Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:928

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
14-11-2016
Zaaknummer
200.156.171_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vordering door energiemaatschappij van schadevergoeding als gevolg van niet geregistreerd verbruik. Energieafnemer niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen stelling van de energiemaatschappij dat over een periode van meer dan vijf jaar sprake is geweest van niet geregistreerd energieverbruik. Berekening schadebedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.156.171/01

arrest van 15 maart 2016

in de zaak van

Enexis B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Enexis,

advocaat: mr. G.E.M.C. Reinartz te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E. Stevens te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 augustus 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 10 april 2014 en 10 juli 2014, van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen Enexis als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2419053)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met bijlage;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

In principaal en incidenteel appel

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Enexis heeft aan [geïntimeerde] ten behoeve van zijn woning gelegen aan het [straatnaam][nr 2] te [woonplaats] (hierna: de woning) op grond van een overeenkomst een elektriciteitsaansluiting en een elektriciteitsmeter (hierna ook wel genoemd: kWh-meter) ter beschikking gesteld en meetdiensten geleverd.

3.1.2.

Op 22 maart 2005 werd de elektriciteitsmeter in de woning van [geïntimeerde] geplaatst.

3.1.3.

Op 22 oktober 2010 zijn de standen van de telwerken op de elektriciteitsmeter (hierna kortweg: de meterstanden) door een meteropnemer van Enexis opgenomen. Opgenomen zijn een stand van 2 kWh op telwerk 1 en een stand van 25.624 kWh op telwerk 2.

3.1.4.

Op 15 februari 2011 is op voormeld adres een hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit 5 hennepplanten, die op dat moment nog in gebruik was.

3.1.5.

De elektriciteitsmeter in de woning van [geïntimeerde] is door [fraude-inspecteur] , fraude-inspecteur bij Enexis, verwijderd en opgestuurd naar de afdeling fraudebestrijding van Enexis.

3.1.6.

Een rapport van Enexis Metering, Rapport onderzoek kWh-meter van 25 maart 2011, heeft blijkens het voorblad betrekking op een meter met Fabr. Nummer 42322075. In dit rapport staat op p. 2 onder meer het volgende:

Resultaten

De meter werd aangeboden met beschadigde fabrieksverzegeling .

Er is een pinnetje uit een van de scharniertjes van de bovenkap van de meter.

De bovenkap kon gemakkelijk los van de onderkap, dit duidt erop dat de bovenkap eerder los is geweest van de onderkap.

Men heeft dan de mogelijkheid de meter in zijn registratie te belemmeren .

Onderzoek wijst uit dat de meter beschadigingen vertoont aan telwerk II.

Conclusie

Uit het bovenstaande moet men volgende conclusie trekken:

  • -

    Het is duidelijk dat deze meter open is geweest en dat er aantoonbaar gefraudeerd is met deze meter.

  • -

    Dit onderzoek geeft voldoende aanleiding te twijfelen over de juistheid van de hoeveelheid afgenomen energie, in welke mate dit gebeurd is kan men aan de hand van de eventueel bekende en betrouwbare voorgaande jaarverbruiken een gemiddeld dagverbruik worden berekend en dat bovendien aan de hand van eventueel aangetroffen elektrische apparatuur, die niets met normaal huishoudelijk verbruik van doen hebben, een berekening van het daadwerkelijke verbruik kan worden opgesteld.”

3.1.7.

In eerste aanleg is overgelegd een overzicht van de bij Enexis bekende meterstanden van het adres [straatnaam][nr 2] te [woonplaats] in de periode 22 maart 2005 tot en met 15 februari 2011 (bijlage 23 bij akte bewijslevering van Enexis).

3.1.8.

Uit het onder 3.1.7. genoemde overzicht blijkt een elektriciteitsverbruik van 25.622 kWh voor de periode 22 maart 2005 tot en met 22 oktober 2010 en 6.750 kWh voor de periode 22 oktober 2010 tot en met 15 februari 2011.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde Enexis in eerste aanleg de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 6.204,13 vermeerderd met rente en kosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft Enexis, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Bij inleidende dagvaarding heeft Enexis het elektriciteitsverbruik van de ten behoeve van de hennepkwekerij aanwezige apparatuur – 2 lampen van elk 600 Watt en 2 ventilatoren van elk 80 Watt – op grond van door Enexis aldaar vermelde uitgangspunten berekend op 1.020 kWh.

Enexis heeft het ten gevolge van de door haar gestelde fraude met de elektriciteitsmeter daarop niet geregistreerde c.q. daarvan niet (meer) afleesbare elektriciteitsverbruik over de periode 22 maart 2005 tot en met 22 oktober 2010 berekend op 75.203 kWh. Enexis heeft bij haar berekening tot uitgangspunt genomen het huishoudelijke verbruik in de periode van 22 oktober 2010 tot en met 15 februari 2011 van (6.750 kWh -/- 1.020 kWh =) 5.730 kWh en dit verbruik vervolgens omgerekend naar het verbruik over de voorliggende periode vanaf 22 maart 2005. In totaal is volgens deze berekening (afgerond) 75.203 kWh te weinig geregistreerd op de elektriciteitsmeter in de woning van [geïntimeerde] in de periode 22 maart 2005 tot en met 22 oktober 2010.

Op grond hiervan en uitgaande van een kWh-prijs van (afgerond) € 0,0743 berekent Enexis de door haar geleden schade ter zake van afgenomen maar niet geregistreerde c.q. niet (meer) afleesbare elektriciteit op € 5.587,58 en de bijkomende kosten op € 616,55 derhalve in totaal op € 6.204,13, vermeerderd met de wettelijke rente. Enexis vordert dit bedrag van [geïntimeerde] op grond van de contractuele verhouding tussen hen, subsidiair op grond van onrechtmatige daad.

Het bedrag van € 616,55 is als volgt berekend:

a. a) administratiekosten € 337,25

b) vervangen 3 fase kWh-meter € 36,30

c) onderzoekskosten kWh-meter € 99,00

d) kosten werkzaamheden fraude-inspecteur € 144,00

3.3.

De rechtbank heeft bij vonnis van 10 april 2014 Enexis opgedragen te bewijzen dat over de periode 22 maart 2005 tot en met 22 oktober 2010 een verbruik van 75.203 kWh niet op de elektriciteitsmeter, die in de woning van [geïntimeerde] in deze periode heeft gehangen, is geregistreerd. De rechtbank heeft bij vonnis van 10 juli 2014 geoordeeld dat Enexis niet is geslaagd in haar bewijsopdracht. De rechtbank heeft de vordering ad € 5.587,58 derhalve afgewezen. De gevorderde bijkomende kosten ad € 616,55 heeft de rechtbank toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.4.

Enexis is volgens het petitum van de appeldagvaarding alleen van het eindvonnis van 10 juli 2014 in appel gekomen, maar uit de memorie van grieven en de daarin aangevoerde grief 1 blijkt dat bedoeld is ook in appel te komen van het tussenvonnis van 10 april 2014.

Met grief 1 klaagt Enexis erover dat de rechtbank in het tussenvonnis aan Enexis heeft opgedragen te bewijzen dat over de periode 22 maart 2005 tot en met 22 oktober 2010 een verbruik van 75.203 kWh niet op de kWh-meter, die in de woning van [geïntimeerde] in deze periode heeft gehangen, is geregistreerd.

Met grief 2 betoogt Enexis dat de rechtbank in het eindvonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat Enexis niet is geslaagd in het leveren van het aan haar opgedragen bewijs.

Tot slot wordt met grief 3 opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis dat het enkele feit dat op 25 maart 2011 is geconstateerd dat de kWh-meter was beschadigd op 15 februari 2011 en het feit dat er over de periode 22 oktober 2010 tot 15 februari 2011 sprake was van een hoog of zeer hoog verbruik, nog niet maakt dat er over de periode daarvoor (vanaf 22 maart 2005) sprake is geweest van een niet geregistreerd gebruik.

3.5.

Het hof overweegt het volgende.

3.6.

Het hof deelt het op de overwegingen 4.4. tot en met 4.6. in het tussenvonnis gestoelde oordeel van de kantonrechter dat vaststaat dat het door Enexis Metering uitgevoerde onderzoek en opgemaakte rapport betrekking heeft op de uit de woning van [geïntimeerde] verwijderde meter en dat op basis van dat rapport moet worden aangenomen dat de fabrieksverzegeling was beschadigd, dat de bovenkap eerder los is geweest van de benedenkap en dat de meter beschadigingen vertoonde aan het telwerk.

3.7.

Enexis voert aan dat [geïntimeerde] aldus de mogelijkheid heeft gehad om de stand op de elektriciteitsmeter terug te draaien. Enexis voert aan dat uit het geregistreerde elektriciteitsverbruik in de periode van 22 oktober 2010 tot en met 15 februari 2011 (6.750 KwH) vergeleken met het geregistreerde elektriciteitsverbruik in de periode van 22 maart 2005 tot en met 22 oktober 2010 (25.622 KwH) moet worden afgeleid dat sprake is van niet geregistreerd verbruik.

3.8.

[geïntimeerde] betwist dat sprake is geweest van niet door de elektriciteitsmeter geregistreerd energieverbruik. Wel erkent [geïntimeerde] dat zijn elektriciteitsverbruik na 22 oktober 2010 fors is gestegen. [geïntimeerde] verklaart het veel lagere geregistreerde elektriciteitsverbruik in de periode 22 maart 2005 tot en met 22 oktober 2010 door te stellen dat hij en zijn echtgenote in deze periode jaarlijks slechts de helft van het jaar thuis waren en dat zij de andere helft van het jaar op reis waren met de pinkstergemeenschap. De gezondheidstoestand van [geïntimeerde] dwong hem, en zo ook zijn echtgenote, vanaf 2011 in de helft van het jaar dat zij anders op reis zouden zijn gegaan, thuis te blijven, zodat vanaf dat moment fors meer elektriciteit is verbruikt, aldus [geïntimeerde] .

3.9.

Op Enexis rust de stelplicht en, bij betwisting daarvan de bewijslast, terzake de geleden schade als gevolg van het niet geregistreerd verbruik door [geïntimeerde] . Nu vaststaat dat de elektriciteitsmeter beschadigingen vertoonde aan het telwerk en daarmee moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] verantwoordelijk is voor de omstandigheid dat het elektriciteitsgebruik door Enexis niet exact kan worden vastgesteld, kunnen aan die stelplicht en bewijslast geen hoge eisen worden gesteld. Met haar stelling dat het geregistreerd verbruik in de periode van 22 maart 2005 tot en met 22 oktober 2010 aanzienlijk lager is geweest dan het normaliter te verwachten gebruik, heeft Enexis in beginsel voldaan aan haar stelplicht en kan bij de becijfering van de schade van Enexis voorshands worden uitgegaan van een normaal te verwachten gebruik over de periode van 22 maart 2005 tot en met 22 oktober 2010.

3.10.

[geïntimeerde] voert aan dat in die periode sprake is geweest van een aanzienlijk lager dan normaal te verwachten gebruik omdat hij en zijn echtgenote in de periode 2005 tot 2011 jaarlijks de helft van het jaar op reis waren met de pinkstergemeenschap. Het hof zal [geïntimeerde] derhalve toelaten tot het leveren van tegenbewijs dat sprake is geweest van een aanzienlijk lager dan normaal te verwachten gebruik in de periode van 22 maart 2005 tot en met 22 oktober 2010.

3.11.

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beoordeling en beslissing in het principaal en incidenteel appel aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal appel

laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat

a. a) hij en zijn echtgenote in de periode 2005 tot 2011 jaarlijks de helft van het jaar op reis waren met de pinkstergemeenschap,

en dat

b) als gevolg daarvan sprake was van een aanzienlijk lager elektriciteitsgebruik dan normaliter te verwachten is;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. H.A.W. Vermeulen als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 12 april 2016 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

op het principaal en incidenteel appel

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, M.J.H.A. Venner-Lijten en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 maart 2016.

griffier rolraadsheer