Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1007

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
200.179.807_02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:6024
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermeerdering van eis door appellant bij memorie van grieven nadat tegen geïntimeerde verstek is verleend. Niet blijkt of appellant de vermeerdering van eis op de voet van artikel 130 lid 3 Rv aan de geïntimeerde heeft laten betekenen. Appellant krijgt alsnog de gelegenheid om een exploot van betekening van de memorie van grieven (met de daarin vervatte vermeerdering van eis) aan de geïntimeerde in het geding te brengen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.179.807/02

arrest van 14 maart 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.F. Hoff te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde] ,

handelend onder de naam [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

niet verschenen in hoger beroep, verstek verleend,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 oktober 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 juli 2015, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3547209 CV EXPL 14-11508)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

  • -

    het ambtshalve royement van de zaak wegens het niet nemen van de memorie van grieven;

  • -

    het H8-formulier, waarbij [appellant] om hervatting van de zaak heeft verzocht;

  • -

    de door [appellant] (alsnog) ingediende memorie van grieven met twee producties (genummerd 18 en 19) en met een wijziging van de eis.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg, voor zover aan het hof overgelegd.

3 De beoordeling

De door de kantonrechter vastgestelde feiten

3.1.

De kantonrechter heeft in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van het vonnis enkele feiten vastgesteld. Tegen deze overwegingen zijn geen grieven gericht. Het hof zal de door de kantonrechter vastgestelde feiten hieronder weergeven, vernummerd tot 3.2.1 tot en met 3.2.10. Zo nodig zal het hof in een volgend arrest nadere feiten vaststellen.

3.2.1.

Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is in juni 2012 een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen (zie productie 1 bij dagvaarding). Hierin zijn partijen overeengekomen dat [geïntimeerde] - handelend onder de naam [handelsnaam] - [appellant] zou begeleiden bij de bouw van zijn nieuwbouwwoning in [woonplaats 1] (Overijssel).

3.2.2.

De werkzaamheden, die zijn omschreven in artikel 1 lid 2 sub a tot en met f van de overeenkomst tussen partijen zijn in de periode tussen juni 2012 en mei 2013 tot volle tevredenheid van [appellant] door [geïntimeerde] uitgevoerd. Voor deze werkzaamheden heeft [appellant] een bedrag van € 11.514,00 voldaan.

3.2.3.

In artikel 2 lid 2 van de overeenkomst staat dat de in artikel 1 lid 2 sub g tot en met j van de overeenkomst beschreven werkzaamheden voor een vast bedrag van € 1.450,00 exclusief btw (€ 1.754,50 inclusief btw) zouden worden uitgevoerd.

3.2.4.

Op 9 juli 2013 voldoet [appellant] volgens afspraak aan [geïntimeerde] een bedrag van 30% van € 1.450,00, hetgeen neerkomt op € 526,35 (inclusief btw).

3.2.5.

In juli 2013 laat [geïntimeerde] weten dat hij een grote opdracht heeft binnengehaald in [plaats] (Limburg) en dat hij gaat verhuizen van Overijssel naar Limburg.

3.2.6.

Na de verhuizing van [geïntimeerde] naar Limburg is deze laatste telefonisch moeilijk bereikbaar en ook mails worden steeds minder snel beantwoord.

3.2.7.

Op 15 september 2013 maakt [appellant] volgens afspraak wederom het bedrag van € 526,35 over naar [geïntimeerde] .

3.2.8.

In oktober 2013 mist [geïntimeerde] een bouwvergadering. [appellant] en [geïntimeerde] maken een afspraak voor 2 november 2013 om de problemen in de samenwerking te bespreken. [geïntimeerde] komt die dag niet opdagen. [appellant] laat op dezelfde dag per e-mail weten dat hij niet verder wil met [geïntimeerde] . De volgende dag stelt [appellant] [geïntimeerde] per aangetekende brief aansprakelijkheid voor de aanvullende kosten.

3.2.9.

Op 5 november 2013 neemt [geïntimeerde] contact op met [appellant] om te laten weten dat hij een auto-ongeluk heeft gehad, waardoor hij niet in staat was om bij de afspraak van
2 november 2013 aanwezig te zijn. [appellant] laat op 6 november 2013 per e-mail weten dat hij begrip heeft voor de situatie en dat [geïntimeerde] de aangetekende brief met de aansprakelijkheidstelling van 3 november 2013 kan negeren, maar dat hij voorziet dat [geïntimeerde] enige tijd voor herstel nodig zal hebben en dat er allerlei zaken zijn, die direct door een bouwbegeleider moeten worden aangepakt en stelt de vraag of [geïntimeerde] iemand heeft die zijn taken kan overnemen. [geïntimeerde] laat de volgende dag eveneens per e-mail weten dat hij wel een idee heeft en dat hij de volgende dag telefonisch contact zal opnemen.

3.2.10.

Er is na dit bericht van [geïntimeerde] van 7 november 2013 geen contact meer geweest tussen partijen, totdat [appellant] per brief op 25 november 2013 aan [geïntimeerde] schrijft dat hij, ondanks de toezegging op 7 november 2013, niets meer van hem heeft vernomen. Hij schrijft verder dat [geïntimeerde] voldoende tijd heeft gekregen om een vervanger te regelen en nu dit niet is gebeurd dat hij zelf een nieuwe bouwmanager heeft aangetrokken. Hij stelt [geïntimeerde] in deze brief tevens aansprakelijk voor de hogere kosten die hij zal moeten maken voor de bouwbegeleiding, omdat de nieuwe bouwmanager ingewerkt moet worden en omdat deze laatste op een uurbasis werkt. Op deze brief heeft [geïntimeerde] niet gereageerd. Ook verdere brieven van [appellant] blijven hierna onbeantwoord.

Het procesdossier van het geding in eerste aanleg

3.3.1.

Voor wat betreft het geding in eerste aanleg beschikt het hof over het beroepen vonnis en over een door [appellant] ingediende kopie van de inleidende dagvaarding met producties, welke kopie niet deugdelijk gebundeld is en ook overigens niet voldoet aan de in het rolreglement gestelde eisen.

3.3.2.

Ingevolge het tot 1 januari 2017 geldende rolreglement had [appellant] bij het aanbrengen van de zaak een kopie moeten overleggen van het volledige procesdossier van het geding in eerste aanleg, deugdelijk gebundeld en voorzien van tabs ter onderscheiding van de afzonderlijke processtukken, een inventarislijst, overzicht van producties en eventuele kleurenfoto’s. [appellant] heeft daar niet aan voldaan. Het hof zal [appellant] op de hierna onder “De uitspraak” te vermelden wijze in de gelegenheid stellen om dit verzuim te herstellen. Voor een goede en volledige beoordeling van het hoger beroep, moet het hof immers beschikken over het volledige procesdossier van het geding in eerste aanleg. Als herstel van het verzuim binnen de gestelde termijn achterwege blijft, zal het hof daaraan de gevolgtrekkingen verbinden die het geraden acht.

De vordering in eerste aanleg, de beslissing in het vonnis en de vermeerdering van eis

3.4.1.

[appellant] vorderde in het geding in eerste aanleg veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van, kort gezegd:

 I. een hoofdsom van € 12.087,-- vermeerderd met wettelijke rente;

 II. € 895,87 ter zake buitengerechtelijke kosten;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] is tekort geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst. [appellant] heeft een derde moeten inschakelen om de werkzaamheden goed te laten voltooien. [geïntimeerde] moet de extra kosten die [appellant] daarvoor heeft moeten maken, aan [appellant] vergoeden.

3.4.2.

De kantonrechter heeft, kort samengevat, als volgt geoordeeld.

 [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst (rov. 4.1).

 Die tekortkoming is aan [geïntimeerde] toe te rekenen (rov. 4.2).

 [geïntimeerde] is op de voet van artikel 6:83 sub c BW zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt (rov. 4.3).

 Het staat vast dat [appellant] schade heeft geleden door de tekortkoming van [geïntimeerde] , doordat hij in plaats van [geïntimeerde] een nieuwe bouwbegeleider heeft moeten aanstellen. [appellant] heeft echter het door hem gestelde schadebedrag onvoldoende toegelicht. De kantonrechter begroot de schade schattenderwijs op € 2.200,-- inclusief btw. Daarop moet nog € 701,80 in mindering gebracht worden ter zake de resterende betalingsverplichting van [appellant] op grond van de met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst, zodat als schadevergoeding een bedrag van € 1.498,20 wordt toegewezen.

Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] te betalen, samengevat weergegeven:

 I. een hoofdsom van € 1.498,20, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 augustus 2014;

 II. € 224,73 ter zake buitengerechtelijke kosten.

De kantonrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen en de proceskosten tussen de partijen gecompenseerd, aldus dat elke partij de eigen kosten diende te dragen.

3.4.3.

[appellant] heeft in de dagvaarding in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis (althans tot gedeeltelijke vernietiging daarvan, voor zover bij dat vonnis de vorderingen van [appellant] zijn afgewezen) en tot het alsnog geheel toewijzen van de vorderingen van [appellant] .

3.4.4.

Nadat tegen [geïntimeerde] verstek was verleend, heeft [appellant] bij memorie van grieven zijn eis in verschillende opzichten gewijzigd. [appellant] vordert nu veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van:

 I. een hoofdsom van € 9.885,70 (inclusief btw) vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 november 2013;

 II. € 869,28 ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag “vanaf de dag der dagvaarding”;

 III. € 919,60 inclusief btw ter zake deskundigenkosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag “vanaf de dag der dagvaarding”;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

[appellant] heeft niet duidelijk gemaakt wat zij bij haar vorderingen sub II en III heeft bedoeld met “de dag der dagvaarding”. Omdat de onder III genoemde kosten pas in 2016 zijn gemaakt en pas bij factuur van 28 juni 2016 aan [appellant] zijn gefactureerd, gaat het hof er vanuit dat [appellant] met “de dag der dagvaarding” niet doelt op de dag van de dagvaarding in eerste aanleg, zijnde 24 oktober 2014. Het hof zal daarom onder “de dag der dagvaarding” verstaan de dag van de dagvaarding in hoger beroep.

3.4.5.

De vermindering van vordering I is toelaatbaar. Vordering II is echter vermeerderd met de wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten, welke wettelijke rente in eerste aanleg nog niet werd gevorderd. Vordering III betreft eveneens een vermeerdering van eis, aangezien in eerste aanleg nog geen vergoeding van deskundigenkosten werd gevorderd. Volgens artikel 130 lid 3 Rv is een wijziging of vermeerdering van eis uitgesloten tegen een partij die niet in het geding is verschenen, tenzij de eisende partij de wijziging of vermeerdering van eis tijdig bij exploot aan de niet verschenen partij kenbaar heeft gemaakt. Deze regel is als gevolg van het bepaalde in artikel 353 lid 1 Rv ook in hoger beroep van toepassing. Uit het overgelegde procesdossier blijkt niet dat [appellant] de eiswijziging bij exploot aan [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt. Voor het hof is dus niet duidelijk of de gewijzigde eis beoordeeld kan worden. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen om [appellant] in de gelegenheid te stellen desgewenst een exploot in het geding te brengen waaruit blijkt dat [appellant] de memorie van grieven tezamen met dit tussenarrest aan [geïntimeerde] heeft laten betekenen. Als een dergelijk exploot niet in het geding wordt gebracht, zal het hof de vermeerderingen van eis buiten beschouwing laten.

Tussenconclusie

3.5.

Uit het voorgaande volgt de hierna te melden uitspraak. Het hof zal in afwachting van het dossier van het geding in eerste aanleg elk verder oordeel aanhouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 11 april 2017 voor een akte aan de zijde van [appellant] , bij welke akte [appellant] :

 een kopie moet overleggen van het volledige procesdossier van het geding in eerste aanleg, deugdelijk gebundeld en voorzien van tabs ter onderscheiding van de afzonderlijke processtukken, een inventarislijst, overzicht van producties en eventuele kleurenfoto’s (zie rechtsoverweging 3.3.2 van dit arrest);

 desgewenst een exploot in het geding kan brengen waaruit blijkt dat [appellant] de memorie van grieven tezamen met dit tussenarrest aan [geïntimeerde] heeft laten betekenen (zie rechtsoverweging 3.4.5 van dit arrest);

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 maart 2017.

griffier rolraadsheer