Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2017:1005

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
200.178.195_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:6089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

burenrecht, overbouw, levert vordering tot verwijdering daarvan misbruik van bevoegdheid op; hof: neen; alsnog dwangsom opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2017/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.178.195/01

arrest van 14 maart 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. F.H.M. van Oorschot te Roosendaal,

tegen

Vereniging van eigenaars complex [Complex] te [woonplaats] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als de VvE,

advocaat: mr. B.I. van Dijk-van Vugt te Roosendaal,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 januari 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 december 2014, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda gewezen tussen [appellante] als gedaagde en de VvE als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/283211/HA ZA 14-431)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

In principaal en incidenteel hoger beroep

De feiten

3.1.

Tegen de feitenvaststelling door de rechtbank in r.o. 3.1. van het vonnis waarvan beroep zijn geen grieven aangevoerd of anderszins bezwaren ingebracht. Ook het hof gaat daarom uit van de volgende feiten.

a. a) [appellante] is sinds 21 januari 2013 eigenaar van de woning met tuin en garage aan de [straatnaam][nr 1] te [woonplaats] , kadastraal bekend [sectieletter] , nummer [sectienummer 1] (hierna: perceel [perceel 1] ).

b) De VvE vertegenwoordigt de gezamenlijke appartementseigenaren van het appartementencomplex [Complex] aan de [straatnaam][nr 2] te [woonplaats] . c) Het appartementencomplex is gelegen op perceel [sectieletter] , nummer [sectienummer 2] te [woonplaats] (hierna: perceel [perceel 2] ), dat grenst aan het perceel van [appellante] .

d) De zijmuur aan de zuidzijde van de woning van [appellante] ligt tot aan de grens van haar perceel met perceel [perceel 2] . De zijmuur aan de noordzijde van het appartementencomplex is niet helemaal tot aan de grens van de beide percelen gebouwd.

e) Tussen de zijmuur van de woning van [appellante] en de zijmuur van het appartementencomplex is sprake van een loze ruimte, in spievorm, van 0 cm aan de straatzijde tot 75 cm aan de achterzijde.

f) Aan de achterzijde van de woning van [appellante] bevindt zich op de eerste verdieping een balkon, althans een zich op de uitbouw van de woning bevindend dakterras (hierna: het dakterras).

g) In het verleden was de loze ruimte naast het dakterras door middel van houten schotten overkapt en was deze ruimte bij het dakterras van (de toenmalige eigenaar van) de woning van [appellante] getrokken. Het hek rond het dakterras liep door tot aan de zijmuur van het appartementencomplex.

h) Op enig moment heeft [appellante] aan de VvE haar voornemen tot renovatie van het dakterras bekend gemaakt. In dit verband heeft de VvE [appellante] bij brief van 1 mei 2013 bericht:
‘(…) VVE [Complex] is bereid deze tussenschotten weg te halen. Indien u hiermee akkoord gaat verzoeken wij u dit vier weken na dagtekening aan ons kenbaar te maken. Indien u nieuwe schotten wilt plaatsen verzoeken wij u hier vooraf met het bestuur van de VVE [Complex] contact op te nemen.’

i. i) Bij brief van 6 mei 2013 heeft [appellante] de VvE verzocht om de schotten te herstellen/vervangen gelet op de veiligheid en heeft zij de VvE uitgenodigd voor een bezichtiging.

j) Bij brief van 13 juni 2013 heeft de VvE [appellante] als volgt bericht:

‘Zoals aangegeven tijdens ons telefonisch contact kunnen wij helaas niet positief ingaan op uw verzoek om uw dak door te mogen trekken bij het stukje tussen uw pand en de [Complex] .

Wij hebben navraag gedaan bij het kadaster en de betreffende grond blijkt van de [Complex] te zijn. Navraag bij onze notaris wees uit dat alle leden van de vereniging van eigenaren akkoord moeten gaan met de handeling die u voorstelde. Een unaniem akkoord van al onze leden achten wij zo goed als uitgesloten dus wij delen u hierbij mede geen toestemming te geven voor (uit)bouw op of boven onze grond.

Zoals u ook gemeld is de VVE [Complex] bereid de tussenschotten waarover u sprak weg te halen. (…)’

k) Op 12 juli 2013 heeft [appellante] gereageerd met het verzoek aan de VvE om een en ander veilig op te lossen. Dit verzoek heeft zij herhaald op 31 juli 2013.

l) De VvE heeft daarop bij brief van 1 augustus 2013 nogmaals aangegeven geen toestemming te geven om op de grond van de gezamenlijke appartementseigenaren te bouwen.

m) Vervolgens heeft [appellante] haar dakterras gerenoveerd. In dat verband heeft zij de (tussen)schotten vervangen. De nieuwe overkapping van de loze ruimte is bevestigd aan de zijmuur van het appartementencomplex door middel van chemische ankers.

n) Bij brief van 10 oktober 2013 heeft de VvE [appellante] gesommeerd om de overbouw en de aan de zijmuur van het appartementencomplex bevestigde zaken te verwijderen, alsook om de schade aan de zijmuur te herstellen.

o) [appellante] heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

De eerste aanleg

3.2.1.

De VvE heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat, de veroordeling van [appellante] :
- primair: om binnen dertig dagen na het te wijzen vonnis de volledige overbouw zoals aangeven in de inleidende dagvaarding onder punt 8 te verwijderen en verwijderd te houden en om de beschadigingen aan de zijgevel van het appartementencomplex te herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [appellante] hiermee in gebreke blijft,

- subsidiair: om binnen dertig dagen na het te wijzen vonnis op de erfgrens tussen de percelen [perceel 1] en [perceel 2] een hekwerk te plaatsen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat [appellante] hiermee in gebreke blijft,

met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft de VvE, samengevat, ten grondslag gelegd dat [appellante] onrechtmatig handelt jegens de VvE:

(1) door het plegen van overbouw, omdat zij zich daardoor een deel van het perceel van de door de VvE vertegenwoordigde gezamenlijke eigenaren heeft toegeëigend en aldus inbreuk maakt op dat eigendomsrecht, en

(2) door het bouwwerk aan het appartementencomplex te bevestigen.

3.3.1.

In het eindvonnis waarvan beroep heeft de rechtbank, samengevat, de primaire vordering toegewezen, onder verlenging van de termijn waarbinnen aan de veroordeling dient te worden voldaan tot 60 dagen en onder afwijzing van de gevorderde dwangsom, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen.

3.3.2.

De rechtbank heeft hiertoe overwogen:

(1) dat tot uitgangspunt moet worden genomen dat [appellante] inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de door de VvE vertegenwoordigde gezamenlijke appartementseigenaren en dat de eigenaren deze inbreuk in beginsel niet behoeven te dulden en de VvE dus wegneming van de overbouw kan vorderen,

(2) dat [appellante] ter rechtvaardiging van haar gedragingen geen beroep kan doen op de (door haar gestelde) afspraken tussen de voormalige eigenaar van haar woning en de VvE, en

(3) dat het beroep van de VvE op het eigendomsrecht van de gezamenlijke appartementseigenaren geen misbruik van recht oplevert.
De vordering om aan de veroordelingen een dwangsom te verbinden heeft de rechtbank afgewezen op grond van de overweging dat geen grond is gebleken om te veronderstellen dat [appellante] niet aan het vonnis zal voldoen.

De grieven en de omvang van het hoger beroep

3.4.1.

[appellante] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van het door de VvE gevorderde, met veroordeling van de VvE in de proceskosten in beide instanties.

3.4.2

De VvE heeft geantwoord in principaal hoger beroep en heeft daarnaast in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd.
De VvE concludeert [naar het hof begrijpt en ook [appellante] heeft begrepen] tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, behoudens voor zover daarin de primaire vordering om aan de uit te spreken veroordelingen een dwangsom te verbinden is afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in hoger beroep.
Waar het betreft de genoemde afwijzing vordert de VvE thans, onder vermeerdering van eis, dat aan de uitgesproken veroordelingen een dwangsom wordt verbonden van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat [appellante] in gebreke blijft om aan de veroordelingen te voldoen.

De overbouw

In principaal hoger beroep

3.5.1.

Het hof wijst erop dat de beide door [appellante] aangevoerde grieven uitsluitend betrekking hebben op het oordeel van de rechtbank dat de VvE, door zich jegens [appellante] op het eigendomsrecht van de gezamenlijke appartementseigenaren te beroepen, geen misbruik maakt van dat recht.
Dit betekent dat het hof tot uitgangspunt dient te nemen:

(1) dat [appellante] in verband met de overbouw inbreuk maakt op het eigendomsrecht van de gezamenlijke appartementseigenaren, dat zij (en daarmee de VvE) deze inbreuk in beginsel niet behoeven (en behoeft) te dulden en dat de VvE dus de wegneming daarvan kan vorderen, en

(2) dat [appellante] ter rechtvaardiging van haar gedragingen geen beroep kan doen op de (door haar gestelde) afspraken tussen de voormalige eigenaar van haar woning en de VvE.

3.5.2.

Met grief 1 maakt [appellante] bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat de VvE geen misbruik van recht pleegt door afbraak te vorderen van de overbouw. Met grief 2 komt [appellante] op tegen het oordeel van de rechtbank dat het belang van de VvE, althans de door haar vertegenwoordigde gezamenlijke appartementseigenaren, bij een afweging van belangen, dient te prevaleren boven dat van [appellante] .

De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.5.3.

Naar het hof begrijpt, en zoals ook de VvE heeft begrepen, beroept [appellante] zich zowel op het eerste als op het derde in artikel 3:13 lid 2 BW geregelde geval van misbruik van bevoegdheid. Dit betekent dat, wil dit verweer van [appellante] slagen, moet komen vast te staan dat de VvE haar bevoegdheden als uitoefent met geen ander doel dan om [appellante] te schaden en/of dat de VvE, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen haar belangen en de belangen van [appellante] die daardoor worden geschaad, naar redelijkheid niet tot de uitoefening van die bevoegdheden kan komen.

Het beroep op misbruik van bevoegdheid is een zelfstandig verweer. Dit betekent dat de stelplicht en de bewijslast rusten op [appellante] .

3.5.4.

[appellante] onderbouwt haar beroep op misbruik van bevoegdheid door te wijzen op een vijftal in haar ogen relevante omstandigheden:

(1) de loze spie heeft voor niemand enige functie of waarde;

(2) de spie is nog steeds toegankelijk, ook in het geval van (eventuele) lekkages in het appartementencomplex;

(3) de VvE hoeft zich geen zorgen te maken over haar aansprakelijkheid als iemand door de overkapping van de spie zou vallen; alleen [appellante] is daarvoor aansprakelijk;

(4) de kosten van het wegnemen van de overbouw zijn aanzienlijk; daar staan geen (financiële) belangen van de VvE tegenover;

(5) de afbraak van de overbouw doet een gevaarlijke situatie ontstaan en kan leiden tot een ophoping van vuil en het aantrekken van ongedierte.

Gelet hierop, zo stelt [appellante] vervolgens, staat vast dat de actie van de VvE slechts is ingegeven om [appellante] schade te berokkenen, zonder dat de VvE enig rechtens te respecteren belang aan haar kant dient. In elk geval is de onevenredigheid tussen het belang van de VvE bij de uitoefening van haar bevoegdheden en het belang van [appellante] bij handhaving van de overbouw evident, aldus [appellante] , die er in dit verband nog op wijst dat zij in het verleden heeft aangegeven bereid te zijn om een redelijke prijs te betalen voor het hebben van de overbouw.

3.5.5.

De VvE stelt hier allereerst tegenover dat zij, als vereniging van appartementseigenaren, op grond van de wet tot taak heeft om het beheer over de gemeenschap te voeren en dat zij daarbij in het onderhavige geval opkomt tegen eigenrichting door [appellante] . Volgens de VvE kan daarom, gelet op het bepaalde in
artikel 3:13 lid 3 BW, geen sprake zijn van misbruik van bevoegdheid.

Verder voert de VvE aan dat zij wel degelijk belang heeft bij haar vorderingen, zodat niet kan worden gezegd dat zij deze heeft ingesteld met geen ander doel dan om [appellante] te schaden.

In verband met de derde misbruik-grond stelt de VvE, voor zover van belang, dat [appellante] met de overbouw haar dakterras heeft uitgebreid, omdat zij de niet-beloopbare overkapping heeft vervangen door een beloopbaar dakterras. [appellante] heeft dat gedaan door extra balken te bevestigen in de zijgevel van het appartementencomplex, wat heeft geleid tot een beschadiging van die zijgevel. De overbouw zorgt er verder voor dat de ruimte tussen de woning van [appellante] en het appartementengebouw moeilijker toegankelijk is dan voorheen. Dat is bezwaarlijk met het oog op onderhoudswerkzaamheden en de lekkagegevoeligheid van het appartementengebouw. De oorspronkelijke beplating was gemakkelijk te verwijderen. De spie is nu van bovenaf onbereikbaar.

Verder voert de VvE aan dat [appellante] haar werkzaamheden heeft uitgevoerd zonder overleg met - en tegen de uitdrukkelijk kenbaar gemaakte wil van - de VvE. Voor de VvE was het vervangen van de bestaande beplating bespreekbaar. [appellante] heeft gekozen voor een veel verdergaande oplossing, door eigenmachtig haar dakterras uit te breiden tot boven het perceel van de VvE. [appellante] wist hoe de eigendomsverhoudingen lagen en had ook weet van het standpunt van de VvE ter zake de overbouw, zodat bij [appellante] sprake is van kwade trouw en/of grove schuld in de zin van artikel 5:54 lid 3 BW. De kosten voor het wegnemen van de overbouw vormen daarom geen argument in het kader van de belangenafweging in het kader van artikel 3:13 BW.
Nadat de overbouw is weggenomen kan [appellante] de zuidkant van haar dakterras voorzien van een balustrade, zoals zij dat ook aan de andere kanten heeft gedaan, aldus de VvE.

3.5.6.

Het hof verwerpt het standpunt van de VvE dat de bevoegdheid waarop zij zich in het onderhavige geval beroept niet kán worden misbruikt. Dat de VvE haar wettelijke taak als vereniging van appartementseigenaren vervult, wil niet zeggen dat zij daarbij vervolgens geen rekening behoeft te houden met het bepaalde in artikel 3:13, leden 1 en 2 BW. Ook de omstandigheid dat de VvE opkomt tegen (naar zij stelt) ‘het plegen van eigenrichting’ door [appellante] ontheft haar niet van die gehoudenheid.

3.5.7.

Het hof is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de VvE haar bevoegdheid om als vertegenwoordiger van de eigenaren van de ondergrond van de spie en van het appartementencomplex op te komen tegen de overbouw door [appellante] uitsluitend gebruikt om [appellante] te schaden. Hetgeen [appellante] daartoe heeft gesteld is, zeker ook gelet op hetgeen de VvE - onweersproken - heeft gesteld inzake de belangen waarvoor zij in de onderhavige procedure opkomt, duidelijk onvoldoende.

3.5.8.

In verband met de derde misbruik-grond in artikel 3:13 lid 2 BW (het naar redelijkheid niet tot uitoefening van een recht kunnen komen) wijst het hof erop dat hieraan niet wordt voldaan vanwege het enkele feit dat de VvE, door zich op haar taak en/of het eigendomsrecht van de gezamenlijke appartementseigenaren te beroepen, [appellante] schade toebrengt of dreigt te brengen. De belangen van [appellante] worden ook niet op voet van gelijkheid afgewogen met die van de VvE/de eigenaren, omdat van misbruik in de hier bedoelde zin alleen sprake is als er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de met het optreden van de VvE te dienen belangen en de voor [appellante] nadelige gevolgen daarvan.

3.5.9.

Bezien tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat [appellante] ook in dit verband haar beroep op misbruik van bevoegdheid onvoldoende heeft onderbouwd.

3.5.10.

Waar het haar eigen belangen betreft, heeft [appellante] gesteld dat de afbraak van de overbouw een gevaarlijke situatie doet ontstaan en kan leiden tot een ophoping van vuil en het aantrekken van ongedierte (vgl. r.o. 3.5.4. onder (5)). Dit bezwaar is door [appellante] echter onvoldoende concreet onderbouwd.

Het verwijderen van de overbouw zal verder betekenen dat [appellante] dakterras aan de zuidzijde, naast de open spie, een balustrade mist. Als dat bezwaarlijk wordt geacht, ligt het op de weg van [appellante] om, als eigenaar van de woning, een dergelijke balustrade aan te brengen. Gesteld noch gebleken is dat dit voor [appellante] onoverkomelijke problemen zal opleveren. [appellante] kan zich ook verstaan met de VvE, om deze te bewegen om alsnog en in goed overleg de oorspronkelijke beplating te vervangen door een soortgelijke voorziening.

[appellante] stelt verder dat de kosten van het wegnemen van de overbouw aanzienlijk zijn. [appellante] heeft dit standpunt onderbouwd door overlegging van een rapportage van een bouwkundige, die de kosten van het wegnemen c.a. begroot op € 12.124,-.

Deze omstandigheid kan naar het oordeel van het hof geen gewicht in de schaal leggen, nu [appellante] wist dat de wijze waarop zij haar dakterras en de daaraan grenzende afdichting van de spie wilde vernieuwen niet de instemming had van de VvE (zie r.o. 3.1. onder j) en l)). [appellante] heeft haar plannen niettemin verwezenlijkt en heeft daarmee het risico genomen dat de door haar aangebrachte werken, voor zover gelegen óp dan wel bóven dan wel tégen de eigendom van de appartementseigenaren, ook weer zouden moeten worden verwijderd.
heeft nog gesteld dat zij in het verleden bereid is geweest om een redelijke prijs te betalen voor het hebben van de overbouw. Onduidelijk is of [appellante] deze bereidheid nog steeds heeft en of zij hierin een argument ziet om te concluderen dat de VvE de overbouw alsnog moet dulden. Het hof laat dit verder in het midden, nu uit het gestelde in haar memorie van antwoord in incidenteel appel (over de mogelijkheid om alsnog een schikking te bereiken) volgt dat [appellante] denkt aan niet meer dan een symbolische vergoeding, die als zodanig weinig gewicht in de schaal vermag te leggen.
3.5.11. Ten aanzien van de belangen aan de zijde van de VvE volstaat [appellante] met enkele relativerende opmerkingen (zie r.o. 3.5.4. onder (1)-(3)). [appellante] doet daarmee geen recht aan de belangen waarvoor de VvE opkomt. Uit hoofde van haar taak ligt het immers voor de hand dat de VvE bedacht is op - en grote waarde hecht aan - het openhouden van opties (om deugdelijk onderhoud te kunnen plegen e.d.) en het vermijden van risico’s (van (verdere) schade, aansprakelijkheid, wateroverlast e.d.).

3.5.12.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van de wanverhouding, ten nadele van [appellante] , tussen de belangen waarvoor de VvE opkomt en de (rechtens te respecteren) belangen van [appellante] , welke wanverhouding wordt vereist om te kunnen spreken van misbruik van bevoegdheid zoals hier aan de orde.

3.5.13.

Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 2 falen.

De dwangsom

In incidenteel hoger beroep

3.6.1.

Met haar (enige) grief maakt de VvE bezwaar tegen de afwijzing van haar primaire vordering waar het betreft de op te leggen dwangsom. In hoger beroep heeft de VvE haar eis op dit punt vermeerderd en vordert zij oplegging van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat [appellante] niet voldoet aan de veroordeling tot het verwijderen van de overbouw dan wel de veroordeling om de beschadigingen aan de zijgevel van het appartementencomplex te herstellen.

3.6.2.

Ter toelichting op de grief stelt de VvE dat [appellante] ook na betekening van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis weigert om de overbouw te verwijderen. Daarom bestaat nu alle aanleiding om alsnog een (hogere) dwangsom op te leggen.

3.6.3.

[appellante] stelt dat de VvE het vonnis waarvan beroep heeft laten rusten, in afwachting van de beoordeling in hoger beroep. [appellante] laat de grief voor het overige onbesproken.

3.6.4.

Het hof is van oordeel dat de grief slaagt, in die zin dat het hof voldoende termen aanwezig acht om, als prikkel tot nakoming, alsnog - en op na te melden wijze - een dwangsom op te leggen.

Slotsom

In principaal en incidenteel hoger beroep

3.7.1.

Gelet op het voorgaande zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen voor zover daarin is afgewezen (het onderdeel van) de primaire vordering om aan de uit te spreken veroordelingen een dwangsom te verbinden. Het hof zal in zoverre opnieuw recht doen en zal bepalen dat aan de door de rechtbank uitgesproken veroordelingen een dwangsom wordt verbonden van € 1.000,- per dag, of gedeelte daarvan, dat [appellante] in gebreke blijft om aan deze veroordelingen te voldoen, met een maximum van € 30.000,-. Het hof zal voorts een nieuwe termijn van zestig dagen stellen, waarbinnen [appellante] aan de veroordelingen moet voldoen. Voor het overige zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen.

3.7.2.

[appellante] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep in principaal en incidenteel appel.

4 De beslissing

In principaal en incidenteel hoger beroep

Het hof:

vernietigt het tussen partijen op 17 december 2014 gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, voor zover daarin is afgewezen (het onderdeel van) de primaire vordering om aan de uit te spreken veroordelingen een dwangsom te verbinden;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat aan de in het vonnis waarvan beroep uitgesproken veroordelingen om ‘de partijen bekende overbouw op het perceel van VvE [Complex] te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede de beschadigingen te herstellen aan de zijgevel van het appartementsgebouw van VvE [Complex] gelegen op het perceel kadastraal bekend gemeente [woonplaats] , [sectieletter] , nummer [sectienummer 2] ’ een dwangsom wordt verbonden van
€ 1.000,- per dag of gedeelte daarvan dat [appellante] , na ommekomst van een termijn van
60 dagen na betekening van dit arrest, in gebreke blijft om aan deze veroordelingen te voldoen, met een maximum van € 30.000,-;

bekrachtigt het vonnis voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van de VvE tot op heden begroot op € 711,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat in principaal hoger beroep en € 447,- aan salaris advocaat in incidenteel hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.I.M.W. Bartelds en W.J.J. Beurskens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 maart 2017.

griffier rolraadsheer