Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1067

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
12-05-2017
Zaaknummer
16/03498
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3441, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2781
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bpm zaak. Bezwaar tegen eigen aangifte. Inspecteur heeft zonder opgaaf van redenen geen verweerschrift ingediend. Het Hof oordeelt dat deze handelwijze in strijd is met het bepaalde in artikel 8:42 Awb en volstaat thans met de laatste waarschuwing aan de Inspecteur. De Inspecteur wordt voorts veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de door de Rechtbank toegekende vergoeding van immateriële schade vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank tot aan de dag van algehele voldoening. Het Hof is niet bevoegd te beslissen over het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van rente over de teruggaaf van BPM. Geen samenhang in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de Rechtbankfase met de zaak 16/03497, wel in de hoger beroepsfase. Geen vergoeding van werkelijke proceskosten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1123
FutD 2017-1314
FutD 2017-1315
Viditax (FutD), 27-10-2017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03498

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 mei 2016, nummer BRE 15/5060, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen op aangifte voldane belasting.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft op 7 juni 2012 aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de BPM) inzake de registratie van een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto, merk [automerk] , VIN [nummer] (hierna: de auto). Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag aan BPM van € 5.861. Dit bedrag is door belanghebbende op 11 juni 2012 voldaan.

1.2.

Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen dit op aangifte voldane bedrag gemaakte bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraak van 16 juni 2015 het bezwaar gegrond verklaard, een teruggaaf verleend tot een bedrag van € 384 aan BPM, een vergoeding voor kosten van bezwaar toegekend van € 244 en over de teruggaaf op grond van het “Irimie-arrest” een vergoeding van invorderingsrente in het vooruitzicht gesteld over de periode
11 juni 2012 tot aan de datum van terugbetaling van het bedrag van de teruggaaf.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 167. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, een teruggaaf verleend van € 604, gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende rente vergoedt over € 220, te berekenen van 12 juni 2012 volgens de rentevoet en de systematiek van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: de IW), de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van € 2.000 en in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 740, en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoedt.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende geen griffierecht geheven. De Inspecteur heeft geen verweerschrift ingediend.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) hebben partijen vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 3 februari 2017 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, zijn gemachtigde de heer [C] , adviseur te [D] , vergezeld van mevrouw [E] , alsmede namens de Inspecteur, de heer [J] en mevrouw [K] .

1.7.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en door tussenkomst van de griffier aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

1.8.

Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 7 juni 2012 aangifte BPM gedaan inzake de registratie van de auto. Het aangiftebiljet vermeldt een te betalen bedrag aan BPM van € 5.861. Dit bedrag is door belanghebbende op 11 juni 2012 voldaan. Belanghebbende heeft bij de berekening van het te betalen bedrag gebruik gemaakt van de koerslijst XRAY uitgaande van een BTW-auto.

2.2.

Bij uitspraak van 16 juni 2015 op bezwaar van belanghebbende, dat gericht was tegen de eigen aangifte, heeft de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaard, een teruggaaf verleend tot een bedrag van € 384 aan BPM, uitgaande van een herberekening waarbij het CO² element volledig is weggelaten, een vergoeding voor kosten van bezwaar toegekend van € 244 en voorts over de teruggaaf van € 384 op grond van het arrest van het HvJ van 18 april 2013,
C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250, Mariana Irimie, een vergoeding van invorderingsrente in het vooruitzicht gesteld over de periode 11 juni 2012 tot aan de datum van terugbetaling van het bedrag van de teruggaaf.

2.3.

De Rechtbank heeft aan belanghebbende een aanvullende teruggaaf van BPM verleend van € 220, gebaseerd op de lagere handelsinkoopwaarde van een vergelijkbare marge-auto, waarmee de totale teruggaaf van de door belanghebbende op aangifte voldane BPM € 604 bedraagt. Voorts heeft de Rechtbank gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende over de aanvullende BPM teruggaaf van € 220 rente vergoedt volgens de rentevoet en de systematiek van artikel 28c van de IW, en de Inspecteur veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 2.000. Met betrekking tot de proceskosten heeft de Rechtbank beslist, dat belanghebbende gehouden is aan een afspraak met de Inspecteur dat over de bezwaarfase een bedrag van € 244 wordt vergoed, en voor de beroepsfase is de Rechtbank uitgegaan van een samenhang tussen deze zaak en de zaak van belanghebbende met het zaaknummer BRE 15/4636.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft, naar belanghebbende, desgevraagd, uitdrukkelijk ter zitting van het Hof heeft verklaard, het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de Rechtbank de kosten van beroepsmatig verleende bijstand in beroep op het juiste bedrag vastgesteld?
2. Heeft belanghebbende recht op rentevergoeding over het volledige bedrag aan teruggaaf van BPM en over het bedrag aan toegekende immateriële schadevergoeding?

Belanghebbende beantwoordt vraag 1 ontkennend en vraag 2 bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft belanghebbende hieraan het volgende toegevoegd:

Ik trek mijn grieven ter zake van het niet horen in de bezwaarfase bij deze in. De zaak moet niet teruggewezen worden naar de Inspecteur.
De door de Rechtbank toegekende vergoeding van de kosten van de bezwaarfase van € 244 is akkoord.
Wat wel overblijft is mijn grief over de proceskosten voor de Rechtbank-fase.
Ook de grief over de berekening van de “Irimie-rente” met toepassing van artikel 28c van de IW trek ik in.
Ik stel wel dat rente over de immateriële schadevergoeding en over de volledige teruggaaf van BPM verschuldigd is. Ik weet niet of er een beschikking ter zake van de rentevergoeding is genomen door de ontvanger, in ieder geval niet ten tijde van het doen van uitspraak op bezwaar.

4 Gronden

Overwegingen vooraf

4.1.

De Inspecteur heeft verzuimd binnen de door het Hof gestelde termijn een verweerschrift in te dienen. Evenmin is een verweerschrift ingediend nadat het Hof de Inspecteur heeft gewezen op dit verzuim. Pas na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting heeft de Inspecteur een nader stuk ingediend, aangeduid als ‘verweerschrift’. Het Hof heeft geconstateerd dat dit verzuim niet berust op een incidentele fout, maar dat dit structureel plaatsvindt in zaken betreffende de heffing van BPM. Belanghebbende heeft terecht zijn ongenoegen geuit over deze gang van zaken. Belanghebbende stelt – naar het Hof begrijpt – dat de Inspecteur aldus in strijd handelt met artikel 8:42 van de Awb en dat daaraan gevolgen moeten worden verbonden.

4.2.

Het Hof is van oordeel dat belanghebbende terecht klaagt over de handelwijze van de Inspecteur. Het handelen van de Inspecteur is in strijd met het bepaalde in artikel 8:42 van de Awb. Uiteindelijk heeft de Inspecteur weliswaar met toepassing van artikel 8:58 van de Awb een stuk ingediend met een inhoudelijk verweer tegen het gestelde in het hogerberoepschrift, maar door deze handelwijze ontneemt de Inspecteur de wederpartij de mogelijkheid van het indienen van een conclusie van repliek en noodzaakt de wederpartij tot het op het allerlaatste moment nog indienen van nadere stukken als reactie op het “verweerschrift”. Voornoemd gedrag van de Inspecteur en de vervolgeffecten daarvan verstoren voorts de voorbereiding van het Hof. Het aldus handelen door de Inspecteur belemmert een efficiënte procesgang. Met een dergelijk gedrag miskent de Inspecteur zijn positie als professionele procespartij, in het bijzonder nu hij optreedt namens de overheid.

Het Hof volstaat op dit moment met een laatste waarschuwing aan de Inspecteur. In toekomstige zaken waarin dit gebeurt zal het Hof aan het handelen van de Inspecteur consequenties verbinden, bijvoorbeeld door middel van het toekennen van een proceskostenvergoeding, ongeacht de uitkomst van het geschil.

Ten aanzien van het geschil

Vraag 1 Proceskostenvergoeding Rechtbank-fase

4.3.

De Rechtbank heeft overwogen:

“Proceskostenvergoeding

2.11.1.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de werkelijke kosten ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

2.11.2

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten van de beroepsfase, omdat belanghebbende geen feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de inspecteur zijn beslissing tegen beter weten in heeft genomen.

2.11.3.

De rechtbank beschouwt de zaken met zaaknummers BRE 15/4636 en 15/5060 als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit, zoals dat luidt vanaf 1 januari 2015. De beroepen in die zaken zijn gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandeld en de rechtbank acht de werkzaamheden van de gemachtigde in die zaken nagenoeg identiek in de zin van het Besluit.

2.11.4.

De kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). In verband daarmee zal de rechtbank in ieder van deze zaken een proceskostenvergoeding toekennen van de helft van € 992, of € 496 in elke zaak. Overige kosten die op grond van het Besluit voor vergoeding in aanmerking komen, zijn niet gesteld.”

4.4.

Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de zaken met de nummers BRE 15/4636 en 15/5060 (onderhavige zaak) geen samenhang vertonen in de zin van artikel 3 van het Besluit. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.5.

Vanaf 1 januari 2015 luidt de tekst van artikel 3 van het Besluit:

“1 Samenhangende zaken worden voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak.
2 Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”

4.6.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de zaken met de nummers BRE 15/4636 en 15/5060 (onderhavige zaak) samenhangend zijn in de zin van artikel 3, lid 2, van het Besluit. Alhoewel het geschil in beide zaken in eerste aanleg betrekking had op de hoorplicht, de hoogte van de over de verlaging van de naheffingsaanslag, respectievelijk de teruggaaf van BPM, door de Inspecteur te vergoeden rente, de hoogte van de aan belanghebbende toe te kennen immateriële schadevergoeding en de hoogte van de proceskostenvergoeding, had het geschil voor de Rechtbank in de onderhavige zaak bovendien betrekking op beantwoording van de vraag of het unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden in de zin van het arrest Sopropé (Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2008, Sopropé Organizações de Calçado Lda, C-349/07, DR 09/27) én of bij de bepaling van de handelsinkoopwaarde van een BTW-auto uitgegaan mag worden van een marge-auto. Voorts betreft deze zaak de voldoening op eigen aangifte terwijl de zaak BRE 15/4636 betrekking heeft op een naheffingsaanslag. Gelet op het verschil in geschilpunten kan, naar het oordeel van het Hof, niet gezegd worden dat de werkzaamheden in elk van bovengenoemde zaken nagenoeg identiek konden zijn. In zoverre is het hoger beroep gegrond. Belanghebbende heeft recht op een proceskostenvergoeding van € 990 ter zake van het beroep bij de Rechtbank, te vermeerderen met het, naar belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard niet meer in geschil zijnde, bedrag van € 244 voor de kosten van de bezwaarfase (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift).

4.7.

Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat hij recht heeft op de vergoeding van werkelijke kosten van rechtsbijstand voor de Rechtbank-fase. Het Hof stelt voorop, dat de proceskostenvergoeding krachtens artikel 8:75 van de Awb vastgesteld wordt op het bedrag, te bepalen volgens de regels zoals opgenomen in het Besluit (forfait). Slechts in bijzondere omstandigheden kan, blijkens artikel 2, lid 3, van het Besluit, van het forfait worden afgeweken. Van bijzondere omstandigheden is het Hof niet gebleken. Het feit dat een onjuist bevonden standpunt van de Inspecteur in strijd is met het Unierecht is op zichzelf onvoldoende om te leiden tot afwijking van de forfaitaire bedragen zoals opgenomen in het Besluit, aangezien bij een schending van Europees recht geen sprake is van een andere of ernstiger vorm van onrechtmatigheid dan bij schending van nationaal recht (vergelijke Hoge Raad 17 december 2004, nr. 03/114, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810). Bijkomende omstandigheden zouden tot een ander oordeel kunnen leiden, maar belanghebbende heeft dergelijke bijkomende omstandigheden niet aannemelijk gemaakt.

Vraag 2 Rente over de teruggaaf en de immateriële schadevergoeding

4.8.

Belanghebbende stelt in hoger beroep, dat de Rechtbank ten onrechte slechts een beslissing heeft genomen over de rentevergoeding over de aanvullende teruggaaf van BPM van € 220 en niet over de totale teruggaaf van BPM van € 604. Deze grief faalt gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341. De ontvanger is bij uitsluiting bevoegd om op de voet van artikel 30, lid 1, van de IW bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen of en in hoeverre invorderingsrente verschuldigd is. Een dergelijke beschikking is thans niet aan het Hof ter beoordeling voorgelegd. Het Hof is evenmin bevoegd in de onderhavige zaak een uitspraak te doen over de vergoeding van de invorderingsrente gelet op de onmiddellijke werking van artikel 28c van de IW, welke regeling als lex specialis voorrang heeft op de algemene regeling die de belastingrechter bij gegrondverklaring van een (hoger) beroep de bevoegdheid geeft te beslissen op verzoeken om schadevergoeding.

4.9.

Voorts stelt belanghebbende dat de Inspecteur rente is verschuldigd over het bedrag dat aan belanghebbende is toegekend als immateriële schadevergoeding. Hij verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2016, nr. 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315, waarin is overwogen:

“(…)
3.3. Het tegen dit oordeel gerichte middel slaagt. De verplichting tot betaling van een vergoeding ter zake van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt vastgesteld bij uitspraak, waarbij tevens de omvang van de vergoeding wordt vastgesteld. Omwille van de praktische uitvoerbaarheid moet ervan worden uitgegaan dat de uiterste datum waarop deze betaling moet plaatsvinden is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak waarin de veroordeling is opgenomen in het openbaar is gedaan, en dat de wettelijke rente eerst gaat lopen de dag na die uiterste datum (vgl. CBb 29 november 2013, nr. 10/1301, ECLI:NL:CBB:2013:257, en CRvB 30 januari 2014, nr. 13/2399, ECLI:NL:CRVB:2014:296). Dit uitgangspunt geldt ook indien deze verplichting is neergelegd in een uitspraak waartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend en evenzeer wanneer de werking van de desbetreffende uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel is verstreken of, indien dat rechtsmiddel is ingesteld, daarop is beslist.

(…)”

4.10.

De Inspecteur heeft gesteld dat de immateriële schadevergoeding nog niet betaald is en dat daarom belanghebbendes grief voorbarig is. Het Hof kan de Inspecteur daarin niet volgen. De Hoge Raad heeft in het hiervoor aangehaalde arrest van 26 februari 2016 geoordeeld dat de uiterste datum, waarop de betaling van een bij een uitspraak vastgestelde immateriële schadevergoeding moet plaatsvinden, is gelegen vier weken na de datum waarop de uitspraak, waarin de veroordeling is opgenomen, in het openbaar is gedaan. Voorts heeft de Hoge Raad bij dit arrest geoordeeld dat de wettelijke rente begint te lopen de dag na die van de uiterste betaaldatum van de immateriële schadevergoeding, ook indien tegen voornoemde uitspraak een rechtsmiddel ingediend kan worden.

Het Hof zal overeenkomstig het aangehaalde arrest van 26 februari 2016 de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de immateriële schadevergoeding van € 2.000 vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 26 mei 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Slotsom

4.11.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten. Voorts zal het Hof beslissen over de rentevergoeding over de immateriële schadevergoeding.


Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.13.

Daarbij wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken, waarin belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Dit betreft de onderhavige zaak en de zaak van belanghebbende met het kenmerk 16/03497. Beide zaken zijn door het Hof gelijktijdig behandeld en in beide zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon, van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

4.14.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 2 (punten) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken), is in totaal € 990 voor beide zaken tezamen. In deze zaak kent het Hof aan belanghebbende de helft van dat bedrag toe, dat is € 495. Dit bedrag wordt voorts vermeerderd met het niet in geschil zijnde bedrag van € 244 inzake de kosten van de bezwaarfase en met € 990 ter zake van de kosten voor de beroepsfase bij de Rechtbank (zie 4.6). Het totale aan belanghebbende te vergoeden bedrag aan proceskosten komt, in de onderhavige zaak, daarmee op € 1.729.

4.15.

Niet gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

4.16.

Voor zover belanghebbende ook beroep doet op vergoeding van werkelijke proceskosten in hoger beroep, verwerpt het Hof dat beroep. Van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit is het Hof niet gebleken.

4.17.

Voor zover belanghebbende stelt dat de toepassing van het Besluit zoals dat geldt met ingang van 1 januari 2015 in strijd is met de algemene rechtsbeginselen, verwerpt het Hof die stelling. De wijziging van het Besluit heeft, blijkens de parlementaire geschiedenis, tot doel te bewerkstelligen dat de rechtsbijstandverlener in geval van samenhangende zaken niet langer voor iedere zaak, afzonderlijk een kostenvergoeding ontvangt. Hiermee heeft de besluitgever willen voorkomen dat een onredelijk hoge vergoeding wordt ontvangen voor de werkzaamheden van die rechtsbijstandverlener.

Voorts wijst het Hof op het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2016, nr. 15/03065, ECLI:NL:HR:2016:420, waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat het tot de algemene rechtsbeginselen behorende rechtszekerheidsbeginsel meebrengt dat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden geëerbiedigd (zie Hoge Raad 7 oktober 1992, nr. 26974, BNB 1993/4). Daaruit vloeit voort dat in een geval, waarin een uitspraak op bezwaar of een rechterlijke uitspraak vóór 1 januari 2015 is bekendgemaakt, en de belanghebbende op grond van de toen geldende tekst van het Besluit recht had op een bepaalde kostenvergoeding, hij niet in een nadeliger positie mag komen te verkeren als gevolg van toepassing van het (overgangs)recht. Van een dergelijke ontoelaatbare positieverslechtering is in dit geval geen sprake.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van immateriële schade van € 2.000 vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 26 mei 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van de bezwaarfase, het geding bij de Rechtbank en het Hof, aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op, in totaal,
    € 1.729.

Aldus gedaan op 17 maart 2017 door J. Swinkels, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.