Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:914

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
200 172 203_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 10 maart 2016

Zaaknummer: 200.172.203/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/0/283250/FA RK 14-4728

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.A. Knopper,

tegen

[verweerster] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M.W.F. van Wijk.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 maart 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 juni 2015, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover het betreft de vaststelling van de kinderalimentatie, en, opnieuw rechtdoende, de beschikking van 4 april 2008 en het tussen partijen ondertekende convenant te wijzigen in dier voege, dat de man per 26 augustus 2014 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten aanzien van de hierna nader te noemen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te voldoen van € 46,- per kind per maand en te bepalen dat met ingang van 15 april 2015 de bijdrage wordt vastgesteld op € 30,- per kind per maand, althans een bedrag en met ingang van een datum die het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2015, heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 februari 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Knopper;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Van wijk.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 27 januari 2016;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 28 januari 2016;

  • -

    de ter zitting door de advocaat van de man overgelegde draagkrachtberekening.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 20 mei 1998 gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] .

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2.

Bij beschikking van 4 april 2008 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 11 april 2008 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – voorts, voor zover thans van belang, het door partijen ondertekende convenant onder verwijzing daarnaar opgenomen voor wat betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 171,32 per kind per maand.

De bijdrage voor de kinderen beloopt ingevolge de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2014 € 198,98 per maand, 1 januari 2015 € 192,51 per kind per maand en 1 januari 2016 € 195,01 per maand.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch en het tussen partijen ondertekende convenant gewijzigd, voor wat betreft de bijdrage, door de man te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aldus, dat deze bijdrage met ingang van 26 augustus 2014 nader wordt bepaald op € 86,- per kind per maand.

3.4.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De grieven van de man betreffen – zakelijk weergegeven – :

- de behoefte van de kinderen (grief I);

- de gehanteerde inkomsten van de man (grieven II en III);

- de onderhoudsplicht van de man jegens zijn stiefzoon (grief IV).

Ingangsdatum wijziging

3.6.

De ingangsdatum van de wijziging van de eerder vastgestelde onderhoudsbijdrage, zijnde 26 augustus 2014, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte

3.7.

De behoefte van [minderjarige 1] van € 258,96 per maand en van [minderjarige 2] van € 398,96 per maand in 2015 is in hoger beroep in geschil.

3.8.

Het hof zoekt voor de vaststelling van de behoefte aansluiting bij de ‘tabel eigen aandeel kosten van kinderen’ en de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen zoals deze vanaf 1 januari 2013 luidt, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk.

3.9.

Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

3.10.

Het netto besteedbaar inkomen is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die de onderhoudsgerechtigde daarover verschuldigd is, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen.

3.11.

Het hof gaat bij de becijfering van het netto besteedbaar inkomen van de man en de vrouw uit van de volgende door de man onweersproken gestelde gegevens:

Het inkomen van de man van € 29.360,- bruto per jaar en het inkomen van de vrouw van € 383,30 netto per maand inclusief vakantietoeslag.

3.12.

Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert het hof het netto besteedbaar inkomen van de man ten tijde van het huwelijk op € 1.836,- per maand en dat van de vrouw op € 383,30 per maand. Aldus becijfert het hof het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk op € 2.219,- per maand.

3.13.

Met inachtneming van de voor het jaar 2008 geldende ‘tabel eigen aandeel kosten kinderen’ en de leeftijd van de kinderen in 2008 kan de totale behoefte van de kinderen in 2008 worden vastgesteld op circa € 457,- per maand, derhalve € 228,50 per kind per maand.

Per 1 januari 2014 bedraagt de naar analogie van artikel 1:402a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geïndexeerde behoefte van de kinderen € 254,74 per kind per maand.

3.14.

Het hof zal, nu daartegen niet gegriefd is, evenals de rechtbank de behoefte van [minderjarige 2] verhogen met € 140,- per maand aan bijzondere kosten speltherapie.

Het hof zal de behoefte van [minderjarige 1] verhogen met € 83,79 aan bijzondere kosten medicatie. Het hof overweegt ten aanzien van [minderjarige 1] dat de vrouw deze kosten voldoende heeft onderbouwd en dat niet ter discussie staat dat de vrouw een bedrag van € 83,79 per maand aan kosten voldoet voor medicijnen ten behoeve van [minderjarige 1] .

3.15.

Bovenstaande leidt er toe dat in 2014 de behoefte van [minderjarige 1] € 338,53 per maand en voor [minderjarige 2] € 394,74 per maand bedraagt.

3.16.

Voor de volledigheid overweegt het hof dat het kindgebonden budget niet meer in mindering strekt op de behoefte van de kinderen, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015.

Draagkracht

3.17.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld.

Het hof volgt ook in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, zoals deze vanaf 1 april 2013 luidt, inhoudende dat het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht.

Het bedrag aan draagkracht voor inkomens vanaf een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.500,- wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 860 (2014)/ € 875,- (2015))]. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

Voor inkomens met een netto besteedbaar inkomen lager dan € 1.500,- zijn vaste bedragen per categorie van toepassing, volgens de gepubliceerde tabellen.

3.18.

De man ontving in de periode van 28 augustus 2014 tot 16 september 2015 en vanaf 24 december 2015 een WW-uitkering.

In de periode van 28 augustus 2014 tot 16 september 2015 bedroeg het inkomen van de man, op basis van het dagloon van € 78,53 bruto per dag, € 1.701,46 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat zijn WW-uitkering lager is, omdat hij slechts 33 uren in plaats van 40 uren per week werkt, nu dit naar het oordeel van het hof reeds in het dagloon is verwerkt.

In de periode vanaf 24 december 2015 bedroeg het inkomen van de man € 1.601,38 bruto per maand inclusief vakantietoeslag, op basis van het dagloon van € 73,91 bruto.

De man heeft recht op de algemene heffingskorting.

Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat voor de bepaling van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met de inkomsten uit arbeid, nu het hof voldoende aannemelijk acht dat de man zich voldoende inspant om inkomsten uit arbeid te verwerven. De man heeft immers gedurende een periode, gelegen na de indiening van het appel, inkomsten uit arbeid genoten en heeft onbestreden gesteld hulp te krijgen van het UWV bij het zoeken naar vacatures evenals bij het solliciteren.

Ter zitting heeft de man zijn appel over de periode van 16 september 2015 tot 24 december 2015 ingetrokken, omdat hij in die periode werkzaam was bij [werkgever] en derhalve in staat was de door de rechtbank opgelegde kinderbijdrage te voldoen.

Daarbij heeft de man ter zitting van het hof zijn verzoek in appel gewijzigd in die zin dat hij het hof verzoekt de te betalen bijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de periode van 26 augustus 2014 tot 16 september 2015 en vanaf 24 december 2015 te bepalen op € 25,- per kind per maand.

3.19.

Ter zitting van het hof heeft de man grief III betreffende de inkomsten uit vermogen ingetrokken. Nu het vermogen van de man ad € 20.500,- onder het heffingsvrije vermogen valt, houdt het hof in het kader van de draagkracht van de man geen rekening met inkomsten daaruit.

3.20.

Op grond van het vorenstaande stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man op een bedrag van € 1.255,- per maand voor de periode 28 augustus 2014 tot 16 september 2015 en op een bedrag van € 1.200,- per maand vanaf 24 december 2015.

3.21.

Nu de man in de periode van 28 augustus 2014 tot 16 september 2015 een netto besteedbaar inkomen heeft tussen een bedrag van € 1.250,- en € 1.300,- netto per maand, zal het hof volgens de tabel uitgaan van een draagkracht van € 65,- per maand. Voor wat betreft de periode vanaf 24 december 2015 heeft de man een netto besteedbaar inkomen van lager dan € 1.250,- netto per maand, zodat het hof uit gaat van een minimumdraagkracht van € 50,- per maand bij twee of meer kinderen.

Onderhoudsplicht stiefzoon man

3.22.

De man stelt zich op het standpunt dat bij de bepaling van de kinderbijdrage rekening moet worden gehouden met zijn onderhoudsplicht jegens zijn stiefzoon nu de man inmiddels hertrouwd is en de stiefzoon bij hem woonachtig is. Volgens de man dient zijn draagkracht gelijk over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en de stiefzoon te worden verdeeld.

De vrouw verweert zich hiertegen en stelt daartoe dat niet bekend is hoe hoog de behoefte van de stiefzoon is en of de vader van de stiefzoon een bijdrage voldoet.

3.23.

Alhoewel de man onderhoudsplichtig is jegens de stiefzoon heeft de man het hof geen inzicht verstrekt in de behoefte van de stiefzoon, in de mogelijkheden die de vader van de stiefzoon heeft om bij te dragen in de kosten van zijn verzorging en opvoeding en in de financiële mogelijkheden van de nieuwe echtgenote van de man. Het hof overweegt hiertoe dat de mate waarin de man moet bijdragen aan de kosten van de stiefzoon afhankelijk is van de onderlinge verhoudingen. Nu de man het hof niet in staat heeft gesteld om zijn aandeel in de kosten van de stiefzoon te berekenen, zal het hof hiermee geen rekening houden.

Zorgkorting

3.24.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man aanspraak maakt op een zorgkorting van 15%.

3.25.

Nu de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen te voorzien, en dit tekort groter is dan twee maal de zorgkorting vervalt de aanspraak van de man op de zorgkorting.

3.26.

Het hof stelt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding derhalve vast op € 32,50,- per kind per maand voor de periode 28 augustus 2014 tot 16 september 2015 en op een bedrag van € 25,- per kind per maand vanaf 24 december 2015.

3.27.

De beschikking waarvan beroep dient dus gedeeltelijk te worden vernietigd, voor zover aan het hof onderworpen. Vanwege de leesbaarheid zal het hof de beschikking, voor zover aan het hof onderworpen, geheel vernietigen.

3.28.

Nu het hof de onderhoudsverplichting met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum heeft verlaagd, dient het hof aan de hand van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Daarbij is het hof niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

Bij de beoordeling in hoeverre van de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid terugbetaling van het teveel ontvangene kan worden verlangd, dient de rechter ook het belang van de onderhoudsplichtige om het teveel betaalde terug te krijgen in aanmerking te nemen.

Daartoe overweegt het hof dat hetgeen de vrouw mogelijk te veel heeft ontvangen de behoefte van de kinderen niet overschrijdt. Voorts gaat het hof ervan uit dat de vrouw de bedragen inmiddels conform hun behoefte aan de kinderen heeft besteed. Mede gelet op het feit dat de vrouw slechts een marginaal arbeidsinkomen heeft en de vrouw onbetwist bijzondere kosten dient te maken voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , acht het hof niet redelijk dat de vrouw de te veel ontvangen bedragen dient terug te betalen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch van 25 maart 2015, voor zover het betreft de kinderbijdrage,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de beschikking van 4 april 2008 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch en het tussen partijen ondertekende convenant, voor wat betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] zal voldoen een bedrag van:

- € 32,50 per kind per maand met ingang van 26 augustus 2014 tot 16 september 2015;

- € 86,- per kind per maand met ingang van 16 september 2015 tot 24 december 2015;

- € 25,- per kind per maand met ingang van 24 september 2015,

voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat de vrouw hetgeen zij ten titel van kinderalimentatie teveel heeft ontvangen, niet aan de man hoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.D.M. Lamers en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2016.