Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:915

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-03-2016
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
20-003276-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Terugwijzing door de Hoge Raad. Schietincident tussen verdachte en de politie in Best op 23 augustus 2011. Omdat het hof voorbedachte raad niet bewezen acht, wordt verdachte vrijgesproken van poging tot moord. Bewezenverklaring van poging tot doodslag (287 Sr). Ondanks het feit dat het hof ervan uitgaat dat niet verdachte maar de politie als eerste heeft geschoten, komt de verdachte geen beroep op noodweer(exces) toe nu er voor hem nimmer een noodweersituatie heeft bestaan. Dit laatste geldt wel voor de verbalisant die als eerste schoot. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003276-14

Uitspraak : 14 maart 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 september 2012, in de ter terechtzitting gevoegde strafzaken met de parketnummer 01-825447-11 en 01/821311-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in PI Zuid West - De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Procesgang

Bij voormeld vonnis is de verdachte:

  • -

    vrijgesproken van poging tot moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 1 impliciet primair in de zaak met parketnummer 01‑825447-11) en van opzet- dan wel schuldheling van een telefoon (feit in de zaak met parketnummer 01‑821311‑11);

  • -

    veroordeeld ter zake van poging tot doodslag op voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (feit 1 primair in de zaak met parketnummer 01‑825447-11) en het voorhanden hebben van een (stroomstoot)wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III (feit 2 in de zaak met parketnummer 01‑825447-11) tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van voorarrest.

Voorts is een beslissing genomen op de vorderingen van de benadeelde partijen en ten aanzien van het beslag.

De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 20 maart 2013 met parketnummer 20-003208-12 heeft dit hof:

  • -

    het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder parketnummer 01-821311-11 ten laste gelegde (heling/schuldheling van een Nokia telefoon);

  • -

    de verdachte veroordeeld ter zake van poging tot moord, meermalen gepleegd (feit 1 impliciet primair in de zaak met parketnummer 01‑825447-11), en het voorhanden hebben van een (stroomstoot)wapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III (feit 2 in de zaak met parketnummer 01‑825447-11) tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest.

Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en ten aanzien van het beslag.

De verdachte heeft tegen dit arrest onbeperkt beroep in cassatie ingesteld.

Bij arrest van 14 oktober 2014, nr. S 13/04714, heeft de Hoge Raad der Nederlanden het arrest van dit hof van 20 maart 2013 vernietigd maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het (in de zaak met parketnummer 01‑825447-11) onder 1 ten laste gelegde en de strafoplegging en de zaak teruggewezen naar dit hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Als gevolg hiervan is de beslissing van dit hof bij arrest van 20 maart 2013 tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het hoger beroep in de zaak met parketnummer 01-821311-11 en de veroordeling voor feit 2 in de zaak met parketnummer 01‑825447-11 – behoudens de stafoplegging – na de terugwijzing door de Hoge Raad, niet meer aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is door de benadeelde partijen verklaard dat hun schadevergoedingsvorderingen inmiddels door hun werkgever, de Nationale politie, aan hen zijn voldaan. Hiermee is komen vast te staan dat zij de door hen gevorderde schade volledig vergoed hebben gekregen. Deze vorderingen zijn vervolgens in de procedure niet meer besproken.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens verdachte door diens raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, meermalen gepleegd, bewezen zal verklaren en verdachte voor dat feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek van voorarrest;

  • -

    op de voet van art. 423 lid 4 Sv de straf voor feit 2 zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;

  • -

    dezelfde beslissingen zal nemen aangaande het beslag als het hof heeft gedaan in het arrest van 20 maart 2013.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat:

  • -

    verdachte wordt vrijgesproken van poging tot moord en (zo begrijpt het hof) zich gerefereerd aan het oordeel van het hof wat betreft bewezenverklaring voor het overige;

  • -

    verdachte ter zake van feit 1 wordt ontslagen van alle rechtsvervolging nu hem een beroep op noodweer(exces) toekomt.

Voorts heeft de verdediging betoogd dat, indien het beroep op noodweer(exces) niet wordt gehonoreerd, verdachte wordt veroordeeld tot de straf zoals opgelegd door de rechtbank. Ten slotte heeft de verdediging zich aangaande het beslag gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 augustus 2011 te Best, meermalen, althans eenmaal, ter uitvoering van de/het door verdachte voorgenomen misdrijven/misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 1] (hoofdagent van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost) en/of [slachtoffer 2] (agent van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost) van het leven te beroven, (telkens) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, op korte afstand meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van die/dat voorgenomen misdrijven/misdrijf niet is voltooid;


subsidiair,
hij op of omstreeks 23 augustus 2011 te Best meermalen, althans eenmaal, ter uitvoering van de/het door verdachte voorgenomen misdrijven/misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] (hoofdagent van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost) en/of [slachtoffer 2] (agent van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met dat opzet op korte afstand meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van die/dat voorgenomen misdrijven/misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 augustus 2011 te Best, ter uitvoering van de door verdachte voorgenomen misdrijven om opzettelijk [slachtoffer 1] (hoofdagent van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost) en [slachtoffer 2] (agent van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost) van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen heeft geschoten in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van die voorgenomen misdrijven niet is voltooid.


Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Voorbedachte raad

De tenlastelegging houdt allereerst in dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld toen hij met een vuurwapen schoot op de agenten van politie [slachtoffer 1] (hoofdagent) en [slachtoffer 2] (agent), hierna te noemen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het

besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Verdachte droeg op 23 augustus 2011 een vuurwapen bij zich dat op enig moment is gezien door een andere persoon. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat die persoon het wapen had gezien. Daarnaast ging verdachte ervan uit dat die persoon de politie daarvan in kennis had gesteld en dat de politie er dus van op de hoogte was dat hij een vuurwapen bij zich droeg op het moment dat hij door [slachtoffer 1] werd aangesproken op de Hoofdstraat. In het dossier bevindt zich echter geen aanwijzing dat verdachte reeds voorafgaande aan dat eerste contact met [slachtoffer 1] had besloten om bij een eventuele confrontatie met de politie zijn pistool te gebruiken.

Het besluit om op de politie te gaan schieten kan, naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen, op zijn vroegst geacht worden te zijn genomen door verdachte toen hij wegrende van [slachtoffer 1] en tegelijkertijd zijn pistool trok en dat achterwaarts op [slachtoffer 1] richtte. Naar het hof aanneemt heeft [slachtoffer 1] toen als eerste geschoten (zie hierna in de overwegingen van het hof betreffende de strafbaarheid van het feit en van verdachte). Verdachte is weggerend over de Hoofdstraat en de Sint Odulphusstraat in gerend, achtervolgd door de agenten, waarna een vuurgevecht plaats vond tussen de verdachte in de Sint Odulphusstraat en de agenten op de hoek van de Hoofdstraat en de Sint Odulphusstraat. Tussen het moment waarop verdachte wegrende en het moment waarop hij zich heeft overgegeven aan de politie liggen ten hoogste enkele tientallen seconden, binnen welke periode verdachte terwijl hij wegrende werd beschoten. Deze tijdspanne is zo kort en de spanning zo groot, dat niet kan worden gesproken van een reële mogelijkheid om zich rekenschap te geven van zijn kennelijke besluit om op de politie te schieten

Het lijkt er veeleer op dat het schieten door verdachte het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling toen hij bemerkte dat de agenten voornemens waren hem te fouilleren.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat de verdachte op enig moment een reële gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof daarom niet bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van poging tot moord.

Nu door verdachte met scherpe kogels tenminste zeven maal op betrekkelijk korte afstand op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is geschoten waarbij de aanmerkelijk kans heeft bestaan dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] dodelijk zouden worden getroffen, acht het hof poging tot doodslag bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en strafbaarheid van de verdachte

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd,

en is strafbaar gesteld in art. 45 Sr en art. 287 Sr.

De verdediging heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van het onder 1 (primair) ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld in een situatie van noodweer dan wel noodweerexces.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat op de Hoofdstraat geen noodweersituatie voor verbalisanten heeft bestaan omdat verdachte daar niet als eerste heeft geschoten maar alleen maar zijn wapen heeft gepakt. Verdachte komt daarentegen wel een geslaagd beroep op noodweer toe. Het schieten van [slachtoffer 1] op de Hoofdstraat in de richting van verdachte dient namelijk als wederrechtelijk te worden aangemerkt. Aangezien verbalisanten ook daarna met getrokken wapens achter verdachte aan gingen, bestond er voor verdachte geen andere mogelijkheid zichzelf te verdedigen dan door terug te schieten. Zijn handelen tegen de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de verbalisanten valt binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Mocht het hof van oordeel zijn dat het handelen van verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, komt verdachte een beroep op noodweerexces toe, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Eerst zal het hof vaststellen wie als eerste heeft geschoten.

Op 23 augustus 2011 waren de agenten van politie [slachtoffer 1] (hoofdagent) en [slachtoffer 2] (agent) belast met de noodhulp te Best. Naar aanleiding van een melding van de meldkamer op 23 augustus 2011 omstreeks 19:55 uur keken zij uit naar een blanke man met een wit T-shirt die kort daarvoor in Best op het spoor had gelopen en daarna was gesignaleerd met een vuurwapen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zagen vanuit hun dienstauto even later een man met dat signalement als passagier in een taxi zitten en uitstappen op de Hoofdstraat in Best ter hoogte van de parkeerplaatsen bij de kerk. [slachtoffer 1] parkeerde vervolgens de dienstauto achter de taxi op de Hoofdstraat (zuidzijde) ter hoogte van de Kerkstraat en beide agenten stapten uit. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] riepen verdachte aan en deze bevestigde desgevraagd dat hij tevoren op het spoor had gelopen. Terwijl [slachtoffer 2] de gegevens op het identiteitsbewijs van verdachte in de dienstauto aan het natrekken was, vroeg [slachtoffer 1] aan verdachte of deze iets bij zich had dat hij niet bij zich mocht hebben. Nadat verdachte had geantwoord, “dat is voor jou een vraag en voor mij een weet”, is verdachte na de aankondiging van [slachtoffer 1] dat verdachte zou worden gefouilleerd weggerend. Verdachte is daarbij schuin links de Hoofdstraat overgestoken naar de noordzijde en uiteindelijk de Sint Odulphusstraat ingerend, achtervolgd eerst door [slachtoffer 1] en later ook door [slachtoffer 2]. Daarbij zijn van de zijde van verdachte en van de agenten verschillende schoten gelost waarbij enerzijds verdachte en anderzijds [slachtoffer 1] door een of meer kogels zijn getroffen.

Op de Hoofdstraat (zuidzijde) zijn nabij het politievoertuig vijf hulzen aangetroffen, afkomstig van politiemunitie. Op het trottoir rechts van voormelde vindplaats een aantal meters verder richting de Nazarethstraat is een patroon aangetroffen met sporen waaruit blijkt dat deze patroon is doorgeladen in het vuurwapen van verdachte. Op het trottoir en de rijbaan op de hoek van de Hoofdstraat (noordzijde) met de Sint Odolphusstraat lagen vijf hulzen afkomstig van door de politie afgevuurde patronen en op het trottoir en de rijbaan van de Sint Odolphusstraat lagen zeven hulzen afkomstig van afgevuurde patronen uit het pistool van verdachte.

Over wie het eerste schot heeft gelost, lopen de lezingen uiteen. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] komen erop neer dat verdachte op de Hoofdstraat als eerste een schot in de richting van [slachtoffer 1] heeft gelost en op diezelfde Hoofdstraat nog meermalen op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Verdachte echter heeft ontkend zijn wapen op de Hoofdstraat te hebben afgevuurd. Verdachte heeft verklaard enkel vanuit de Sint Odulphusstraat op de agenten te hebben geschoten.

Verschillende omstanders zijn getuige geweest van (delen van) het schietincident en hebben ter zake verklaringen afgelegd. Het hof acht de verklaringen van de getuige [getuige 1] het meest betrouwbaar en overweegt daartoe het volgende.

Tijdens voormeld onderhoud tussen [slachtoffer 1] en verdachte op de Hoofdstraat terwijl [slachtoffer 2] in de dienstauto zat, bevond [getuige 1] zich namelijk in een stilstaande auto op het kruispunt van de Kerkstraat met de Hoofdstraat tegenover de op datzelfde kruispunt aan de overkant van de weg staande politieauto met goed zicht op de Hoofdstraat en op hetgeen zich afspeelde tussen verdachte en de agenten. Dat [getuige 1] op enige wijze in zijn waarnemingen was beperkt, is niet gebleken. Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 1] ook dat er niets was waardoor zijn zicht werd gehinderd. Bovendien heeft [getuige 1] zijn eerste verklaring onmiddellijk na het incident ter plaatse afgelegd (p. 122-123 van het politiedossier).

Die verklaring van [getuige 1] komt erop neer dat verdachte en [slachtoffer 1] een meningsverschil kregen, van elkaar terugdeinsden, verdachte het vervolgens op een rennen zette en terwijl hij rende een vuurwapen naar achteren richtte in de richting van de agenten. [slachtoffer 1] had op dat moment zijn wapen getrokken en vuurde een drietal schoten op verdachte die toen rende in de richting van café “ het Blauwe Boerke” (hof: op de hoek van de Hoofdstraat met de St. Odulphusstraat). [getuige 1] zag dat verdachte vervolgens de Sint Odulphusstraat in rende en dat de agenten verdachte achterna renden. Op dat moment hoorde [getuige 1] nog een viertal schoten waarvan de schoten onderling van klank verschilden.

[getuige 1] verklaarde een dag na het incident dat verdachte tijdens het wegvluchten over de Hoofdstraat achterom keek en het vuurwapen continue met gestrekte arm naar achteren gericht hield in de richting van [slachtoffer 1] en dat hij verdachte geen enkele keer heeft zien schieten (p. 125-126 politiedossier). [getuige 1] verklaarde tegenover de rechter-commissaris op 23 januari 2012 dat hij de terugslag heeft gezien van het wapen van [slachtoffer 1] en dat hij er zeker van is dat [slachtoffer 1] als eerste schoot en dat hij verdachte (op de Hoofdstraat, hof) niet heeft zien schieten.

De verklaringen van [getuige 1] worden ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 2], een ex-politieagent. Deze heeft verklaard dat het eerste salvo van schoten (hof: op de Hoofdstraat) gezien het ritme van de schoten van één wapen afkomstig zal kunnen zijn en dat het tweede salvo schoten (hof: op (de hoek van de Hoofdstraat met) de Sint Odulphusstraat) van verschillende wapens afkomstig was, omdat deze heel kort op elkaar klonken (p. 145 politiedossier).

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] wordt bovendien bevestigd door het technisch onderzoek en de bevindingen van deskundige D.W. Zoetmulder. Daaruit blijkt het volgende. De patroonhouder van het door verdachte gehanteerde vuurwapen kon maximaal acht patronen bevatten. Volgens de deskundige Zoetmulder is het mogelijk dat in de kamer van het wapen van verdachte aanvankelijk nog een patroon aanwezig was. Er is geen enkele aanwijzing dat verdachte op enig moment gedurende het voorval een lege patroonhouder uit zijn wapen heeft verwijderd en een nieuwe patroonhouder in zijn wapen heeft gedaan. Dan zou er namelijk op het door verdachte afgelegde traject een leeg magazijn gevonden moeten zijn gelet op de korte tijdspanne tussen het incident en het afzetten van de plaats delict (15 minuten). Dit betekent dat verdachte tijdens het schietincident over maximaal negen patronen heeft kunnen beschikken.

Uit de op de Sint Odulphusstraat gevonden hulzen kan worden afgeleid dat verdachte daar in totaal zeven maal heeft geschoten. Voorts is er in de Hoofdstraat een scherpe, dus niet afgeschoten, patroon gevonden afkomstig uit het wapen van verdachte. Op grond van het feit dat uit onderzoek is gebleken dat deze patroon zich naar alle waarschijnlijkheid reeds in de kamer van het pistool van verdachte bevond, gaat het hof met deskundige Zoetmulder ervan uit dat deze patroon uit het wapen van verdachte is gevallen toen verdachte het wapen op de Hoofdstraat – andermaal – heeft doorgeladen.

Het voorgaande houdt in dat een eventueel eerste schot door verdachte in de Hoofdstraat met een negende patroon zou moeten zijn verricht. Er is in de Hoofdstraat ondanks de inzet van een politiespeurhond explosieven echter geen met het wapen van verdachte verschoten lege huls of afgevuurde kogel noch kruitsporen gevonden. Het hof acht niet aannemelijk dat er een lege huls op enige wijze vanuit de Hoofdstraat is verdwenen bij afwezigheid van enige aanwijzing daartoe en gelet ook op de korte tijdspanne tussen het incident en het afzetten van de plaats delict (15 minuten). Zoals gezegd, zijn daar ook geen aan het schieten van verdachte te relateren kruitsporen gevonden, terwijl volgens deskundige Zoetmulder een afgevuurde patroon die op de grond terecht komt een massa kruitsporen zal achterlaten.

Dit alles betekent dat moet worden aangenomen dat verdachte voorafgaande aan het schietincident acht patronen ter beschikking had. Eén daarvan is onafgeschoten aangetroffen op de Hoofdstraat en van de resterende zeven patronen zijn de hulzen gevonden op de Sint Odulphusstraat. Het hof komt derhalve tot de conclusie dat verbalisant [slachtoffer 1] op de Hoofdstraat als eerste op verdachte heeft geschoten.

Deze conclusie druist in tegen de verklaringen van verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dat verdachte als eerste heeft geschoten. Te dien aanzien overweegt het hof nog dat beide verbalisanten hebben verklaard dat de verdachte reeds op de Hoofdstraat meerdere malen in de richting van [slachtoffer 1] heeft geschoten. Naar het oordeel van het hof kunnen deze verklaringen van verbalisanten echter niet juist zijn. De vaststelling dat de verdachte gedurende het schietincident maximaal heeft kunnen beschikken over negen patronen, waarvan er één onafgevuurd op de Hoofdstraat terecht is gekomen en verdachte er zeven heeft verschoten op de Sint Odulphusstraat tijdens incident 2, laat namelijk nog ruimte voor maximaal één schot door verdachte op de Hoofdstraat.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het handelen van verdachte op de Hoofdstraat door [slachtoffer 1] als een onmiddellijk dreigend gevaar voor de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn leven moest worden beschouwd. Immers heeft verdachte tijdens zijn vlucht om aan een fouillering door de politie te ontkomen niet alleen een vuurwapen getrokken maar dit ook doorgeladen en, blijkens de verklaring van getuige [getuige 1]), tijdens het wegvluchten continue met gestrekte arm naar achteren gericht gehouden in de richting van [slachtoffer 1]. Begrijpelijkerwijs heeft [slachtoffer 1] dit opgevat als het levensbedreigende risico dat verdachte op hem zou schieten. [slachtoffer 1] verkeerde aldus in een noodweersituatie. Dat [slachtoffer 1] eerst een waarschuwingsschot had moeten lossen, zoals door de verdediging aangevoerd, was gelet op de acute levensbedreigende situatie voor hem en eventuele passanten niet aan de orde. De reactie van [slachtoffer 1], het trekken van zijn dienstwapen en het (een aantal malen, namelijk vijf gelet op de aangetroffen hulzen van politiemunitie op de Hoofdstraat) schieten in de richting van verdachte ter uitschakeling van het vanuit verdachte dreigende gevaar, was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf en/of dat van een ander. Dit schieten dient dan ook niet als wederrechtelijk te worden aangemerkt, zodat er ook geen sprake van was dat verdachte wederrechtelijk werd aangerand. Met andere woorden: verdachte verkeerde zelf niet in een noodweersituatie.

Verdachte is daarna met het vuurwapen in zijn hand langs een druk terras gerend en heeft vervolgens getracht via de Sint Odulphusstraat te ontkomen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waren gerechtigd met getrokken dienstwapen achter deze wegvluchtende vuurwapengevaarlijke verdachte aan te gaan om een einde te maken aan deze potentieel levensgevaarlijke situatie in een gebied met veel publiek. Ook in de Sint Odulphusstraat verkeerde verdachte dus niet in een situatie waarin hij wederrechtelijk werd aangevallen of dreigde te worden aangevallen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben zich juist met gevaar voor eigen leven gekweten van hun taak en plicht om te trachten een gevaarlijke verdachte aan te houden en het publiek te beschermen. Verdachte had zichzelf in de Sint Odulphusstraat aan verbalisanten kunnen en moeten overgeven. In plaats daarvan heeft hij gericht geschoten op [slachtoffer 1] en deze daarbij geraakt. Daarna heeft hij ook in de richting van [slachtoffer 2] gevuurd.

Conclusie van het voorgaande is dat voor verdachte nimmer een noodweersituatie heeft bestaan, zodat hem een beroep op noodweer noch op noodweerexces toekomt.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Voorts heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte droeg op 23 augustus 2011 omstreeks 20.00 uur in het centrum van Best een met een scherpe patroon geladen vuurwapen met een vol magazijn waarvoor hij geen vergunning had. Om aan de politie te ontkomen, was verdachte bereid het leven van twee agenten alsook van onschuldige omstanders in gevaar te brengen, door in totaal zeven keer in het drukke centrum van Best in de richting van die agenten te schieten. Het mag een wonder heten dat hierdoor niemand het leven heeft gelaten. Wel is verbalisant [slachtoffer 1] door toedoen van verdachte zodanig gewond geraakt dat hij daar zelfs anno 2016 nog dagelijks last van heeft. De verklaring van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] ter terechtzitting in hoger beroep hebben duidelijk gemaakt welke impact de gevolgen van de schietpartij ruim vier jaar later nog heeft op henzelf en op hun familie. Geen van beide verbalisanten werkt momenteel nog in de noodhulp op straat terwijl dat wel hun ambitie was. Politieagenten verdienen bijzondere bescherming wanneer zij bij het uitoefenen van hun functie slachtoffer worden van strafbaar handelen. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat dergelijk gewelddadig handelen in de openbare ruimte leidt tot veel maatschappelijk onrust en gevoelens van onveiligheid en angst bij het publiek.

Verdachte heeft op geen enkel moment tijdens het proces enig berouw getoond. Integendeel, verdachte vindt zijn eigen gedrag volstrekt logisch en gerechtvaardigd en verwijt de agenten onverantwoord gedrag. Het hof trekt hieruit de conclusie dat verdachte beschikt over een gebrekkige gewetensfunctie en dat hem weinig is gelegen aan het welzijn van anderen. Verdachte heeft geweigerd mee te werken aan een gedragskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum, zodat geen inzicht is verkregen in zijn gedachtegang en gevoelsleven. Het hof heeft de sterke vrees dat verdachte een ernstig gevaar vormt voor de samenleving, te meer nu verdachte heeft aangegeven een liefhebber te zijn van vuurwapens.

Er zijn geen gronden gebleken om de verdachte als enigermate verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die zouden moeten leiden tot matiging van de straf. Uit het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 december 2015 blijkt dat hij in het verleden meermalen onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.

De strafoplegging betreft mede de veroordeling voor feit 2 (parketnummer 01‑825447-11), zoals bewezen verklaard door het hof in zijn arrest van 20 maart 2013 en gekwalificeerd als “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van de categorie II, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van de categorie III.”

Het hof komt tot de slotsom dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor lange duur op zijn plaats is en dat niet, zoals is bepleit door de raadsman, kan worden volstaan met de gevangenisstraf zoals opgelegd door de rechtbank. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zullen worden afgewezen, nu ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat hun werkgever, de Nationale politie, beide vorderingen volledig en onvoorwaardelijk aan hen heeft vergoed.

De Nationale politie kan niet als direct benadeelde van het bewezen verklaarde feit worden beschouwd nu zij geen directe schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde.

Beslag

Ten aanzien van de in beslag genomen goederen zal het hof beslissen als hierna te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36c, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

- nr. 1: 1 pistool Walther P1 (goednummer 411618);

- nr. 8: 1 stroomstootwapen (in de vorm van GSM) (goednummer 441310);

- nr. 11: 1 stuks munitie (kogelpunt) (goednummer 411007).

Gelast de teruggave aan P.E.M. Bressers van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

- nr. 12: 1 autoband (goednummer 413039).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp:

- nr. 10: beddengoed (deken en bedonderlegger uit ambulance) (goednummer 411006).

Gelast de teruggave aan verdachte van de volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

- nr. 3: 2 sokken (bebloed; 1 met 2 gaten) (goednummer 413671);

- nr. 4: 1 T-shirt (bebloed; 1 gat) (goednummer 413681);

- nr. 5: 1 onderbroek (bebloed; 2 gaten) (goednummer 413674);

- nr. 6: 1 spijkerboek (bebloed; 3 gaten) (goednummer 413686);

- nr. 7: 2 schoenen (bebloed; 1 gat in linkerschoen) (goednummer 413692);

- nr. 9: 9 kledingstukken (gedragen tijdens aanhouding) (goednummer 411005).

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot schadevergoeding af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte kosten, begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Nieuwendijk, griffier,

en op 14 maart 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.