Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1064

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
10-05-2017
Zaaknummer
16/00056
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:8783, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:99
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende maakt hoger bedrag aan ingehouden loonheffing niet aannemelijk. Het Hof is niet bevoegd om de Inspecteur op te dragen om een onderzoek bij derden in te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1083
FutD 2017-1162
Viditax (FutD), 26-01-2018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/00056

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 december 2015, nummer BRE 14/4289, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), aanslagnummer: [aanslagnummer] .H.06, opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.007 (hierna: de aanslag). Tegelijkertijd is aan belanghebbende bij beschikking € 350 heffingsrente in rekening gebracht. De aanslag en beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 3 februari 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [A] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1943. Belanghebbende is aangesloten bij het Pensioenfonds PGGM (hierna: PGGM). PGGM heeft belanghebbende in een brief van 30 december 1985 laten weten dat hij recht heeft op een extra pensioen, vóór het bereiken van de 25-jarige leeftijd verworven bij het Pensioenfonds voor Katholieke instellingen (PKI). Dit extra pensioenrecht bestaat uit een levenslang ouderdomspensioen van fl. 7.484,51 per jaar, ingaande op 65-jarige leeftijd.

2.2.

Belanghebbende heeft in de door hem ingediende aangifte IB/PVV over het jaar 2010 een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 34.177 aangegeven, bestaande uit een belastbaar inkomen uit loon of uitkering van € 34.227 en een aftrekbare gift van € 50. Belanghebbende heeft het belastbaar inkomen uit loon of uitkering als volgt gespecificeerd:

Naam van uitkeringsinstantie

Ingehouden loonheffing

Pensioen of uitkering

S.V.B.

€ 0

€ 9.298

PGGM

€ 4.436

€ 24.929

PGGM

€ 3.368

€ 0

Totaal

€ 7.804

€ 34.227

2.3.

De voorlopige aanslag IB/PVV 2010 is conform de ingediende aangifte opgelegd, resulterend in een teruggaaf van € 2.512 en een bedrag van € 27 aan te vergoeden heffingsrente.

2.4.

De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 12 maart 2013 laten weten voornemens te zijn om van de ingediende aangifte af te wijken, omdat uit de Belastingdienst ter beschikking staande gegevens blijkt dat belanghebbende in totaal € 36.057 aan belastbaar inkomen uit loon of uitkering heeft ontvangen, waarop in totaal € 4.740 aan loonheffing is ingehouden. Dit is door de Inspecteur als volgt gespecificeerd:

Werkgever

Ingehouden loonheffing

Loon

Soort loon

Stichting Pensioenfonds Zorg Welzijn Pensioenbetalingen

€ 4.436

€ 24.929

Vroegere

Sociale Verzekeringsbank

€ 0

€ 9.298

Vroegere

Actief 65 plus B.V.

€ 304

€ 1.830

Tegenwoordige

2.5.

De Inspecteur heeft met dagtekening 14 november 2013 de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.007, bestaande uit het onder 2.4 vermelde belastbaar inkomen uit loon of uitkering en een aftrekbare gift van € 50.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I: Heeft de Inspecteur de aanslag naar het juiste bedrag vastgesteld? Meer in bijzonder is in geschil of de Inspecteur het bedrag aan ingehouden loonheffing terecht en tot het juiste bedrag heeft gecorrigeerd;

II: Is de Inspecteur gehouden bij PGGM een onderzoek in te stellen, en

III: Heeft de Inspecteur terecht en tot het juiste bedrag heffingsrente in rekening gebracht?

Belanghebbende is van mening dat de eerste en derde vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van vraag I

4.1.

Ingevolge artikel 9.2, eerste lid, onderdeel a en zevende lid van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (tekst 2010) worden de geheven loonbelasting en de ingehouden premie volksverzekeringen (hierna: loonheffing) met de inkomstenbelasting verrekend. Ingevolge artikel 27 van de Wet op de loonbelasting 1964 wordt de loonbelasting geheven door inhouding op het loon en afdracht daarvan. Dit brengt in de onderhavige kwestie met zich dat verrekening van de loonheffing met de verschuldigde inkomstenbelasting slechts kan plaatsvinden voor zover de loonheffing daadwerkelijk op het loon is ingehouden en afgedragen.

4.2.

Uit de door de Inspecteur overgelegde jaaropgave 2010 van Pensioenfonds Zorg & Welzijn blijkt dat aan belanghebbende in het onderhavige jaar een pensioen van € 24.929 is uitgekeerd en daarop een bedrag van € 4.436 aan loonheffing is ingehouden. Stukken waaruit blijkt dat een hoger bedrag aan loonheffing is ingehouden, heeft belanghebbende niet overgelegd. Belanghebbendes stelling dat er meer loonheffing verschuldigd zou zijn indien het door PGGM toegezegde extra recht zou zijn uitgekeerd, kan hem niet baten. Dit geldt eveneens voor belanghebbendes stelling dat het niet-uitgekeerde pensioen als ingehouden loonheffing moet worden beschouwd. Niet ingehouden loonheffing kan immers niet worden verrekend met de te betalen inkomstenbelasting.

4.3.

Vraag I moet bevestigend worden beantwoord.

Ten aanzien van vraag II

4.4.

Belanghebbende heeft het Hof verzocht om de Inspecteur op te dragen een onderzoek in te stellen bij PGGM (thans Pensioenfonds Zorg & Welzijn), omdat deze als inhoudingsplichtige onrechtmatig handelt door te weinig loonbelasting in te houden en af te dragen. Aan dit verzoek kan het Hof geen gevolg geven, omdat het daartoe niet bevoegd is. Voor zover belanghebbende in dit verband een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan, merkt het Hof op dat belanghebbende niet duidelijk heeft gemaakt waarin het verschil in behandeling tussen hemzelf en PGGM is gelegen en tot welke fiscale rechtsgevolgen dit moet leiden.

4.5.

Vraag II moet ontkennend worden beantwoord.

Ten aanzien van vraag III

4.6.

Belanghebbende heeft tevens hoger beroep ingesteld tegen de aan hem opgelegde beschikking heffingsrente. Aangezien belanghebbende geen concrete grieven tegen de beschikking heffingsrente heeft ingebracht en het Hof ook niet is gebleken dat die beschikking onjuist zou zijn vastgesteld, moet ook de onderwerpelijke grief worden verworpen.

4.7.

Vraag III moet bevestigend worden beantwoord.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 17 maart 2017 door P.A.G.M. Cools, voorzitter, M. Harthoorn en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.