Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:980

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-03-2016
Datum publicatie
18-03-2016
Zaaknummer
200 182 622_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 17 maart 2016

Zaaknummer : 200.182.622/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/298066 / JE RK 15-1465

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende op een geheim adres, in deze zaak woonplaats gekozen hebben te

[woonplaats] , ten kantore van haar advodaat,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.P.A. van Tuijn,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [de vader] (hierna te noemen: de vader), bijgestaan door mr. E. van Bommel, advocaat;

- Jeugdbescherming Gelderland (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 september 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 15 december 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen.

2.2.

Bij verweerschrift , ingekomen ter griffie op 28 januari 2016, heeft de vader verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen althans de moeder in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 februari 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Tuijn;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- mr. E. van Bommel namens de vader;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger 1 van de GI] en de heer [vertegenwoordiger 2 van de GI] .

2.3.1.

De vader is niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 16 september 2015;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 19 januari 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 11 februari 2016;

  • -

    de brief met bijlage van de GI, gedateerd 10 september (lees: februari) 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 16 februari 2016.

2.4.1.

Met instemming van het hof is na de mondelinge behandeling nog ingekomen de brief met bijlagen van mr. Van Bommel d.d. 24 februari 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader zijn - voor zover hier van belang - geboren:

- [minderjarige 1] , (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] en

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

De moeder stond en staat open voor hulpverlening in het vrijwillig kader. Zij heeft altijd de volledige zorg voor de kinderen gedragen. Zij gaf hun veiligheid, geborgenheid en educatie, waarbij zij ook diverse derden heeft ingeschakeld. De moeder heeft stappen ondernomen om de kinderen in te schrijven bij een school. Zij heeft getracht de kinderen te beschermen tegen dreigend en vijandig gedrag van de vader jegens haar. In het belang van de kinderen heeft zij daarnaast alles gedaan wat in haar vermogen lag om met de vader in gesprek te gaan. Zij heeft zich van meet af aan ingezet om telefonisch contact tussen de vader en de kinderen te laten plaatsvinden. Ook heeft zij zich ingezet voor begeleide omgang via [instelling] . De moeder voelt zich niet gehoord en herkent zich niet in het beeld dat van haar wordt geschetst.

Een ondertoezichtstelling heeft een averechts effect, nu de vader alleen nog maar met haar wenst te communiceren via de gezinsvoogd. De moeder verkeert in een ongelijkwaardige positie ten opzichte van de vader. De kinderen zoeken nu stiekem contact met de moeder, hetgeen niet in hun belang is. Er is sprake van een ontwikkelingsbedreiging; hun ontwikkeling op emotioneel en cognitief gebied stagneert. De overdracht naar de vader is voor hen traumatisch geweest en zij missen de moeder. Hun stem in het geheel is helemaal weggevallen. Niemand durft de verantwoording te nemen in deze situatie.

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de benoeming van een bijzondere curator niet geïndiceerd is.

3.5.

De raad stelt ter zitting dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Gedurende de aan de ondertoezichtstelling voorafgaande onderzoeksperiode was er tussen de ouders niets mogelijk, zo stelt de raad. Zonder een ondertoezichtstelling raken de kinderen tussen wal en schip.

3.6.

De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

De moeder legt alles buiten zichzelf. Zij is wars van regels en procedures. De hulpverlening in het vrijwillig kader legt zij haar eigen regels op, waardoor alles stagneert. De kinderen hebben een enorme achterstand opgelopen. De moeder weigert mee te werken aan een begeleide omgangsregeling. Zij moet over haar eigen schaduw heen stappen. De ondertoezichtstelling is hard nodig. De moeder en de vader zijn het niet met elkaar eens en de GI is de enige die hierbij enige hulp kan bieden. De kinderen hebben rust nodig. De vader vreest dat de kinderen met de moeder verdwijnen als hij niet oplet.

3.7.

De GI voert ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de kinderen rust te geven en contact met beide ouders mogelijk te maken. De ouders zijn niet in staat om op een rustige manier hulpverlening voor de kinderen in te schakelen. De moeder wil geen gebruik maken van de begeleide omgang. Haar ondersteuning is nodig, maar op dit moment haakt zij af in het hulpverleningsproces. De kinderen ervaren het als lastig dat de ouders zich niet aan de afspraken houden. Dat zij weinig grenzen hebben gekend in hun opvoeding is merkbaar.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

Ontvankelijkheid

3.9.

Bij beschikking van 10 november 2015 - uitvoerbaar bij voorraad - heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, het gezamenlijk gezag van de moeder en de vader beëindigd en bepaald dat de vader met het eenhoofdige gezag over de kinderen is belast. De moeder heeft van deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De vader stelt dat, gelet op voornoemde beschikking, de moeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk is.

3.10.

Het hof overweegt hierover als volgt.

3.11.1.

Blijkens het gezagsregister hebben de moeder en de vader op hun gezamenlijk verzoek ex artikel 1:252, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de griffier van de rechtbank het gezamenlijke gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laten aantekenen in het gezagsregister.

Ingevolge artikel 1:253p lid 3 BW begint, indien een aantekening als bedoeld in artikel 1:252, lid 1, BW is gedaan, het aan één der ouders opgedragen gezag niet dan nadat deze aantekening door de griffier is doorgehaald. Van de doorhaling doet de griffier schriftelijk mededeling aan beide ouders.

3.11.2.

Het is het hof ambtshalve gebleken dat op de datum van de mondelinge behandeling in hoger beroep de aantekening in het gezagsregister als bedoeld in het eerste lid van artikel 1:252 BW (nog) niet was doorgehaald. Hieruit volgt dat de moeder ten tijde van de indiening van het hoger beroep nog het gezag over de kinderen had en aldus in haar hoger beroep van de ondertoezichtstelling kan worden ontvangen. Hieraan doet niet af het gegeven dat blijkens voornoemde brief van mr. Van Bommel d.d. 24 februari 2016 voornoemde aantekening in het gezagsregister abusievelijk niet was doorgehaald en de doorhaling inmiddels wel heeft plaatsgevonden.

Ondertoezichtstelling

3.12.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.12.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW.

Het hof voegt daar het volgende aan toe.

Blijkens de rapportage van de raad d.d. 17 juli 2015 zijn er zorgen over de emotionele en cognitieve ontwikkeling van de kinderen. Het is van belang dat hun ontwikkeling in beeld wordt gebracht en dat er begeleiding/hulpverlening komt met aandacht voor hun loyaliteitsproblematiek. Voorts is het van belang dat de kinderen ongedwongen contact kunnen hebben met beide ouders. Tussen de ouders zijn de spanningen echter dermate groot dat zij niet zonder bemiddeling met elkaar in gesprek komen. Ter zitting van het hof heeft de moeder erkend dat het niet lukt om samen met de vader tot afspraken te komen omtrent de kinderen. Gebleken is dat de hulpverlening voor de kinderen en/of de bemiddeling tussen de ouders binnen het vrijwillig kader niet, althans onvoldoende, van de grond komt. Naar het oordeel van het hof is een ondertoezichtstelling, binnen welk kader de benodigde hulpverlening wordt opgestart en erop wordt toegezien dat de ouders goede afspraken maken over het contact en omgang van de kinderen met de moeder, daarom aangewezen.

Bijzondere curator

3.13.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de benoeming van een bijzondere curator niet geïndiceerd is, nu de belangen van de kinderen in het kader van de ondertoezichtstelling door de gezinsvoogd worden gewaarborgd.

3.14.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 september 2015;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, M.C. Bijleveld-van der Slikke en

H. van Winkel en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2016.