Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1028

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
200 203 620_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:8600
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 16 maart 2017

Zaaknummer : 200.203.620/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/223142 / FA RK 16-2444

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.H.M. Verstraten,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI));

- de heer [pleegvader] en mevrouw [pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegouders).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 4 oktober 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 18 november 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de raad in haar verzoek tot het treffen van een gezagsbeëindigende maatregel niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek als rechtens ongegrond en/of (het hof leest:) onbewezen af te wijzen, met dien verstande dat de moeder belast zal blijven met het gezag over de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] .

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 december 2016, heeft de GI verzocht - naar het hof begrijpt - de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Verstraten;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de stichting 2] ;

- de pleegouders;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

Tevens is verschenen de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader), die als informant door het hof is gehoord.

2.3.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de pleegouders van 5 januari 2017;

  • -

    de ter zitting door de moeder overgelegde aantekeningen.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

Tot de datum van de bestreden beschikking oefende de moeder het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 1 september 2005 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 10 februari 2017.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 1 september 2005 uit huis geplaatst in het gezin van de pleegouders (de grootouders vaderszijde).

3.3.

De GI heeft de raad verzocht het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] noodzakelijk is.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank ambtshalve het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogdes over [minderjarige] benoemd.

3.5.

De moeder kan zich met deze beschikking niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de beslissing van de rechtbank om niet de pleegouders, maar de GI met de voogdij over [minderjarige] te belasten.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] noodzakelijk is. Ook de raad is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat deze maatregel niet aangewezen is. Er bestaat reeds voldoende duidelijkheid over het toekomstperspectief van [minderjarige] en zijn plaatsing in het pleeggezin is voldoende gewaarborgd. Ook de moeder is namelijk van mening dat [minderjarige] in het pleeggezin dient op te groeien. [minderjarige] doet het goed in het pleeggezin en er zijn geen zorgen over hem. De jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing hebben nooit tot problemen geleid.

De moeder werkt goed samen met de pleegouders en de gezinsvoogd en er zijn nooit strubbelingen gerezen bij de uitoefening van het gezag door de moeder. Nu de belangen van [minderjarige] niet worden geschaad, dient een verderstrekkende maatregel achterwege te blijven.

De beëindiging van het gezag geeft de moeder het gevoel dat zij minder ouder is. Zij is bevreesd dat zij nog meer dan thans aan de zijlijn zal komen te staan.

De moeder is voorts van mening dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat [minderjarige] in de toekomst problemen kan krijgen doordat - anders dan bij de twee andere kinderen van de moeder - het gezag van de moeder over [minderjarige] wordt beëindigd.

De moeder wijst erop dat ook de raad heeft opgemerkt dat dit schadelijk voor [minderjarige] zou kunnen zijn, nu hij in de toekomst in een loyaliteitsconflict kan geraken.

De moeder kan zich -subsidiair- vinden in het oordeel van de rechtbank dat niet de pleegouders, maar de GI met de voogdij over [minderjarige] belast dient te worden. Ter zitting heeft de moeder opgemerkt dat sinds de beëindiging van haar gezag er weinig ruimte is voor een constructief gesprek met de pleegouders. Er lijkt ook sprake te zijn van een groeiende rivaliteit tussen de moeder en de pleegouders.

3.7.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

Voor de GI is de wens van [minderjarige] het uitgangspunt en [minderjarige] geeft aan dat hij wil dat het gezag over hem bij de pleegouders komt te liggen. [minderjarige] vindt het lastig dat de moeder in hoger beroep is gegaan en dat zij zijn wens in deze niet respecteert.

De GI is van mening dat het belang van [minderjarige] bij duidelijkheid over zijn toekomstperspectief het zwaarst dient te wegen.

De verstandhouding tussen de moeder en de pleegouders is inmiddels verbeterd. Er vinden volgens de GI wel degelijk constructieve gesprekken plaats. De GI ondersteunt de wens van de pleegouders en van [minderjarige] dat de pleegouders uiteindelijk met de voogdij over [minderjarige] belast dienen te worden.

[minderjarige] is de enige van de drie kinderen van de moeder die in een pleeggezin woont. Anders dan de andere twee kinderen wil [minderjarige] dat de voogdij over hem bij de pleegouders komt te liggen. De rechtbank heeft terecht de gevoelens van [minderjarige] op dit punt serieus genomen.

3.8.

De raad verklaart ter zitting - kort samengevat - het volgende.

De raad was aanvankelijk van mening dat een verderstrekkende maatregel niet noodzakelijk was, omdat de moeder zich niet verzette tegen de uithuisplaatsing van [minderjarige] . Door de onderhavige procedure is de situatie evenwel anders komen te liggen. Er is onrust ontstaan. [minderjarige] heeft er behoefte aan dat zijn plek bij de pleegouders zeker wordt gesteld en het is zijn sterke wens dat de pleegouders de voogdij over hem krijgen. Gelet op deze gewijzigde situatie bepleit de raad bekrachtiging van de bestreden beschikking.

3.9.

De pleegouders verklaren ter zitting - kort samengevat - het volgende.

De wens van [minderjarige] met betrekking tot het gezag wordt door zijn ouders niet serieus genoeg genomen. Het belang van [minderjarige] bij een optimale hechting in het pleeggezin dient zwaarder te wegen dan het belang van de moeder bij behoud van haar gezag.

De pleegouders doen hun best om op een constructieve wijze met de moeder overleg te voeren over zaken die [minderjarige] aangaan, maar er treden soms misverstanden op.

3.10.

De vader verklaart ter zitting - kort samengevat - het volgende.

De GI heeft het contact tussen [minderjarige] en de vader niet bevorderd. De vader is bang dat er steeds meer sprake zal zijn van negatieve beeldvorming over de vader bij [minderjarige] . Zo is er nagelaten om [minderjarige] uit te leggen waarom de vader zijn achternaam heeft veranderd toen hij met mevrouw [partner] huwde.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.11.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.

Bij het nemen van een beslissing over de beëindiging van het gezag van een ouder staan de belangen van het kind voorop. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het belang van [minderjarige] bij continuïteit van zijn opvoedingssituatie, duidelijkheid over zijn toekomstperspectief alsmede zijn optimale hechting in het pleeggezin zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij behoud van haar gezag. Het hof heeft hierbij betrokken dat, hoewel gebleken is dat de moeder de verblijfplaats van [minderjarige] tot op heden niet ter discussie heeft gesteld, het hof er gelet op de ontstane onrust tussen de moeder en de pleegouders onvoldoende zeker van is dat de moeder op termijn niet anders met haar gezagspositie zal omgaan. Het hof is er dan ook onvoldoende van overtuigd dat het jaarlijks verlengen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] , mede gelet op zijn leeftijd, in de toekomst niet zal leiden tot onzekerheid over het opvoedingsperspectief van [minderjarige] in het pleeggezin, hetgeen niet in zijn belang is.

Op grond van het voorgaande is het hof - met de raad, die zijn aanvankelijke conclusie heeft gewijzigd - van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor de beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] is voldaan en dat het uitspreken van deze maatregel ook noodzakelijk is. Dat het gezag van de moeder over haar andere twee kinderen niet is beëindigd, brengt het hof niet tot een ander oordeel. [minderjarige] verblijft als enige van de drie kinderen van de moeder in een pleeggezin en hij heeft aangegeven, ook tegenover het hof, dat hij het van belang vindt dat de pleegouders op den duur met de voogdij over hem worden belast.

3.12.

De beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal derhalve worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 4 oktober 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, H. van Winkel en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2017.