Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:881

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-02-2016
Datum publicatie
09-03-2016
Zaaknummer
20-000598-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling van een politieambtenaar. Verdachte pakt een terrasstoel, heft deze boven zijn hoofd en slaat vervolgens met kracht tegen het hoofd van de politieambtenaar. Hoewel de politieambtenaar een fietshelm droeg, kan worden vastgesteld dat er een objectief aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. De verdachte moet zich van die kans bewust zijn geweest en heeft die kans, gelet op zijn gedragingen, ook aanvaard. Door vervolgens ook nog om zich heen te slaan en stompen, te slaan en trappen in de richting van politieambtenaren en te bijten in de broek van een van hen, heeft hij zich tevens schuldig gemaakt aan wederspannigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000598-15

Uitspraak : 24 februari 2016

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-256032-14 tegen de verdachte:

[naam van de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [een datum in het jaar] 1970,

wonende te [woonplaats] (België), [adres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte wegens de onder 1 bewezen verklaarde “poging zware mishandeling gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en de onder 2 bewezen verklaarde “wederspannigheid” veroordeeld tot een geldboete van € 350,--, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis, en een taakstraf voor de duur van 130 uren, subsidiair 65 dagen vervangende hechtenis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, - gelijk de politierechter, maar met een verbeterde bewijsvoering - de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 350,--, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis, en een taakstraf voor de duur van 130 uren, subsidiair 65 dagen vervangende hechtenis

De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en met de redengeving waarop dit berust, behoudens de kwalificatie van het onder 1 bewezen verklaarde feit en de straffen die voor de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten zijn opgelegd, en met verbetering dan wel vervanging van de overwegingen omtrent het bewijs en de bestraffing.

Overweging omtrent het bewijs

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat de politierechter terecht tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is gekomen. De politierechter heeft dat oordeel echter niet gemotiveerd.

Het hof overweegt daarom als volgt. Voor een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling is onder meer vereist dat het opzet van de verdachte minst genomen in voorwaardelijke zin was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Een dergelijk voorwaardelijk opzet is aanwezig, indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden. Uit de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en uit die van de aangever, verbalisant [verbalisant 3] , blijkt dat verdachte een terrasstoel heeft opgepakt, deze boven zijn hoofd heeft geheven en vervolgens met deze stoel met kracht tegen het hoofd van aangever heeft geslagen.

In dit geval is wat betreft de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel van belang dat het slachtoffer van het door de verdachte uitgeoefende geweld, verbalisant [verbalisant 3] , weliswaar een fietshelm droeg, maar ook dat die helm niet het volledige gezicht van de verbalisant beschermde, dat het geweld (daardoor) mede aan het onbeschermde deel van het hoofd van de verbalisant werd toegebracht en dat het geweld als gezegd bestond uit het met neerwaartse kracht slaan met een terrasstoel, zijnde een voorwerp dat, naar algemeen bekend is, in ieder geval een zodanige stevigheid moet hebben dat deze een persoon kan dragen. Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat onder deze omstandigheden volgens algemene ervaringsregels kan worden vastgesteld dat er een objectief aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond en dat verdachte zich van die kans bewust moet zijn geweest. Ten slotte is het hof met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat de verdachte die aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, gelet op zijn gedragingen, ook heeft aanvaard.

Kwalificatie van het onder 1 bewezen verklaarde feit

De politierechter heeft het onder 1 bewezen verklaarde feit gekwalificeerd als “poging zware mishandeling gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, terwijl in de tenlastelegging en bewezenverklaring niet tot uitdrukking is gebracht dat het geweld is gepleegd tegen een politieambtenaar die in de rechtmatige uitoefening van de bediening was. De kwalificatie behoeft daarom verbetering. Het feit behoort als “poging tot zware mishandeling” te worden gekwalificeerd.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan (feit 1) een poging tot zware mishandeling van een politieambtenaar met behulp van een terrasstoel en (feit 2) aan wederspannigheid bestaande uit het om zich heen slaan en stompen, het slaan en trappen in de richting van politieambtenaren en het bijten in de broek van een van hen.

Voor wat betreft de ernst van deze feiten wijst het hof op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting die in verband kunnen worden gebracht met de bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling. Waar het oriëntatiepunt voor een eenvoudige mishandeling met behulp van een slagwapen nog een taakstraf voor de duur van 120 uren (subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis) als indicatie geeft, geeft het oriëntatiepunt voor zware mishandeling zonder gebruikmaking van een wapen als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Deze oriëntatiepunten houden bovendien in dat de straf met 33% tot 100% kan worden verhoogd, indien het feit is begaan tegen een politieambtenaar, zoals in het onderhavige geval. De bewezen verklaarde poging tot zware mishandeling is zwaarder dan de genoemde categorie van eenvoudige mishandelingen en minder zwaar dan de genoemde categorie van zware mishandelingen. In aanmerking genomen dat de verdachte zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan een ernstige vorm van wederspannigheid is in beginsel een sanctie gerechtvaardigd die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof zal daartoe echter niet overgaan vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In dat verband wordt overwogen dat de verdachte een zogenaamde first offender is die naar verwachting niet snel zal recidiveren en die van dit voorval, blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring, ook in zijn privéleven gevolgen heeft ondervonden.

Dit betekent echter niet dat zou kunnen worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de raadsman is bepleit. De ernst van de bewezen verklaarde feiten verzet zich daartegen.

Het hof is van oordeel dat in dit geval kan worden volstaan met een geldboete van € 750,--, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Met de oplegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt het hof de ernst van de bewezen verklaarde feiten te onderstrepen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 27, 45, 57, 63, 180 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het onder 1 bewezen verklaarde feit en ten aanzien van de opgelegde straffen, en doet in zoverre opnieuw recht;

kwalificeert het onder 1 bewezen verklaarde feit als hiervoor vermeld;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis;

beveelt dat vanwege de dag die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete

€ 50,--, subsidiair 1 (één) dag vervangende hechtenis, in mindering zal worden gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenstaande.

Aldus gewezen door

mr. R.C.C. van Leest, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. P.M. Frielink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 24 februari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.