Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:862

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
200.162.656_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aanneming van werk; tekortkoming vloerverwarming; deskundigenbericht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.162.656/01

arrest van 8 maart 2016

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A. de Rooij te Zoetermeer,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
en

2. [geïntimeerde 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] (Duitsland),

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. Ph.W.A.M. van Roy te Beek,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 december 2014 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 22 januari 2014 en 24 september 2014, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/164345/HA ZA 11-689)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met één productie;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2.2.

Ten aanzien van de stukken in eerste aanleg, merkt het hof op dat het overgelegde dossier niet compleet is.

Van het als productie 5 bij inleidende dagvaarding overgelegde rapport van 3 mei 2010 van ir. [deskundige] bevinden slechts de eerste drie bladzijden van dat rapport zich in het overgelegde dossier.

Wat productie 12 bij dagvaarding betreft, een brief van [deskundige] voornoemd, beschikt het hof alleen over de eerste bladzijde.

Bij productie 13 bij dagvaarding, een brief van [appellant] aan [geïntimeerden] van 4 oktober 2010, ontbreken bijlagen.

Productie 16 bij dagvaarding ontbreekt geheel.

Bij akte dient [appellant] de ontbrekende stukken in het geding te brengen

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwiste feiten.

3.1.1.

[appellant] heeft in 1998 een kavel grond gekocht en in eigendom verkregen in het bouwplan Dudenrode te [plaats] .

3.1.2.

[appellant] heeft op deze kavel een vrijstaande woning laten bouwen, welke woning thans [adres] te [plaats] als adres heeft. De woning is in 2000 opgeleverd en in gebruik genomen door [appellant] .

3.1.3.

[appellant] heeft op of omstreeks 17 december 1999 aan Technisch Buro [technisch bureau] , dat destijds zijn installatiebedrijf voerde in de vorm van een vennootschap onder firma met geïntimeerden als vennoten, een opdracht verstrekt tot het uitvoeren installatiewerkzaamheden betreffende gas, water, riolering, centrale verwarming, mechanische ventilatie, zinkwerk en elektro, een en ander conform de offerte van 26 maart 1999, in de nieuwbouwwoning van [appellant] voor een aanneemsom van f. 35.220,- exclusief BTW. Voormelde overeenkomst van opdracht is namens het Technisch Buro [technisch bureau] ondertekend door [geïntimeerde 1] .

3.1.4.

Tot de uit te voeren werkzaamheden behoorde het door [geïntimeerden] aanbrengen van een vloerverwarming op de begane grond van het pand van [appellant] . De bedoelde vloerverwarming is in juli 2000 aangelegd.

3.1.5.

[geïntimeerden] heeft het slangenpakket van de vloerverwarming aangelegd en heeft daaronder isolatieplaten aangebracht van het type Quickroll 25-2, welke afkomstig waren van zijn leverancier [leverancier] te [vestigingsplaats] .

3.1.6.

Op de vloerverwarming is door (een) ander(en) dan [geïntimeerden] een zwevende afdekvloer aangebracht, waarop keramische vloertegels zijn bevestigd.

3.1.7.

In 2010 constateerde [appellant] ernstige scheurvorming in de tegelvloer op de begane grond van zijn woning. Naar aanleiding daarvan heeft hij een expert, de heer ir. [deskundige] , een onderzoek laten uitvoeren naar de oorzaak van de scheurvorming. De conclusie van de deskundige was dat de schade aan de vloer wordt veroorzaakt door inklinking van de vloerisolatie en dat isolatieplaten zijn gebruikt met een voor de beoogde bovenvloer te geringe belastingsterkte. Ten gevolge daarvan is het isolatiemateriaal gaan inklinken, wat scheurvorming van de dek- en tegelvloer tot gevolg heeft gehad.

3.1.8.

De vennootschap onder firma Technisch Buro [technisch bureau] is met ingang van 1 oktober 2010 ontbonden. Op 29 oktober 2010 is Technisch Buro [technisch bureau] B.V. opgericht.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] veroordeling tot betaling door [geïntimeerden] van € 31.889,66 ten titel van schadevergoeding, tot betaling van € 1.190,- aan buitengerechtelijke incassokosten en tot betaling van de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [geïntimeerden] tekort is geschoten in de nakoming van de met hem gesloten overeenkomst van opdracht tot het aanbrengen van een vloerverwarming in de woning van [appellant] . [appellant] voert hiertoe aan dat [geïntimeerden] isolatieplaten met een voor de beoogde bovenvloer te geringe belastingsterkte heeft gebruikt ten gevolge waarvan het isolatiemateriaal is gaan inklinken wat scheurvorming van de dek- en tegelvloer tot gevolg heeft gehad.

3.2.3.

[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 9 november 2011 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.3.2.

In het tussenvonnis van 29 februari 2012 heeft de rechtbank [appellant] toegelaten te bewijzen dat hij [geïntimeerden] een aantal malen heeft gewezen op de hoogte van de kozijnen en [geïntimeerden] in dat verband heeft gevraagd of dat in orde was en dat [geïntimeerden] daarop heeft geantwoord dat het pakket van de vloerverwarming wel dikker zou worden, zonder te wijzen op het risico van de verhoogde drukbelasting op het isolatiemateriaal.

3.3.3.

In het tussenvonnis van 19 juni 2013 heeft de rechtbank [appellant] niet in de bewijslevering geslaagd geacht en de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door [appellant] over de procesvertegenwoordiging aan de zijde van [geïntimeerden] .

3.3.4.

In het tussenvonnis van 22 januari 2014 heeft de rechtbank een onderzoek door een deskundige bevolen ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Had een redelijk handelend en bekwaam installateur van vloerverwarmingen ook zonder expliciete mededeling van [appellant] over de dikte van de opbouwvloer eigener beweging moeten onderzoeken welke vloerdikte zou worden aangebracht, danwel had hij dat moeten afleiden aan de hand van de al geplaatste kozijnen? Wilt u in dit kader ook aandacht besteden aan de vraag of de huidige dikte van de vloer (16 cm, inclusief afwerkvloer, waaronder de tegelvloer) gebruikelijk is of een uitzondering?

2. Had [geïntimeerden] moeten wijzen op de maximaal toegestane dikte van de afwerkvloer, uitgaande van de gebruikte isolatieplaten?

3. Op welk bedrag schat u de kosten van herstel van de vloer? Acht u het gevorderde bedrag van € 31.889,66 incl. BTW reëel?

4. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?

In dit tussenvonnis heeft de rechtbank B.B. Lie, verbonden aan [consultancy en advies] Consultancy en Advies te [vestigingsplaats] als deskundige benoemd.

3.3.5.

In het eindvonnis van 24 september 2014 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat gelet op de inhoud van het deskundigenrapport niet is gebleken dat [geïntimeerden] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door geen zelfstandig onderzoek te doen naar de te realiseren vloerdikte.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen van 22 januari 2014 en 24 september 2014 en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

3.5.

Het hof zal als eerste grief IV bespreken.

3.6.

In deze grief voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte in rechtsoverweging 2.2. van het eindvonnis van 24 september 2014 van oordeel is dat [geïntimeerden] niet eigener beweging hoefde te onderzoeken welke vloerdikte zou worden aangebracht en dat de rechtbank zich hierbij baseert op het algemene oordeel van de deskundige dat “om in zijn algemeenheid iets te moeten afleiden van iets anders, op het moment van daadwerkelijke montage, terwijl er afspraken zijn gemaakt over de uit te voeren werkzaamheden gaat wel ver en gaat een redelijke bedrijfsvoering, werkvoorbereiding, inkoop en planning te boven.”.

3.7.

[geïntimeerden] heeft hiertegen ingebracht dat de rechtbank terecht is afgegaan op de expertisebevindingen van de door haar benoemde deskundige, dat van [geïntimeerden] niet verwacht mocht worden dat hij uit eigen beweging had moeten onderzoeken wat de dikte van het totale vloerpakket had moeten worden, dat hij mocht uitgaan van de normaal gangbare vloerdikte, dat hij de werkzaamheden heeft uitgevoerd conform opdracht en wens van [appellant] , dat hij noch op basis van uitlatingen van [appellant] noch op basis van andere aanwijzingen had moeten afwijken van de standaardwerkwijze, dat hij een schets heeft gemaakt van de vloeropbouw en dat hij deze met [appellant] heeft besproken en dat het feit dat [appellant] de diverse werkzaamheden door diverse partijen heeft laten uitvoeren geheel voor rekening en risico van [appellant] komt.

3.8.

Het hof stelt voorop dat tussen partijen vast staat dat de scheuren in de tegelvloer op de begane grond van de woning van [appellant] zijn veroorzaakt door inklinking van de vloerisolatie en dat isolatieplaten zijn gebruikt met een voor de aangebrachte bovenvloer met een dikte van ongeveer 160 millimeter te geringe belastingsterkte.

3.9.

Het hof constateert dat de deskundige de vragen, zoals geformuleerd in het tussenvonnis van 22 januari 2014 onder 1. en 2. niet uitdrukkelijk met ja of nee heeft beantwoord. De deskundige heeft wel een relaas gegeven (blz. 3 laatste alinea tot en met blz. 5, eerste volle alinea) over de gangbare bouwpraktijk.

3.10.1.

De deskundige geeft aan dat het in de gangbare bouwpraktijk zo is dat als een opdrachtgever uiteindelijk afwijkt van hetgeen in een eerder stadium met elkaar is overeengekomen, het aan de opdrachtgever is om de opdrachtnemer daarop te wijzen, zodat de opdrachtnemer, indien daartoe aanleiding is, zijn aanbieding alsnog kan wijzigen met de daarbij eventuele financiële consequenties.

3.10.2.

Echter uitgaande van deze beschrijving van de gangbare bouwpraktijk, zijn daarmee de vragen onder 1. en 2., zoals vermeld in het tussenvonnis van 22 januari 2014 nog niet beantwoord.

Immers in dit geval is [appellant] niet met [geïntimeerden] overeengekomen een afwerkvloer te storten, maar zijn partijen overeengekomen dat [geïntimeerden] isolatieplaten zou aanbrengen en daarop vloerverwarmingsslangen zou aanbrengen. Omtrent die laatstgenoemde overeenkomst, te weten dat [geïntimeerden] isolatieplaten en daarop vloerverwarmingsslangen zou aanbrengen, is geen door [appellant] aangebrachte wijziging gesteld of gebleken die afwijkt van hetgeen eerder daarover tussen partijen is overeengekomen.

Met betrekking tot de hoogte van de afwerkvloer, die door een ander dan door [geïntimeerden] zou worden gestort, hetgeen [geïntimeerden] wist, heeft [geïntimeerden] als getuige verklaard dat hij in de offertefase de totale hoogte van de uiteindelijk te leggen vloer met [appellant] heeft besproken, dat hij, [geïntimeerden] , een schets heeft gemaakt van de vloeropbouw, welke hij met [appellant] heeft besproken en dat er werd uitgegaan van een totale opbouwhoogte van 11 à 12 cm. [geïntimeerden] stelt dat hij [appellant] duidelijk heeft aangegeven dat de opbouwhoogte van de vloer 12 cm bedraagt (conclusie van antwoord, 2.5., tweede alinea). Hieruit maakt het hof op dat [geïntimeerden] , die niet zelf de afwerkvloer zou maken, het belang van de maximale hoogte van de vloer van 12 cm onderkende. [geïntimeerden] heeft echter niet gesteld dat hij tegen [appellant] heeft gezegd dat de hoogte van 12 cm het maximum was en dat bij een vloer die hoger dan 12 cm zou worden de druk op de door [geïntimeerden] aangewende isolatieplaten te groot zou worden en dat daardoor die isolatieplaten zouden gaan inklinken en de vloer dus zou gaan verzakken. [geïntimeerden] heeft daarmee onvoldoende gesteld dat tussen partijen zou zijn overeengekomen dat de afwerkvloer niet hoger dan 12 cm zou mogen worden. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat [appellant] door een afwerkvloer van 16 cm te laten storten geen wijziging heeft aangebracht op hetgeen eerder tussen partijen zou zijn overeengekomen omtrent de hoogte van de afwerkvloer, zodat [appellant] [geïntimeerden] hierop ook niet hoefde te wijzen.

3.11.1.

Voorts heeft de deskundige in zijn rapport aangegeven dat in de gangbare bouwpraktijk regelmatig een deskundig bouwbegeleider tussen opdrachtgever en aannemers coördineert en controleert, dat indien een bouwbegeleider ontbreekt de verantwoording hiervoor bij de opdrachtgever ligt en dat het anderzijds zo is dat in de praktijk de bouwaannemer als hoofdaannemer functioneert en de coördinatie tussen de verschillende vakdisciplines en de verantwoording hiervoor op zich neemt.

3.11.2.

Uitgaande van deze gangbare bouwpraktijk, wordt door het hof vastgesteld dat [appellant] niet door een deskundig bouwbegeleider werd bijgestaan, zodat de verantwoording voor coördinatie en controle bij [appellant] lag. Daarmee zijn echter de vragen 1. en 2. zoals vermeld in het tussenvonnis van 22 januari 2014 nog niet beantwoord. Immers [geïntimeerden] wist dat er geen regie op de bouw werd gevoerd (conclusie van antwoord, 2.7., derde alinea). Bovendien wist [geïntimeerden] dat [appellant] niet deskundig was ter zake van de draagkracht van de toegepaste isolatieplaten in relatie tot de hoogte van de afwerkvloer. Tenslotte merkt het hof op dat [geïntimeerden] , zoals hiervoor is overwogen, het belang onderkende van de maximale hoogte van de vloer van 12 cm in relatie tot de drukvastheid van de door hem gebruikte isolatieplaten, maar dat [geïntimeerden] niet heeft gesteld dat hij [appellant] heeft gezegd dat de hoogte van 12 cm het maximum was. Gezien het voorgaande heeft [geïntimeerden] [appellant] onvoldoende geïnformeerd om [appellant] in staat te stellen degene die de vloer stortte mede te delen dat de afwerkvloer niet hoger dan 12 cm mocht worden. Zodoende kon [appellant] zijn controlerende en coördinerende rol niet waarmaken.

3.12.

Gelet op hetgeen in 3.10.2. en 3.11.2. is overwogen, leiden de door de deskundige aangereikte gezichtspunten op grond van de gangbare bouwpraktijk, anders dan de rechtbank heeft overwogen, naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie dat de bij tussenvonnis van 22 januari 2014 gestelde vragen 1. en 2. met nee dienen te worden beantwoord. Het hof is van oordeel dat, met inachtneming van de door de deskundige bedoelde gezichtspunten, voormelde vragen bevestigend dienen te worden beantwoord. Het hof overweegt daartoe het navolgende.

3.13.1.

[geïntimeerden] , die als vakman als deskundig ter zake de belastbaarheid van de isolatieplaten wordt beschouwd, wist dat [appellant] niet deskundig was ter zake van de draagkracht van de toegepaste isolatieplaten. Bovendien wist [geïntimeerden] dat [appellant] niet door een deskundige werd bijgestaan en dat er geen regie op de bouw werd gevoerd (conclusie van antwoord, 2.7., derde alinea).

3.13.2.

[geïntimeerden] wist dat op de door hem gekozen en gelegde isolatieplaten en op de door hem gelegde vloerverwarmingsslangen door een derde een vloer zou worden gestort en dat door de afgewerkte vloer druk op de isolatieplaten zou worden uitgeoefend.

3.13.3.

De keuze voor de door [geïntimeerden] toegepaste isolatieplaten Quickroll 25-2 is door [geïntimeerden] gemaakt. Door [geïntimeerden] is niet gesteld dat hij bij de keuze van voormelde isolatieplaten [appellant] op enige wijze heeft betrokken of dat hij [appellant] heeft geïnformeerd over de draagkracht van die isolatieplaten.

3.13.4.

[geïntimeerden] heeft niet gesteld dat hij tegen [appellant] heeft gezegd dat de hoogte van 12 cm van de afwerkvloer het maximum was en dat bij een vloer die hoger dan 12 cm zou worden de druk op de isolatieplaten te groot zou worden en dat daardoor die isolatieplaten zouden gaan inklinken en de vloer dus zou gaan verzakken.

3.13.5.

Ten slotte is van belang dat [geïntimeerden] als getuige heeft verklaard dat na de offertefase, welke offerte blijkens de overeenkomst van 17 december 1999 op 26 maart 1999 is uitgebracht, de totale hoogte van de vloer niet meer aan de orde is geweest. Hieruit volgt dus dat vlak vóór de uitvoering van het werk in juli 2000 [geïntimeerden] [appellant] niet heeft herinnerd aan de in de offertefase besproken hoogte van de vloer van 11 à 12 cm.

3.13.6.

Voorgaande omstandigheden leiden het hof tot het oordeel dat [geïntimeerden] als redelijk bekwaam en redelijk handelend vakman zijn opdrachtgever [appellant] diende te beschermen door de risico’s die het leveren van deugdelijk werk bedreigden te onderkennen, te weten de maximale drukvastheid van de isolatieplaten in verband met de hoogte van de vloer en door [appellant] te waarschuwen dat de vloer niet hoger dan 12 cm mocht worden (Hof Arnhem, 31-10-2000, BR 2003/57; Hof Den Haag 16 december 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BH1267). Aangezien [geïntimeerden] dit niet heeft gedaan, is hij tekortgeschoten in de nakoming van zijn verbintenis uit de aannemingsovereenkomst.

3.14.

Uit het voorgaande volgt dat grief IV slaagt. Dit brengt mee dat [appellant] geen belang heeft bij de bespreking van de overige grieven.

Verweren [geïntimeerden] .

3.15.1.

Nu de grief IV slaagt, dienen de overige verweren van [geïntimeerden] tegen de vordering van [appellant] te worden besproken.

3.15.2.

[geïntimeerden] heeft aangevoerd dat [appellant] niet in zijn vordering kan worden ontvangen omdat hij de besloten vennootschap Technisch Buro [technisch bureau] B.V. had moeten dagvaarden en dat [appellant] niet tijdig heeft geklaagd. In haar vonnis van 29 februari 2012 heeft de rechtbank voorgaande verweren verworpen. In 3.1. tot en met 3.5. van voormeld vonnis heeft de rechtbank de gronden voor die verwerping aangegeven. In hoger beroep heeft [geïntimeerden] geen nieuwe stellingen naar voren gebracht om zijn voormelde verweren verder te onderbouwen. Het hof verwerpt eveneens de hiervoor genoemde verweren en neemt voormelde gronden voor de verwerping van die verweren van de rechtbank over.

3.15.3.

[geïntimeerden] heeft zich nog beroepen op eigen schuld van [appellant] in de zin van artikel 6:101 BW omdat [appellant] heeft nagelaten hem te informeren over de dikte van afwerkvloer. Op de gronden als hiervoor overwogen diende [geïntimeerden] [appellant] te waarschuwen dat de vloer niet hoger dan 12 cm mocht worden, zodat op grond hiervan dit verweer wordt verworpen.

Schade.

3.16.

Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] , die [geïntimeerden] in gebreke heeft gesteld en die daardoor in verzuim is en die [geïntimeerden] schriftelijk heeft medegedeeld dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert (productie 14 bij inleidende dagvaarding), gesteld dat hij schade heeft geleden tot een bedrag van € 31.889,66, welke gestelde schade [appellant] met offertes (productie 20) heeft onderbouwd.

[geïntimeerden] heeft als verweer naar voren gebracht (conclusie van antwoord nr. 2.8.) dat de schade zeer plaatselijk is en dat de offertes al dan niet in overleg met [appellant] zijn opgeklopt, nu de schadepost vrijwel overeenkomt met het oorspronkelijke totale project van [geïntimeerden] .

3.17.

Gelet op voormeld verweer en nu ir. [deskundige] in zijn rapport van 3 mei 2010 (productie 5 bij inleidende dagvaarding, blz. 2, tweede alinea onder 6.) opmerkt dat ter plaatse van de vervangen tegels geen nieuwe scheurvorming of zetting zichtbaar is en [deskundige] voornoemd in zijn brief van 4 mei 2010 (productie 6 bij inleidende dagvaarding) schrijft dat er een risico van bezwijking van de vloer bestaat dat nader gecontroleerd moet worden, vindt het hof het nodig één deskundige te benoemen om de schade te begroten. Het hof heeft daarbij het voornemen de deskundige te vragen op welke wijze de schade hersteld kan worden en wat daarvan de kosten zijn. De deskundige zal hierbij moeten betrekken de vraag of volstaan kan worden met het vervangen van gescheurde tegels of dat de gehele vloer vervangen dient te worden. Het hof heeft, gelet op enerzijds de omstandigheid dat [appellant] eisende partij is als bedoeld in artikel 195 Rv maar dat anderzijds het hof aansprakelijkheid van [geïntimeerden] heeft vastgesteld, het voornemen om het voorschot van de deskundige door iedere partij voor de helft te laten dragen. Partijen mogen zich uitsluitend omtrent de persoon van de te benoemen deskundige en voormelde voornemens uitlaten bij akte. Eerst zal [appellant] hiertoe in de gelegenheid worden gesteld, waarna [geïntimeerden] zich bij antwoordakte mag uitlaten.

3.18.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 5 april 2016 teneinde [appellant] bij akte in staat te stellen de in 2.2. genoemde stukken in het geding te brengen en hem in de gelegenheid te stellen zich uit te laten als vermeld in 3.17., waarna [geïntimeerden] dinsdag 3 mei 2016 de gelegenheid krijgt een antwoordakte te nemen als voormeld en zich eveneens uit te laten als vermeld in 3.17;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, O.G.H. Milar en G.A.M. Peper en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 maart 2016.

griffier rolraadsheer