Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1049

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
200.206.029_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw: niet gehouden aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting en nieuwe schulden laten ontstaan.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 maart 2017

Zaaknummer : 200.206.029/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/14/429

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. M.C.H.M. van Beurden te Waalwijk.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (zittingsplaats Breda) van 15 december 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 december 2016, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en primair over te gaan tot het door laten lopen van de schudsaneringsregeling en, subsidiair, over te gaan tot verlenging van de schuldsaneringsregeling met één jaar.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. van Beurden.

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder.

De beschermingsbewindvoerder van [appellant] , mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , is niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 1 december 2016;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 14 februari 2017;

- de brief met bijlage van de bewindvoerder d.d. 16 februari 2017;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 23 februari 2017;

- de brief met bijlage van de bewindvoerder d.d. 6 maart 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de advocaat van [appellant] meegedeeld dat de beschermingsbewindvoerder, mw. [beschermingsbewindvoerder] , op de hoogte is gesteld van de zitting, maar dat zij hierop in het geheel niet heeft gereageerd. De meerderjarigenbeschermingsbewindvoerder is derhalve op de hoogte van het door [appellant] ingestelde hoger beroep en in de gelegenheid gesteld om haar visie over het gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] te geven, van welke gelegenheid zij echter geen, ook niet middels een schriftelijke reactie, gebruik heeft gemaakt (vgl. HR 25 mei 2012, LJN: BV4021).

3.2.

Bij vonnis van 25 april 2014 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis van 23 november 2015 heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 16 juli 2015 tussentijds beëindigd.

3.3.1.

Bij arrest van 14 januari 2016 heeft dit hof het vonnis van de rechtbank van 23 november 2015 vernietigd en de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] verlengd met twee jaar tot 25 april 2019.

3.4.

Bij vonnis, waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 24 oktober 2016 tussentijds beëindigd, aangezien [appellant] een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen, de schuldsaneringsregeling heeft gefrustreerd en voorts nieuwe schulden heeft laten ontstaan.

Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis, aldus de rechtbank.

3.5.

De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

Met hetgeen door de bewindvoerder is aangevoerd en door schuldenaar is erkend staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat schuldenaar zijn informatieverplichting niet naar behoren nakomt. De rechtbank overweegt dat de bewindvoerder door het gebrek aan informatie niet kan controleren of schuldenaar zijn afdracht- en sollicitatieverplichting nakomt. Hierdoor staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat schuldenaar de uitvoering van de schuldsaneringsregeling frustreert. Daarbij is ter zitting gebleken dat schuldenaar bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan. De rechtbank verwerpt het verweer van schuldenaar dat hij veel zaken heeft laten liggen vanwege de strijd met Jeugdzorg om zijn dochter. Immers, dit betekent niet dat hij zijn verplichtingen niet na hoeft te komen. De rechtbank overweegt verder dat deze schuldsaneringsregeling door de rechtbank al eerder tussentijds is beëindigd omdat schuldenaar zijn verplichtingen niet nakwam, maar dat het hof deze uitspraak bij arrest van 14 januari 2016 heeft vernietigd en de regeling heeft verlengd met twee jaar. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van schuldenaar gelegen om deze laatste kans die het hof hem heeft geboden met beide handen aan te grijpen, hetgeen hij heeft nagelaten. De rechtbank is niet gebleken van een saneringsgezinde houding van iemand die er alles aan wil doen om zijn schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen. Dit leidt tot de slotsom dat, op grond van artikel 350 lid 3 sub c en d van de Faillissementswet, de toepassing van de schuldsaneringsregeling dient te worden beëindigd.

3.6.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

[appellant] is van mening, dat hij de informatieverplichting naar behoren is nagekomen. [appellant] heeft de ontbrekende bankafschriften en loonspecificaties aan de bewindvoerder verstrekt. Tot 24 oktober 2016 was hij via een uitzendbureau werkzaam als vuilnisman voor de gemeente Waalwijk en maakte hij een wisselend aantal uren. Omdat [appellant] graag meer uren per week wilde werken en meer inkomen wilde genereren, heeft hij gezocht naar een baan met meer zekerheid. Hij is thans via een uitzendbureau fulltime werkzaam bij Foodfocus BV. Het bedrijf waar hij werkzaam is, is zeer tevreden over zijn werkzaamheden en zijn inzet en mondeling is reeds de toezegging gedaan dat hij rechtstreeks in dienst zal komen van dit bedrijf, zodra de afspraken tussen het uitzendbureau en dit bedrijf dit toelaten. Naar het oordeel van [appellant] is het niet juist, dat de bewindvoerder door het gebrek aan informatie niet kan controleren of [appellant] zijn afdrachtverplichting nakomt. De bewindvoerder beschikt over alle loonspecificaties van zijn vorige werkgever en zijn huidige werkgever. Naar het oordeel van [appellant] heeft hij de bewindvoerder voldoende geïnformeerd over zijn sollicitaties. [appellant] heeft één keer per week gesolliciteerd en naar zijn oordeel is hij de sollicitatieverplichting nagekomen. Hij heeft van zijn sollicitaties de bewindvoerder op de hoogte gesteld. [appellant] stelt zich op het standpunt, dat hij niet op de hoogte is van een nieuwe schuld bij de Belastingdienst ter hoogte van € 2.751,--. Hij is op de hoogte van een schuld bij VGZ die is ontstaan tijdens de looptijd van de WSNP, maar hiervoor is een betalingsregeling getroffen. [appellant] ontvangt geen zorgtoeslag en geen huurtoeslag, dus daar kan een schuld naar zijn idee ook niet mee samenhangen. Mocht er wel sprake zijn van een nieuwe schuld, dan zou er sprake kunnen zijn van feiten en omstandigheden waardoor deze schuld hem niet kan worden toegerekend. Volgens [appellant] en zijn beschermingsbewindvoerder zijn er mogelijkheden om een eventuele nieuwe schuld af te betalen tijdens de resterende looptijd van de schuldsanering. Tijdens de zitting bij de Rechtbank heeft de beschermingsbewindvoerder aangegeven, dat zij er vanuit gaat dat [appellant] zijn schuldsaneringsregeling alsnog op een goede manier kan beëindigen. [appellant] heeft wel degelijk zijn best gedaan om de uitvoering van de schuldsaneringsregeling goed te laten verlopen. Zo heeft hij zich voor 100% ingezet om een fulltime baan te vinden en zijn inkomsten te verhogen. Dit zal tot gevolg hebben, dat zijn afloscapaciteit is toegenomen.

Op vragen van het hof ter zitting in hoger beroep is door de advocaat van [appellant] aangegeven dat er geen concreet plan van aanpak is met betrekking tot het inlopen van eventuele nieuwe schulden binnen de looptijd van de regeling.

3.6.1.

De bewindvoerder heeft haar verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen gemotiveerd gehandhaafd.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [appellant] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en/of het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.

3.7.2.

Het hof stelt vast dat, nadat het vonnis van de rechtbank van 23 november 2015 -waarbij de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder tussentijds werd beëindigd omdat [appellant] de aan hem opgelegde informatieverplichting niet naar behoren was nagekomen en hij nieuwe bovenmatige schulden had doen of laten ontstaan- bij arrest van dit hof van 14 januari 2016 werd vernietigd en de termijn van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] werd verlengd tot 25 april 2019, in de gedragingen van [appellant] nog altijd geen enkele verbetering is opgetreden.

Het hof verwijst in dat verband naar de brief van de bewindvoerder van 14 februari 2017, waarin de bewindvoerder, onderbouwd met bewijsstukken, stelt –hetgeen door het hof wordt gevolgd- dat [appellant] sinds het arrest van het hof van 14 januari 2016 aantoonbaar niet, dan wel niet volledig, heeft voldaan aan de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling en dat ook thans, hangende het hoger beroep nog steeds niet uit eigen beweging doet.

Het hof verwijst voorts naar het voortgangsverslag nr. 6 van de bewindvoerder, overgelegd als productie 16 bij brief van de bewindvoerder van 14 februari 2017. Uit dit voortgangsverslag blijkt dat [appellant] niet alleen nieuwe schulden heeft laten ontstaan voor een totaal bedrag van € 3.508,--, doch dat daarnaast sprake is van een boedelachterstand van € 2.343,56, welke achterstand blijkens de meest recente brief van de bewindvoerder van 6 maart 2017, na een herberekening op basis van de onlangs ontvangen salarisgegevens van [appellant] is opgelopen tot € 4.112,99.

Uit het bij deze brief overgelegde overzicht inkomen en afdrachten blijkt dat [appellant] vanaf januari 2016 structureel te weinig heeft afgedragen aan de boedel.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de bewindvoerder verklaard dat [appellant] op een gegeven moment zijn salaris niet heeft gestort op de beheerrekening van de beschermingsbewindvoerder, maar dat hij dit heeft overgemaakt naar de rekening van zijn partner, hetgeen door [appellant] is erkend.

Het hof is van oordeel dat van deze handelwijze van [appellant] hem een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt dat dit reeds op zichzelf beschouwd voldoende grond oplevert de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

Het hof overweegt tot slot dat, zelfs indien [appellant] in mindere mate een verwijt zou moeten worden gemaakt van zijn handelwijze en de toepassing van de schuldsaneringsregeling zou kunnen worden voortgezet, het hof een voortzetting van de schuldsaneringsregeling zinloos acht, nu door en namens [appellant] nog geen begin van een concreet plan van aanpak is overgelegd op welke wijze [appellant] voornemens zou zijn de nieuwe ontstane schulden en de boedelachterstand integraal in te lossen indien de schuldsaneringsregeling zou worden voortgezet tot 25 april 2019. Verlenging van de duur van de regeling is niet meer mogelijk nu bij arrest van het hof van 14 januari 2016 reeds maximaal is verlengd.

3.8.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd dient te worden.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, S.M.A.M. Venhuizen en P.J.M. Bongaarts en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.