Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:910

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
200 182 610_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 10 maart 2016

Zaaknummer : 200.182.610/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/303618 JE RK 15-1606

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. N.G.A. Lafeber,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader);

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI));

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 oktober 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 december 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt, ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing en het verzoek tot uithuisplaatsing bij de vader alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 26 januari 2016, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Lafeber;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger 1 van de GI] en mevrouw [vertegenwoordiger 2 van de GI] ;

- de vader.

2.3.2.

Het hof heeft de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 26 januari 2016. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren. Tevens is [minderjarige] voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 5 oktober 2015;

  • -

    het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 4 februari 2016.

2.4.1.

Na de mondelinge behandeling is op 23 februari 2016 een brief van de moeder

d.d. 16 februari 2016 bij het hof ingekomen. Nu geen van de partijen in de gelegenheid is gesteld na afloop van de mondelinge behandeling nog stukken in de procedure in te brengen, heeft het hof beslist dat deze brief niet wordt toegelaten.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is op

[geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 oktober 2015 tot 9 oktober 2016 en machtiging verleend om [minderjarige] met ingang van 9 oktober 2015 tot 9 april 2016 uit huis te plaatsen bij de ouder zonder gezag.

3.3.

De moeder kan zich met de beslissing tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de ondertoezichtstelling.

3.4.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat het gedwongen verblijf van [minderjarige] bij de vader niet in haar belang is. De vader heeft geldzorgen. Voorts heeft de vader geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij verblijft tijdelijk in een woning van zijn zuster. De vader is wisselend in zijn uitspraken over de plaats waar hij wil wonen, de Filipijnen dan wel Nederland.

De moeder voert verder aan dat sinds [minderjarige] bij de vader woont, zij herhaaldelijk verzuimd heeft op school. De moeder acht het gevaar voor zedelijk afglijden van [minderjarige] groter in de situatie dat zij bij de vader woont dan wanneer zij bij de moeder verblijft. De moeder wijst er in dit verband op dat de vader justitiële documentatie heeft. De moeder stelt voorts dat de vader het contact tussen [minderjarige] en de moeder in de weg staat. De moeder heeft [minderjarige] al ongeveer zeven maanden niet meer gezien. [minderjarige] zit klem tussen haar ouders.

De moeder betwist dat de situatie bij haar thuis onveilig is. Zij heeft altijd goed voor [minderjarige] gezorgd. De moeder heeft een voorkeur voor psychologische behandeling van [minderjarige] bij [instelling] . Met die instelling heeft de moeder al contact.

3.5.

De raad heeft ter zitting bekrachtiging van de bestreden beschikking bepleit.

3.6.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - aan dat zij de in het verzoekschrift van de raad opgenomen gronden onderschrijft.

De vader heeft inmiddels geschikte huisvesting in Nederland en heeft zijn financiële zaken op orde. [minderjarige] heeft het naar haar zin, zowel bij de vader als op haar nieuwe school. Het veelvuldige schoolverzuim vond plaats op haar oude school. [minderjarige] is stellig in haar wens om bij de vader te wonen. Er bestaan bij de GI geen zorgen over de huidige opvoedingssituatie van [minderjarige] bij de vader.

Sinds 19 oktober 2015 toen er een vervelend incident in de bus heeft plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige] is [minderjarige] zeer angstig voor de moeder. [minderjarige] wil graag hulp van een psycholoog voor haar angsten, maar door de opstelling van de moeder is het nog niet gelukt [minderjarige] voor een passend traject aan te melden. De GI heeft inmiddels een verzoek om een gezagsbeperkende maatregel bij de rechtbank ingediend.

[minderjarige] wil op dit moment geen contact met de moeder. Bij een eventueel contactherstel dient het tempo van [minderjarige] gevolgd te worden.

3.7.

De vader heeft ter zitting verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] sinds zij bij hem woont. Ook op school doet [minderjarige] het goed.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof - na eigen beoordeling en waardering - overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b lid 1 BW. Het hof voegt daaraan het volgende toe. De GI heeft ter zitting van het hof verklaard dat het goed gaat met [minderjarige] in de thuissituatie bij de vader en dat de vader heeft laten zien dat hij handelt in het belang van [minderjarige] . Zo heeft de vader op een adequate wijze ervoor gezorgd dat [minderjarige] in januari 2016 is kunnen starten op een nieuwe school in de buurt van de woonplaats van de vader. [minderjarige] doet het goed op deze school. De GI heeft voorts onweersproken verklaard dat [minderjarige] kampt met angsten, met name voor de moeder. Voor de behandeling van deze angsten is psychologische hulp noodzakelijk, maar een passend hulpverleningstraject voor [minderjarige] komt niet van de grond, omdat de moeder, die daarover andere inzichten heeft dan de GI, geen toestemming geeft voor een behandeling van [minderjarige] in haar woonplaats. Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader nog steeds noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 9 oktober 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, M.J. van Laarhoven en

H.M.A.W. Erven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2016.