige 2] commentaar levert op het deskundigenbericht van prof. Van der Laan van 20 juli 2016, naar aanleiding waarvan prof. Van der Laan het aanvullend deskundigenbericht van 4 augustus 2016 heeft opgesteld. Bij het als productie 11 bij de memorie na deskundigenbericht van [geïntimeerde] overgelegde rapport reageert [partijdeskundige 1] op het deskundigenbericht en het aanvullend deskundigenbericht van prof. Van der Laan en het rapport van [partijdeskundige 2] . Bij het als productie 7 bij de antwoordmemorie na deskundigenbericht van [appellante] overgelegde rapport geeft [partijdeskundige 2] commentaar op het rapport van [partijdeskundige 1] .

17.3.3.

Partijen zijn het niet eens over hoe het hof het deskundigenbericht van prof. Van der Laan dient uit te leggen en ook plaatsen zij kanttekeningen bij het onderzoek, waarbij zij zich mede baseren op de rapporten van hun partijendeskundigen (zie onder meer 98 tot en met 100 van de memorie na deskundigenbericht van [appellante] en 3.2 van de memorie na deskundigenbericht van [geïntimeerde] ).

17.3.4.

Gelet op het voorgaande is het hof voornemens om, nadat ir. Boeckhout zijn onderzoek heeft verricht, een comparitie van partijen te houden teneinde prof. Van der Laan een nadere mondelinge toelichting te vragen. In het bijzonder heeft de comparitie tot doel prof. Van der Laan nadere vragen te stellen over de bepaaldheid en zekerheid van de grootte van de door hem bepaalde kans dat de gezondheidsklachten van [de overleden vader van appellante] kunnen zijn veroorzaakt door de blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij [geïntimeerde] .

17.3.5.

Bij deze comparitie zullen desgewenst ook de partijdeskundigen aanwezig kunnen zijn. In afwachting van het verloop van de comparitie, houdt het hof de beslissing op het verzoek ex artikel 200 lid 1 Rv van [appellante] (memorie na deskundigenbericht, 118) en het verzoek ex artikel 200 lid 3 Rv van [geïntimeerde] (antwoordmemorie na deskundigenbericht, 4.6) aan.

17.4.

In lijn met hetgeen is overwogen in het tussenarrest van 7 juli 2015, rov. 5.14 e.v. (zie ook het tussenarrest van 12 april 2016, rov. 14.7), zal het hof ir. Boeckhout opdragen om onderzoek te doen naar de in de periode dat [de overleden vader van appellante] werkzaam was bij [geïntimeerde] – 1976 tot 2000 – geldende maatstaven ten aanzien van de maatregelen die [geïntimeerde] diende te treffen en instructies die zij diende te geven in verband met de gevaren verbonden aan de blootstelling van [de overleden vader van appellante] aan gevaarlijke stoffen (niet alleen met het oog op het gevaar van het ontstaan van kanker). Ook dient ir. Boeckhout zijn oordeel te geven over de door [geïntimeerde] betrokken stellingen dat (i) [de overleden vader van appellante] enkel werkte met verfproducten van gerenommeerde leveranciers, welke producten volstrekt alledaags waren en hooguit in beperkte mate stoffen bevatten die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid, (ii) de mate waarin die stoffen in de verfproducten waren verwerkt en de wijze waarop die producten door huis- en onderhoudsschilders als [de overleden vader van appellante] werden gebruikt, geen destijds kenbare risico's voor de gezondheid meebrachten, althans destijds geen aanleiding behoefden te zijn tot het nemen van verstrekkende maatregelen, (iii) [de overleden vader van appellante] gedurende zijn dienstverband met [geïntimeerde] slechts in zeer geringe mate is blootgesteld aan oplosmiddelen en die blootstelling ruimschoots beneden de toen geldende maximale concentraties (de zogenoemde MAC-waarden) bleef.

17.5.

Na het tussenarrest van 7 juli 2015 heeft [geïntimeerde] bij akte van 18 augustus 2015 suggesties gedaan voor vragen aan de voor het onderzoek ten aanzien van de zorgplicht te benoemen deskundige (2.4, a tot en met g). [appellante] heeft aanvankelijk geen vragen voorgesteld. In haar akte van 16 februari 2016, onder 10, heeft [appellante] dat wel gedaan – daartoe in de gelegenheid gesteld bij het tussenarrest van 2 februari 2016, rov. 11.8 – en heeft zij, onder 11 van die akte, ook de vragen van [geïntimeerde] becommentarieerd. Daarop is [geïntimeerde] in haar akte van 15 maart 2016 onder 3 ingegaan. [geïntimeerde] heeft volhard bij door haar bij akte van 18 augustus 2015 geformuleerde vraagstelling en heeft bezwaar gemaakt tegen de door [appellante] voorgestelde vragen op de grond dat deze het bereik van de beoordeling van de zorgplicht (ver) te buiten gaan.

Naar het oordeel van het hof kan thans worden volstaan met de hiervoor in rov. 17.4 omschreven onderzoeksopdracht. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat ir. Boeckhout wordt benoemd in het kader van het bewijsaanbod van [geïntimeerde] (gedaan bij memorie van antwoord, 7.49). Voor zover [appellante] meer of andere kwesties onderzocht wenst te zien dan [geïntimeerde] ten bewijze heeft aangeboden, volgt het hof [appellante] daarin niet.

17.6.

Mede om ir. Boeckhout in staat te stellen om zijn voorschot te begroten, heeft het hof ir. Boeckhout geïnformeerd dat de onderzoeksopdracht zal zijn als hiervoor in rov. 17.4 is omschreven. Voorts heeft het hof ir. Boeckhout meegedeeld dat hij via partijen een kopie van het procesdossier, inclusief het deskundigenbericht en aanvullend deskundigenbericht uitgebracht door prof. Van der Laan voor wat betreft het onderzoek naar de blootstelling, zal krijgen en dat hij vragen die door prof. Van der Laan zijn beantwoord niet meer hoeft te beantwoorden. Ir. Boeckhout heeft zijn voorschot vervolgens begroot op € 13.850,00 (exclusief BTW) dan wel € 16.758,50 (inclusief BTW). Daarbij heeft hij vermeld dat de kosten zijn gebaseerd op het voor 2017 geldende tarief van € 135,00/uur (exclusief BTW), dan wel € 163,35/uur (inclusief BTW). Als de partij die met betrekking tot de zorgplicht de bewijslast draagt, zal [geïntimeerde] het voorschot dienen te betalen (zie ook het tussenarrest van 7 juli 2015, rov. 5.20).

17.7.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

18 De uitspraak

Het hof:

18.1.

bepaalt dat een deskundigenonderzoek wordt verricht naar de hiervoor in rov. 17.4 omschreven onderzoeksopdracht;

18.2.

benoemt tot deskundige om dit deskundigenonderzoek te verrichten:

ir. Con Boeckhout, geregistreerd arbeidshygiënist

[Arbo] Arbo

[adres]

[postcode] [woonplaats]

[e-mailadres]

[telefoonnummer] ;

18.3.

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van dit arrest aan de deskundige toezendt;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van dit arrest (een afschrift van) de verdere processtukken aan de deskundige ter beschikking zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

18.4.

bepaalt dat de deskundige eerst met het onderzoek begint nadat daartoe van de griffier bericht is ontvangen;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek – en ten aanzien van de conceptrapportage – partijen in de gelegenheid stelt opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat uit het schriftelijk bericht van de deskundige moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan, terwijl in het bericht tevens melding wordt gemaakt van de inhoud van zodanige opmerkingen en verzoeken;

verzoekt de deskundige een schriftelijk en met redenen omkleed bericht, met een duidelijke conclusie, in te leveren ter griffie van dit hof en tegelijkertijd een afschrift van het bericht aan de advocaten van partijen toe te zenden;

bepaalt de termijn waarbinnen het schriftelijk, ondertekend bericht ter griffie van dit hof (postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch) moet worden ingeleverd op drie maanden nadat door de griffier is bericht dat met het onderzoek kan worden begonnen;

18.5.

bepaalt het voorschot op de kosten van de deskundige op het door de deskundige begrote bedrag van € 16.758,50 inclusief BTW, tenzij (één van) partijen binnen veertien dagen na deze uitspraak bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij (die binnen twee dagen hierop kan reageren bij brief aan de griffier van dit hof met afschrift aan de wederpartij) tegen de hoogte van het voorschot bezwaar heeft/hebben gemaakt, in welk geval het hof op het bezwaar/de bezwaren zal beslissen en de hoogte van het voorschot zal bepalen;

bepaalt dat [geïntimeerde] genoemd voorschot – en een eventueel aanvullend voorschot - zal overmaken na ontvangst van de nota met betaalinstructies die door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal worden verzonden;

verzoekt de deskundige, indien zijn kosten het voorschot te boven mochten gaan, het hof daarover tijdig in te lichten;

18.6.

benoemt mr. J.P. de Haan tot raadsheer-commissaris, tot wie de deskundige zich, door tussenkomst van de griffier dient te wenden met (procedurele) vragen en verzoeken indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft;

18.7.

verwijst de zaak naar de rol van 16 mei 2017 in afwachting van het deskundigenbericht;

verstaat dat de zaak na ontvangst van het deskundigenbericht naar de rol wordt verwezen voor memorie na deskundigenbericht aan de zijde van [geïntimeerde] ;

18.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, J.P. de Haan en I. Giesen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 januari 2017.

griffier rolraadsheer