Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:98

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-01-2016
Datum publicatie
27-01-2016
Zaaknummer
200.180.366/01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

in hoger beroep alsnog voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw)

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 14 januari 2016

Zaaknummer : 200.180.366/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/207051 / FT RK 15/824

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. P. Winkens.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 10 november 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 november 2015, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog rechtdoende te bepalen dat haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2015. Bij die gelegenheid is gehoord:

- [appellante] , bijgestaan door mr. Winkens.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg d.d. 23 juli 2015 en 30 oktober 2015;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 5 januari 2016;

3 De beoordeling

3.1.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 104.908,54 welke bestaat uit een schuld aan SNS Bijzonder Beheer van € 102.408,54 en een schuld aan De Lage Landen Financieringen BV van € 2.500,00.

Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat de grootste schuldeiser, SNS Bijzonder Beheer, niet met het aangeboden percentage heeft ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep, heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“De verzoekster heeft ter zitting van 23 juli 2015 een rapport van TeleSpy d.d. 22 juni 2015 overgelegd. Uit dit rapport blijkt dat er sprake is van psychische problematiek in de vorm van een ernstige depressie. (…)

Daarnaast heeft zij aangegeven dat zij drie gesprekken heeft gehad bij Psychologenpraktijk [psychologenpraktijk] . Zij is daar heen gegaan omdat zij eigenlijk EMDR therapie zou moeten volgen. (…)

Naar aanleiding van de zitting van 23 juli 2015 is de verzoekster in de gelegenheid gesteld alsnog een verklaring van een psycholoog of een psychiater over te leggen waaruit blijkt dat de psychosociale problemen beheersbaar zijn. De verzoekster heeft hier echter niet aan voldaan.”

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] heeft zich onmiddellijk na de uitspraak van de rechtbank tot een psycholoog gewend met het verzoek een rapportage op te stellen omtrent haar psychosociale problemen. Zodra zij deze rapportage heeft ontvangen, zal zij deze rapportage aan het hof toezenden. [appellante] is ervan overtuigd dat uit deze rapportage zal blijken dat haar psychosociale problemen beheersbaar zijn.

3.5.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.5.2.

Het hof overweegt dat ter zitting van 11 december 2015 de behandeling van de zaak is aangehouden tot 7 januari 2016, teneinde [appellante] alsnog in de gelegenheid te stellen een verklaring in het geding te brengen van de behandelinstelling voor geestelijke gezondheidszorg Lionarons.

3.5.3.

Bij de brief van de advocaat van [appellante] , overgelegd bij indieningsformulier d.d. 5 januari 2016, bevindt zich een brief van Lionarons d.d. 29 december 2015 en een brief annex rapportage van Handvat, Bureau voor advies en training bij verzuimbegeleiding en reïntegratie d.d. 4 januari 2016. Uit de brief van Lionarons is het hof gebleken dat deze instelling geen verklaring kan afgeven dat de psychosociale problemen van [appellante] beheersbaar zijn, mede omdat Lionarons zich op het standpunt stelt dat vanuit hun expertise enkel uitspraken kunnen worden gedaan over een eventuele diagnose of behandelverloop. Lionarons heeft de advocaat van [appellante] dan ook geadviseerd zich met haar vraag aangaande de beheersbaarheid van haar psychosociale problemen te wenden tot een instantie die, anders dan Lionarons, wel over deze expertise beschikt.

Vervolgens heeft haar advocaat [appellante] doorverwezen naar Handvat. Uit de brief annex rapportage van Handvat, getiteld Resultaat Medische BelastbaarheidsBeoordeling, opgemaakt door een bedrijfsarts, valt onder meer te lezen dat er volgens de betrokken bedrijfsarts geen beperkingen bestaan in het persoonlijke en sociale functioneren, noch in het fysieke en energetische functioneren van [appellante] . Volgens de bedrijfsarts is sprake van een stabiele situatie bij [appellante] en is zij arbeidsgeschikt te achten voor reguliere arbeid.

3.5.4.

Gelet op de herhaalde verklaring van [appellante] ter zitting in hoger beroep dat haar klachten al enige tijd in remissie en daarmee beheersbaar zijn en zij om die reden geen behandeling of hulpverlening behoeft in het kader van haar psychosociale problematiek, welke verklaring in essentie wordt ondersteund door de hierboven weergegeven verklaring van de bedrijfsarts van Handvat, is het hof van oordeel dat thans in hoger beroep alsnog voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.5.5.

Het hof wijst [appellante] er nadrukkelijk op dat, vanaf de datum dat zij wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, alle uit die regeling voortvloeiende kernverplichtingen, ten aanzien waarvan [appellante] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij met die verplichtingen bekend is, onverkort op haar van toepassing zijn. Dat betekent onder meer dat op [appellante] de inspanning rust dat zij conform de spelregels van de schuldsaneringsregeling dient te solliciteren naar betaalde arbeid voor minimaal 36 uur per week.

Zoals [appellante] ook ter zitting in hoger beroep is voorgehouden, kan, indien zij zich niet houdt aan alle op haar rustende uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen, dit leiden tot een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling met het gevolg dat [appellante] in beginsel gedurende 10 jaar geen hernieuwd verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling bij de rechtbank kan indienen.

Met betrekking tot de arbeidsverplichting merkt het hof tot slot nog op dat, indien [appellante] zich niet in staat acht om gedurende tenminste 36 uur per week betaalde arbeid te verrichten, zij in dat geval in samenspraak met de te benoemen bewindvoerder en onder overlegging van relevante bescheiden de rechter-commissaris dient te verzoeken haar geheel dan wel gedeeltelijk al dan niet tijdelijk te ontheffen van haar arbeidsverplichting. Het hof wijst [appellante] er nadrukkelijk op dat niet het hof (noch de bedrijfsarts van Handvat) maar alleen de rechter-commissaris over een al dan niet gedeeltelijke ontheffing van de sollicitatie-en arbeidsplicht beslist.

3.6.

Nu, gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en de hierop gegeven toelichting, [appellante] ook anderszins voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 Fw is voldaan, zal het vonnis waarvan beroep worden vernietigd en het verzoek van [appellante] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog worden toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep.

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellante] ,

geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] 1967,

wonende te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, A.P. Zweers-van Vollenhoven en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2016.