Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:986

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
14/01059
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:7114, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2428
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is een aanslag erfbelasting opgelegd. In bezwaar doet belanghebbende een beroep op de uitspraak van Rechtbank Breda van 13 juli 2012, nr. AWB 11/5509. Het Hof is van oordeel dat het bezwaar onder de regeling van massaal bezwaar valt; belanghebbende heeft immers in zijn bezwaar onvoldoende kenbaar gemaakt dat zijn bezwaar niet uitsluitend ziet op de rechtsvraag zoals geformuleerd in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 2012. Voorts is het Hof van oordeel dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in het onderhavige geval niet van toepassing is. De vraag of belanghebbende, gelijk aan de Koning, dient te worden vrijgesteld voor de heffing van erfbelasting, kan naar het oordeel van het Hof niet in beroep en hoger beroep aan de orde komen. Ten slotte is het Hof van oordeel dat de Belastingdienst niet in gebreke is, waardoor belanghebbende geen recht heeft op de door hem gevraagde dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2016-0150
V-N Vandaag 2016/1578
FutD 2016-1794
NTFR 2016/2046 met annotatie van mr. L. Bergman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 14/01059

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 10 oktober 2014, nummer AWB 14/2870, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, afdeling Successiewet,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is ter zake van een verkrijging van € 5.728 ten gevolge van het overlijden van [A] in het jaar 2012 een aanslag erfbelasting opgelegd van € 1.114.

1.2.

De Inspecteur heeft bij brief van 17 oktober 2013 het bezwaar van belanghebbende aangemerkt als massaal bezwaar als bedoeld in het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 2012, nr. BLKB2012/1665M.

1.3.

Bij collectieve uitspraak op bezwaar is het bezwaar van belanghebbende afgewezen.

1.4.

Belanghebbende is, na individuele uitspraak op bezwaar van 2 april 2014, van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 115.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 januari 2016 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, [B] en [C] .

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.8.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

In het bezwaarschrift tegen de aanslag erfbelasting van 10 september 2013 heeft belanghebbende vermeld:

“Hierbij maak ik bezwaar tegen bovengenoemde aanslag erfbelasting vanwege de ongelijke behandeling van ondernemers/ondernemingsvermogen en particulieren. In het eerste geval is sprake van een volledige vrijstelling tot een verkrijging van ca EUR1.000.000,= terwijl er geen duidelijke onderbouwing van de noodzaak van vrijstelling voor ondernemers bestaat.

Daarom verzoek ik u om mij eenzelfde vrijstelling te verlenen. In mijn geval valt de verkrijging volledig onder de vrijstelling en bedraagt de te betalen erfbelasting nihil.

Zoals u weet zijn er op dit moment diverse rechtszaken aanhangig gemaakt, o.a. bij de Rechtbank Breda, waarop ik mij ook beroep, en ik wil u verzoeken om dit bezwaar aan te houden totdat de vonnissen onherroepelijk zijn geworden en mij nog in de gelegenheid te stellen het bezwaar, indien nodig, nader aan te vullen als de arresten zijn gewezen.”

2.2.

In het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 23 oktober 2012, nr. BLKB2012/1665M, St.crt. 26 oktober 2012, nr. 22059 (hierna: het Besluit van 23 oktober 2012) staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“De Belastingdienst heeft een groot aantal bezwaarschriften ontvangen die zijn gericht tegen aanslagen erf- of schenkbelasting.

Deze bezwaarschriften hebben alle betrekking op dezelfde rechtsvraag. Deze rechtsvraag is als volgt te omschrijven:

Brengt toepassing van het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) of artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) met zich dat de (voorwaardelijke) onbelaste geconserveerde waarde van de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 (van 75%) (tekst jaar 2007 tot en met 2009) dan wel de (voorwaardelijke) vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsregeling in de Successiewet 1956 (van tenminste 83%) (tekst jaar 2010 en volgende) ook op ander vermogen dan ondernemingsvermogen van toepassing is?

(…)

2.3.

De Inspecteur heeft bij brief van 17 oktober 2013 het bezwaar van belanghebbende aangemerkt als massaal bezwaar als bedoeld in het hiervoor bedoelde besluit.

2.4.

Nadat de Hoge Raad op 22 november 2013 vijf arresten heeft gewezen waarin is geoordeeld over vorenbedoelde rechtsvraag, heeft de Inspecteur op 4 december 2013 een collectieve uitspraak gedaan voor alle als massaal bezwaar aangewezen bezwaarschriften (Stcrt. 4 december 2013, nr. 34331).

2.5.

Belanghebbende schrijft in zijn brief van 7 januari 2014 dat na de arresten van de Hoge Raad van 22 november 2013, de termijn voor het doen van (individuele) uitspraak op bezwaar op 3 januari 2014 is verstreken. Belanghebbende heeft de Inspecteur in deze brief in gebreke gesteld.

2.6.

Bij brief van 16 januari 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende geïnformeerd over de collectieve uitspraak op massaal bezwaar van 4 december 2013 en een kopie daarvan bijgevoegd.

2.7.

Belanghebbende heeft bij brief van 14 februari 2014 onder meer vermeld dat de collectieve afwijzing van het massaal bezwaar niet op hem van toepassing is en dat de Inspecteur nog op zijn bezwaar dient te beslissen. Hij heeft tevens vermeld dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om nadere schriftelijk informatie in te dienen en om zijn standpunt mondeling toe te lichten. Belanghebbende meldt dat hij uitnodiging noch beslissing heeft ontvangen en dat hij de ingebrekestelling van 7 januari 2014 handhaaft.

2.8.

Bij brief van 27 februari 2014 heeft de Inspecteur zijn voornemen tot afwijzing van het bezwaar aan belanghebbende kenbaar gemaakt. Daarbij heeft hij belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. In het hoorverslag van 28 maart 2014 heeft de behandelfunctionaris van de Belastingdienst/Oost Brabant vermeld dat uitspraak op bezwaar zal worden gedaan en dat deze uitspraak in ieder geval een individuele uitspraak en een reactie op de ingebrekestelling zal bevatten. De Inspecteur heeft bij brief van 2 april 2014 belanghebbende geïnformeerd dat hij niet tegemoet zal komen aan het bezwaar en dat de Belastingdienst niet in gebreke is zodat geen beroep kan worden gedaan op artikel 4:17 van de Algemene Wet Bestuursrecht (hierna: de Awb). Deze brief is nog bevestigd bij het geschrift van 8 mei 2014.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Evenals bij de Rechtbank is in hoger beroep in geschil of:

a. het bezwaar van belanghebbende onder de regeling van massaal bezwaar valt;

b. de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van artikel 35b van de Successiewet 1956 op het onderhavige geval van toepassing is;

c. belanghebbende, gelijk aan de Koning, dient te worden vrijgesteld voor de heffing van erfbelasting;

d. de Inspecteur de maximale dwangsom van € 1.260 heeft verbeurd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

3.2.

Belanghebbende is van mening dat zijn bezwaar ten onrechte is aangemerkt als massaal bezwaar, dat hij recht heeft op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit, dat hij gelet op de positie van de Koning, recht heeft op vrijstelling van heffing van erfbelasting en dat de Inspecteur de dwangsom heeft verbeurd.

3.3.

De Inspecteur is van mening dat het bezwaar van belanghebbende terecht is aangemerkt als massaal bezwaar, dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing is, dat de vrijstelling van de Koning niet aan belanghebbende toekomt en dat de dwangsom niet verschuldigd is.

3.4.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de te betalen erfbelasting tot nihil en verbeurdverklaring van de dwangsom. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Vraag a

4.1.

Ten aanzien van de vraag of de Inspecteur het bezwaarschrift terecht heeft aangemerkt als massaal bezwaar verwijst het Hof naar rechtsoverweging 2.10 van de uitspraak van de Rechtbank:

“De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in zijn bezwaarschrift niet méér aan de orde heeft gesteld dan de rechtsvraag zoals die geformuleerd is in het Besluit van 23 oktober 2012 (…). Gelet op de strekking en inhoud van het bezwaarschrift (…) verzoekt belanghebbende om toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit zoals in artikel 35b van de Successiewet is geregeld. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift onvoldoende kenbaar gemaakt dat zijn bezwaar niet uitsluitend ziet op vorenbedoelde rechtsvraag. Dat belanghebbende in het bezwaarschrift heeft vermeld dat hij, nadat de arresten zijn gewezen, zijn bezwaar – indien nodig – wenst aan te vullen, brengt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende tot uitdrukking dat belanghebbende de aanslag in bezwaar ook op andere gronden wenst te bestrijden. De rechtbank oordeelt dat op het bezwaar van belanghebbende de regeling van artikel 25a van de AWR van toepassing is.”

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist dat het bezwaar van belanghebbende als massaal bezwaar is aangemerkt. Het Hof merkt hierbij op dat belanghebbende de Inspecteur, na ontvangst van de brief van 17 oktober 2013, niet heeft geïnformeerd over de redenen waarom zijn bezwaarschrift niet onder de regeling voor massaal bezwaar zou vallen.

Vraag b

4.2.

Belanghebbende is van mening dat zijn situatie afwijkt van die waarover de Hoge Raad in de arresten van 22 november 2013 heeft beslist. Volgens belanghebbende is geen oordeel gegeven over de toepassing van het gelijkheidsbeginsel als de nalatenschap geheel wordt bestemd om aan te wenden in de eigen onderneming, zoals belanghebbende heeft gedaan.

4.3.

Het Hof overweegt dat de manier waarop een nalatenschap wordt bestemd geen gevolgen kan hebben voor de omvang van de te betalen erfbelasting. Dit kan, anders dan belanghebbende betoogt, geen reden zijn om aan belanghebbende de bedrijfsopvolgingsregeling toe te kennen. Het Hof is van oordeel dat de situatie van belanghebbende niet verschilt van de situaties waarover de Hoge Raad heeft beslist.

Vraag c

4.4.

Ten aanzien van de vraag of belanghebbende, evenals de Koning, recht heeft op vrijstelling voor de erfbelasting neemt het Hof rechtsoverweging 2.16 van de uitspraak van de Rechtbank over waarin is vermeld:

“Belanghebbende heeft tevens in beroep gesteld dat hij net als de Koning wil worden vrijgesteld voor de heffing van erfbelasting (artikel 40, tweede lid, van de Grondwet). Gelet op artikel 25a, tiende lid, van de AWR is de rechtbank van oordeel dat het beroep van belanghebbende om gelijk te worden behandeld als de Koning ter zake de heffing van erfbelasting een geheel andere rechtsvraag betreft dan de rechtsvraag zoals in het Besluit van 23 oktober 2012 is omschreven. De als vraag c geformuleerde rechtsvraag is naar het oordeel van de rechtbank evenmin op te vatten als een accessoire kwestie van de in het Besluit omschreven rechtsvraag als bedoeld in artikel 25a, tweede lid van de AWR. Dit betekent dat de vraag of belanghebbende, gelijk aan de Koning, dient te worden vrijgesteld voor de heffing van erfbelasting niet meer bij de rechtbank aan de orde (hof: kan) worden gesteld.”

Het Hof sluit zich aan bij dit oordeel van de Rechtbank. De vraag of belanghebbende recht heeft op de vrijstelling kan niet in beroep en hoger beroep aan de orde komen.

Vraag d

4.5.

Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat uit de brief van belanghebbende van 14 februari 2014 kon worden opgemaakt dat hij verzocht om een individuele uitspraak op bezwaar. Uit deze brief volgt verder dat belanghebbende zijn standpunt mondeling wil toelichten. De Inspecteur heeft belanghebbende daarop voor 27 maart 2014 uitgenodigd voor een hoorgesprek. Het verslag van dit gesprek is op 28 maart 2014 per email aan belanghebbende verstrekt. Vervolgens heeft de Inspecteur op 2 april 2014 belanghebbende per brief geïnformeerd dat niet aan het bezwaar wordt tegemoetgekomen. Nu de Inspecteur binnen een termijn van zes weken na de aanvraag om een individuele beschikking belanghebbende heeft gehoord en uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is de Belastingdienst niet in gebreke. Belanghebbende heeft geen recht op de door hem gevraagde dwangsom.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat de uitspraak op bezwaar juist is.

Slotsom

4.7.

Slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 18 maart 2016 door mr. A.P.M. van Rijn, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. drs. W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.