Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:920

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-03-2016
Datum publicatie
16-03-2016
Zaaknummer
200.131.986_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1790
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:4406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vorderingen uit onrechtmatige daad (6:166 BW, 6:162 BW) en redelijkheid en billijkheid, bewijsopdracht met betrekking tot stalling van de vrachtwagens en wetenschap dat de vrachtwagens van misdrijf afkomstig waren.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 166
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.131.986/01

arrest van 15 maart 2016

in de zaak van

1 de coöperatie TVM U.A., h.o.d.n. TVM Verzekeringen,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als TVM,

advocaat: mr. J.M. Wolfs te Maastricht,

2. mr. J.J. Schelling q.q. (als curator in het faillissement van oorspronkelijk eiseres Runner Truck Lease & Rental B,.V.),

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

hierna aan te duiden als de curator,

tegen

1 CAB Truck Trading Benelux B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna aan te duiden als CAB,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] , België,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 2] ,

3. [Rystal] RySTAL SP. Z.O.O.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Polen,

hierna aan te duiden als Rystal,

4. [geïntimeerde 4] ,

wonende te [woonplaats] , Polen,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 4] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

advocaten van principaal geïntimeerden sub 1 en 2: mr. M.M. van den Boomen te Roermond,

advocaten van principaal geïntimeerden sub 3 en 4: mr. P.J.L. Tacx te Someren,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 19 mei 2015 in het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond, respectievelijk de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 103824/HAZA 10-724 gewezen vonnissen van 14 september 2011, 27 juni 2012 en 9 januari 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 19 mei 2015;

  • -

    de memorie na tussenarrest van TVM;

  • -

    de antwoordmemorie na tussenarrest van [geïntimeerde 2] en CAB;

  • -

    de antwoordmemorie na tussenarrest met producties (genummerd 57 en 58) van Rystal en [geïntimeerde 4] ;

  • -

    de antwoord op antwoord-memorie na tussenarrest van TVM in de zaak tegen Rystal en [geïntimeerde 4] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

6 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.

Bij genoemd tussenarrest is TVM niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de vonnissen van 14 september 2011 en 27 juni 2012 voor zover tussen TVM enerzijds en CAB en [geïntimeerde 2] anderzijds gewezen, alsmede in haar hoger beroep tegen het vonnis van 27 juni 2012 voor zover tussen TVM enerzijds en Rystal en [geïntimeerde 4] anderzijds gewezen. Voorts werd de zaak naar de rol verwezen voor memorie aan de zijde van TVM, opdat TVM haar standpunt nader zou uiteenzetten met betrekking tot de aanwezigheid op 13 maart 2010 van de trekker met kenteken [kenteken 6] op het terrein van CAB, dit gelet op de aangifte van [geïntimeerde 4] volgens welke de bewuste trekker op 10 maart 2010 aan Rystal was geleverd.

6.2.

Bij memorie na tussenarrest heeft TVM, kort gezegd, toegelicht dat de trekker met kenteken [kenteken 6] op 13 maart 2010 op het terrein van CAB is aangetroffen en dat de volledige betrouwbaarheid van de aangifte van [geïntimeerde 4] dat voornoemde trekker op 10 maart 2010 aan Rystal zou zijn geleverd, in twijfel moet worden getrokken. Daarbij wijst TVM er onder meer op dat [geïntimeerde 4] de aangifte eerst op 10 april 2010 heeft gedaan, dus bijna een maand na inval van de politie op het terrein van CAB (hof: dit was op 14 maart 2010.)

CAB en [geïntimeerde 2] hebben in hun antwoordmemorie onder meer aangevoerd dat er geen reden is om terughoudend te zijn bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de aangifte van [geïntimeerde 4] .

Rystal en [geïntimeerde 4] hebben in hun antwoordmemorie betoogd dat de trekker met kenteken [kenteken 6] (Duits kenteken [Duits kenteken 3] ) op 10 maart 2010 aan Rystal is geleverd door MVH Trading B.V. (hierna: MVH Trading) en dat die levering plaatsvond op het bedrijventerrein van MVH te [vestigingsplaats] , waarna de restkoopsom van € 2.000,-- werd voldaan. Vroeg in de ochtend van 11 maart 2010 is de chauffeur van Rystal met de bewuste trekker vervolgens naar Polen vertrokken, waar hij op 12 maart 2010 de trekker heeft afgeleverd. Rystal en [geïntimeerde 4] hebben ter onderbouwing van hun betoog producties overgelegd, betreffende (Euro) vignetten (waaronder ook tol), alsmede een in het Pools gestelde en een vanuit het Pools naar het Duits vertaalde verklaring van de betreffende chauffeur van Rystal.

In haar antwoord op antwoord-memorie bestrijdt TVM de betreffende producties en handhaaft zij haar betoog dat de trekker met kenteken [kenteken 6] op 13 maart 2010 bij CAB was gestald.

6.3.

Het hof herhaalt (zie r.o. 3.8.1 en 3.8.2 uit het tussenarrest) dat TVM in hoger beroep haar vordering beperkt tot (primair) vergoeding van de door haar uitgekeerde verzekeringspenningen betreffende dan wel tot afgifte van (het in deze procedure gaat om) de volgende drie trekkers:

- met het Duitse kenteken [Duits kenteken 1] (Nederlands kenteken [kenteken 1] ),

- met het Duitse kenteken [Duits kenteken 2] (Nederlands kenteken [kenteken 4] ),

- en met het Duitse kenteken [Duits kenteken 3] (Nederlands kenteken [kenteken 6] ),

Gelet op het feit dat de trekker met het Nederlandse kenteken [kenteken 3] (het Duitse kenteken [Duits kenteken 4] ) wel aan Rystal was verkocht, maar niet aan deze is geleverd, vordert TVM in dit hoger beroep niet langer vergoeding van de ter zake door haar uitgekeerde verzekeringspenningen dan wel afgifte van deze trekker en heeft zij haar eis dienaangaande verminderd.

De procedure van TVM tegen CAB en [geïntimeerde 2]

6.4.1.

Met haar vierde grief in het principaal van TVM tegen CAB en [geïntimeerde 2] stelt TVM aan de orde haar vordering in hoger beroep sub I, zoals in rechtsoverweging 3.4.1 uit het tussenarrest van 19 mei 2015 weergegeven, voor zover deze is gericht tegen CAB en [geïntimeerde 2] . Het hof zal deze vordering hierna bespreken. In dat kader worden tevens besproken de grieven 1 tot en met 5 in het incidenteel appel van CAB en [geïntimeerde 2] . Waar nodig zal op de grieven afzonderlijk worden ingegaan.

6.4.2.

Grief 2 in het incidenteel appel is onder meer gericht tegen de vaststelling door de rechtbank in rechtsoverweging 2.11 van het vonnis van 9 januari 2013 dat [geïntimeerde 2] eigenaar is van het terrein waarop CAB haar activiteiten uitoefent. In de toelichting op deze grief geven CAB en [geïntimeerde 2] echter niet aan waarom deze vaststelling niet juist is, zodat het hof ervan uitgaat dat [geïntimeerde 2] inderdaad eigenaar is van het bewuste terrein. Daarbij merkt het hof nog op dat CAB en [geïntimeerde 2] in eerste aanleg ook expliciet hebben gesteld dat het terrein van [geïntimeerde 2] is, die het op zijn beurt verhuurt aan CAB (cva CAB/ [geïntimeerde 2] randnummer 3.7). Grief 2 faalt in zoverre.

6.4.3.

Grief 2 in het incidenteel appel is voorts gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat [geïntimeerde 2] enig aandeelhouder is van CAB. CAB en [geïntimeerde 2] voeren in de toelichting op deze grief aan dat dit niet juist is en verwijzen daartoe naar een door hen overgelegd uittreksel van de Kamer van Koophandel. Blijkens zijn stellingname bij memorie van antwoord in incidenteel appel (sub 2.2.1) is ook TVM van mening dat het inderdaad niet juist is dat [geïntimeerde 2] enig aandeelhouder is van CAB. Daarmee slaagt deze grief in zoverre, maar dit leidt nog niet automatisch tot een ander eindoordeel.

6.4.4.

De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 2.14 en 2.15 van het vonnis van 9 januari 2013 geoordeeld, kort gezegd, dat de civielrechtelijke onderbouwing door CAB en [geïntimeerde 2] van de aanwezigheid bij CAB van de drie genoemde vrachtwagens gebrekkig is en dat er twijfel is over de validiteit van de factuur van 15 maart 2010 (zie r.o. 3.1.5 uit het tussenarrest).

In aansluiting op hetgeen in beide voornoemde rechtsoverwegingen is geoordeeld, overwoog de rechtbank in rechtsoverweging 2.16 van het vonnis van 9 januari 2013 als volgt:

“Mocht dit, eventueel na [geïntimeerde 2] en CAB in de gelegenheid te hebben gesteld voor het leveren van tegenbewijs, tot de conclusie leiden dat [geïntimeerde 2] en CAB van de verduistering van de op hun terrein gestalde trekkers afwisten (heling), dan is er nog steeds niet de stap genomen dat ook de vier via MVH verdwenen trekkers bij CAB gestald hebben gestaan. De rechtbank stelt vast dat daar geen aanwijzingen voor zijn en is van oordeel dat er onvoldoende is gesteld of aangevoerd om aan te nemen dat dit het geval moet zijn geweest. Dit leidt tot afwijzing van het gevorderde.”

De vierde grief van TVM in het principaal appel is tegen deze overweging gericht.

6.4.5.

TVM baseert haar vorderingen jegens CAB en [geïntimeerde 2] op groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW, op aansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW, alsmede op aansprakelijkheid op grond van de redelijkheid en billijkheid.

6.4.6.

TVM licht toe dat de drie in rechtsoverweging 6.3 genoemde trekkers op het terrein van CAB gestald hebben gestaan. Wat betreft de trekker met kenteken [kenteken 6] , één van de genoemde vrachtwagens, voert TVM aan dat de heer [directeur van Runner] , directeur van Runner, en de heer [medewerker van DLLL] , een medewerker van Lage Landen Lease, op 13 maart 2010 hebben vastgesteld dat deze trekker op het terrein van CAB gestald stond. Volgens TVM wisten CAB en [geïntimeerde 2] dan wel behoorden zij te weten dat de genoemde drie trekkers van misdrijf afkomstig waren.

6.4.7.

CAB en [geïntimeerde 2] hebben gemotiveerd weersproken dat de genoemde drie trekkers op het terrein van CAB gestald hebben gestaan, alsmede dat zij wisten of behoorden te weten dat deze trekkers van een misdrijf afkomstig waren.

6.4.8.

Gelet op deze gemotiveerde betwisting en het bewijsaanbod van TVM zal het hof TVM, op wie de bewijslast rust, toelaten haar stellingen te bewijzen, zoals in het dictum wordt overwogen.

6.4.9.

Het hof wijst er daarbij op dat waar het de stalling van de trekkers betreft, bewezen dient te worden dat ieder van de drie genoemde trekkers (dus niet enkel de trekker met kenteken [kenteken 6] ) op het terrein van CAB gestald heeft gestaan.

6.4.10.

In afwachting van de bewijslevering wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

De procedure van TVM tegen Rystal en [geïntimeerde 4]

6.5.

In afwachting van de bewijslevering in de procedure tussen TVM en CAB en [geïntimeerde 2] wordt iedere verdere beslissing aangehouden. Na bewijslevering zal het hof nader ingaan op hetgeen Rystal en [geïntimeerde 4] naar voren hebben gebracht in het kader van de nadere toelichting op grond van het tussenarrest van 19 mei 2015.

7 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

in de procedure van TVM tegen CAB en [geïntimeerde 2]

laat TVM toe te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de trekker(s) met het Nederlandse kenteken [kenteken 1] en/of het Nederlandse kenteken [kenteken 4] en/of het Nederlandse kenteken [kenteken 6] op het terrein van CAB gestald heeft/hebben gestaan en dat CAB en/of [geïntimeerde 2] wist/wisten of behoorde(n) te weten dat deze trekkers of één of meerdere daarvan van misdrijf afkomstig was/waren;

bepaalt voor het geval partijen of één van hen bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. M.J.H.A. Venner-Lijten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te ’s-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 29 maart 2016 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaten tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zullen opgeven aan de wederpartij en de civiele griffie;

in de procedure van TVM tegen CAB en [geïntimeerde 2] en van TVM tegen Rystal en [geïntimeerde 4]

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.W. Vermeulen, M.J.H.A. Venner-Lijten en M.J. Pesch en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 maart 2016.

griffier rolraadsheer