Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1078

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
20-000203-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

De verdachte wordt wegens voornoemd feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000203-15

Uitspraak : 20 maart 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 januari 2015, in de strafzaak met parketnummer 02-226858-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] ,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 oktober 2014 te Breda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/van een bedrijfsterrein (gelegen aan [adres 1] te Breda) heeft weggenomen een vrachtwagen (met kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 oktober 2014 te Breda tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van een bedrijfsterrein (gelegen aan [adres 1] te Breda) heeft weggenomen een vrachtwagen (met kenteken [kenteken] ), toebehorende aan [aangever] , waarbij hij, verdachte, en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

I.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

II.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken. Daartoe is – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het ten laste gelegde feit op basis van het voorhanden zijnde dossier niet bewezen kan worden verklaard. Zo ontbreekt enig technisch bewijs dat verdachte aan de ten laste gelegde diefstal kan linken. [medeverdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts als getuige onder ede verklaard dat verdachte niet de mededader is geweest. Verdachte heeft tot slot tegenover de politie evenals ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij gebeld werd door een vriend, zijnde [medeverdachte] , die zei dat hij opgehaald wilde worden. Verdachte is dan ook pas later ter plaatse gekomen en heeft met de diefstal van de vrachtwagen van [aangever] niets te maken, aldus de verdediging.

Uit het dossier leidt het hof de navolgende feiten en omstandigheden af. [aangever] heeft aangifte gedaan van diefstal van zijn vrachtwagen. Aangever werd via zijn mobiele telefoon gealarmeerd dat er sprake was van een inbraak bij zijn bedrijf, gelegen aan [adres 1] te Breda. Eenmaal ter plaatse zagen hij en zijn zoon, [getuige] , dat het slot van het hek van het bedrijf was geforceerd en dat een van aangevers vrachtwagens (met kenteken [kenteken] ) verdwenen was. Aangever en zijn zoon gingen in de directe omgeving op zoek naar de vrachtwagen. Vlakbij aangevers bedrijf, op de [adres 2] ter hoogte van het aldaar gevestigde tankstation, zagen zij twee mannen lopen. Een van deze mannen herkende aangever als [medeverdachte] . De andere man had een donkere huidskleur, was kaal en droeg een donker jack en een spijkerbroek. Aangever heeft vervolgens de mobiele telefoon van de man met de donkere huidskleur ingenomen. Deze telefoon – die was verpakt in een zwartlederen hoes – is later door de politie teruggevonden in de rode Suzuki Alto van aangever. In voornoemde hoes bleken naast een telefoon ook een bankpas en een rijbewijs te zitten, welk rijbewijs op naam van [verdachte] was gesteld. Aangever heeft voorts aan [medeverdachte] gevraagd of hij wist waar de vrachtwagen stond en volgens aangever kon voornoemde [medeverdachte] die vraag beantwoorden nog voordat aangever zelf wist waar zijn vrachtwagen stond. Aangever heeft verklaard dat hij om die reden achter [medeverdachte] is aan gereden, terwijl [medeverdachte] naar de plaats is gelopen waar de vrachtwagen geparkeerd stond. Bij die plaats aangekomen zag aangever dat de man met de donkere huidskleur wegrende.

[medeverdachte] is volgens de verklaring van aangever met de vrachtwagen weggereden, waarna aangever met zijn auto achter de vrachtwagen aangereden is. Aangever zag dat verdachte met de vrachtwagen naar het politiebureau reed en kort voor de poort van het politiebureau remde en uitstapte. In het proces-verbaal van politie is gerelateerd dat achter de ontvreemde vrachtwagen een rode Suzuki Alto stond geparkeerd. In die auto werden goederen aangetroffen, waaronder een zwarte rugtas, tangen en schroeven en tevens een telefoon van het merk Nokia.

Circa een uur na de diefstal werd door de politie een man aangehouden die voldeed aan het volgende signalement: negroïde, kaal, spijkerbroek en een donker gewatteerde jas. Deze man bleek verdachte te zijn.

Op camerabeelden van [bedrijf] , gevestigd aan de [adres 2] te Breda, zijn op het tijdstip gelegen voor de diefstal twee personen te zien die heen en weer lopen. Omstreeks het door aangever opgegeven tijdstip waarop de diefstal moet zijn gepleegd is op de beelden te zien dat een witte vrachtwagen voor het tankstation langs rijdt. Op dat moment zijn de twee personen even niet in beeld. Korte tijd later komen dezelfde twee personen weer in beeld. Vervolgens verschijnen na elkaar twee voertuigen, waarvan er één stopt en waarvan de bestuurder uitstapt.

[medeverdachte] heeft tegenover de politie en ter terechtzitting in hoger beroep (als getuige in de zaak van verdachte) verklaard dat hij de vrachtwagen samen met een ander heeft gestolen. Eerst ter terechtzitting in hoger beroep heeft [medeverdachte] expliciet verklaard dat verdachte niet de mededader is geweest en dat de daadwerkelijke mededader een man met een blanke huidskleur betreft. Ook zou de mededader niet kaal zijn geweest.

Gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden overweegt het hof als volgt.

Naar het oordeel van het hof moet – gelet op hetgeen aangever en diens zoon ( [getuige] ) hebben verklaard over de tijd en plaats van de diefstal en het latere aantreffen van de twee mannen – aangenomen worden dat de voertuigen op de beelden de auto’s van aangever en zijn zoon zijn, dat de twee personen op de beelden verdachte en [medeverdachte] zijn en dat de witte vrachtwagen op de beelden de vrachtwagen van aangever is, die op dat moment wordt weggenomen. Dat verdachte – naast [medeverdachte] – de tweede dader van de ten laste gelegde diefstal moet zijn geweest, vindt voorts bevestiging in het feit dat aangever (onder andere) het rijbewijs van verdachte heeft ingenomen op het moment dat aangever en zijn zoon [getuige] verdachte en [medeverdachte] vlak na de diefstal samen aantroffen op de [adres 2] .

De verklaring van verdachte – inhoudende dat hij pas later ter plaatse kwam om [medeverdachte] op te halen, dat hij die [medeverdachte] daar echter niet heeft gezien, dat er ineens een rode auto stopte, dat één van de inzittenden van die auto een pistool op hem richtte en zijn telefoon afpakte – is naar het oordeel van het hof niet geloofwaardig. Immers, uit voormelde gang van zaken volgt dat de telefoon en het rijbewijs van verdachte door aangever zijn ingenomen op het moment dat [medeverdachte] in aanwezigheid van een ander werd aangesproken door aangever en diens zoon. Voorts heeft [aangever] verklaard dat hij de desbetreffende nacht niemand op het bedrijfsterrein heeft gezien, afgezien van de twee mannen die hij zag lopen op de [adres 2] ter hoogte van het tankstation. Gelet hierop valt niet te verklaren op welk ander moment de telefoon en het rijbewijs van verdachte in handen van aangever kunnen zijn gekomen dan ten tijde van de ontmoeting op de [adres 2] . Immers, vanaf dat moment heeft aangever [medeverdachte] gevolgd: eerst naar het gestolen voertuig en later naar het politiebureau. Het hof hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van verdachte.

Ook de getuigenverklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep – inhoudende dat verdachte niet de mededader van de diefstal was en dat de daadwerkelijke mededader een man was met een blanke huidskleur die bovendien niet kaal was – doet aan het voorgaande niets af, nu het hof ook deze verklaring niet geloofwaardig acht. Zowel aangever als [getuige] hebben duidelijk verklaard dat zij – naast [medeverdachte] – een kale man met een donkere huidskleur hebben gezien. Beiden reppen met geen woord over een blanke man met haar. Tot slot is er in het dossier geen enkele aanwijzing te vinden die wijst op een andere mededader dan verdachte.

Op grond van het vorenstaande en de overige voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen concludeert het hof dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte samen met [medeverdachte] de vrachtwagen van aangever heeft weggenomen, waarbij zij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer in al zijn onderdelen. Ook hetgeen verder door de verdediging naar voren is gebracht, doet aan het voorgaande oordeel niets af.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de omstandigheid dat feiten als thans bewezen verklaard in het algemeen schade teweeg brengen aan de eigenaars van de weggenomen goederen dan wel betrokken verzekeraars, alsmede de mate van overlast en ergernis die door dergelijke delicten worden veroorzaakt aan gedupeerden.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 januari 2017, waaruit blijkt dat hij reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten;

  • -

    zijn overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder de omstandigheid dat verdachte volgens eigen opgave ter terechtzitting in hoger beroep zelfstandig ondernemer is.

Voorts heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de vorenomschreven ernst van het feit – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof zal echter een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht. Daarnaast zal het hof aan verdachte een taakstraf van na te melden duur opleggen.

Ambtshalve overweegt het hof ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de politierechter het beroepen vonnis heeft gewezen op 9 januari 2015. Verdachte heeft vervolgens op 23 januari 2015 hoger beroep ingesteld. Nu het hof op 20 maart 2017 ter zake arrest wijst en daarmee derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep, is er sprake van een schending van de redelijke termijn in hoger beroep.

Zonder schending van de redelijke termijn zouden een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest.

Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. A.M.G. Smit, voorzitter,

mr. H.A.W. Vermeulen en mr. B. Stapert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van dhr. Y.L.J. Verhoeven, griffier,

en op 20 maart 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. B. Stapert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.