Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:861

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
200.160.384_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

constructiefout aanbouw; waardering deskundigenbericht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.160.384/01

arrest van 8 maart 2016

in de zaak van

1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [appellante 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna in enkelvoud aan te duiden als [appellant 1] ,

advocaat: mr. C. Bosland te Goes,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna in enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerde ] ,

advocaat: mr. M.L. Huisman te Goes,

op het bij exploot van dagvaarding van 10 september 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 juni 2014, door de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellant 1] als gedaagden en [geïntimeerde ] als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 240874/12-3053)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de vonnissen van 10 september 2012, 18 februari 2013, 8 april 2013 en 27 mei 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met een productie;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

in principaal en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant 1] heeft in 2006 een aanbouw aan zijn woning aan de [adres] te [plaats] gebouwd.

3.1.2.

[appellant 1] heeft deze woning verkocht aan [geïntimeerde ] voor € 267.500,-, kosten koper. Daartoe is op 2 juli 2007 een schriftelijke overeenkomst gesloten. De eigendomsoverdracht heeft op 14 augustus 2007 plaatsgevonden.

3.1.3.

In de koopakte is voor zover van belang het volgende vermeld:

“Artikel 5

2. Het registergoed zal bij de feitelijke levering de eigenschappen bezitten die voor het gebruik als in lid 6 van dit artikel omschreven, nodig zijn. Aan koper kenbare gebreken die daaraan in de weg zouden kunnen staan, komen voor diens risico.

6. Koper is voornemens het registergoed als volgt te gebruiken: als woonhuis.

Artikel 21

Koper verklaart zich hierbij verantwoordelijk voor de afwatering van het perceel, de regenwaterafvoer en de riolering van de woning, voor zover deze zich buiten de woning bevinden.”

3.1.4.

In december 2011 heeft [geïntimeerde ] wateroverlast gehad, waarna aannemersbedrijf JM Totaalbouw herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd. Tijdens deze werkzaamheden heeft JM Totaalbouw problemen in de aanbouw opgemerkt en na onderzoek in maart 2012 geadviseerd de aanbouw te laten slopen en opnieuw op te bouwen. [geïntimeerde ] heeft vervolgens ook een offerte laten opstellen door [bouw] Bouw B.V. Dit bedrijf heeft voorgesteld de aanbouw te herstellen en heeft de kosten daarvoor beraamd op € 11.674,85 inclusief BTW. De aanbouw is vervolgens door [bouw] Bouw overeenkomstig de offerte hersteld.

3.1.5.

[geïntimeerde ] heeft op 5 april 2012 [appellant 1] schriftelijk in kennis gesteld van de problemen en op 5 juni 2012 een ingebrekestelling gestuurd.

3.2.

Vervolgens heeft [geïntimeerde ] een procedure aanhangig gemaakt en gevorderd (samengevat) [appellant 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 11.674,85 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 juni 2012 op grond van
primair: partiële ontbinding van de koopovereenkomst, in dier voege dat de door [geïntimeerde ] verschuldigde koopprijs wordt verminderd met voornoemd bedrag;

subsidiair: wijziging van de overeenkomst ter opheffing van het nadeel, in dier voege dat de door [geïntimeerde ] verschuldigde koopprijs wordt verminderd met voornoemd bedrag;

meer subsidiair: machtiging van [geïntimeerde ] om zelf herstel te (laten) bewerkstelligen, waarbij de herstelkosten van € 11.674,85 voor rekening van [appellant 1] komen;

met veroordeling van [appellant 1] in de (buiten)gerechtelijke kosten.

[geïntimeerde ] heeft daartoe aangevoerd dat en waarom de woning niet overeenkomt met hetgeen hij op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. [appellant 1] heeft verweer gevoerd. Nadat in opdracht van de kantonrechter een deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden heeft de kantonrechter de koopovereenkomst gedeeltelijk ontbonden en [appellant 1] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.257,63 zijnde de door de deskundige beraamde kosten van herstel.

3.3.

[appellant 1] is tijdig in hoger beroep gekomen en heeft onder aanvoering van drie grieven geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde ] met zijn veroordeling in de proceskosten. [geïntimeerde ] is voorwaardelijk in incidenteel hoger beroep gekomen, te weten voor het geval het hof het hoger beroep van [appellant 1] niet aanstonds zal afwijzen. Voor dat geval concludeert hij tot toewijzing van zijn oorspronkelijke vordering zoals geformuleerd bij inleidende dagvaarding met veroordeling van [appellant 1] in de proceskosten.

3.4.

De grieven van [appellant 1] , die het hof gezamenlijk zal bespreken, komen kort gezegd neer op het volgende. Volgens [appellant 1] is de constructie van de aanbouw niet verkeerd geweest. Het hout van de aanbouw is volgens [appellant 1] gaan rotten door een wijziging in het maaiveld die [geïntimeerde ] heeft aangebracht. De woning ligt laag (lager dan de openbare weg) en dat kan voor problemen met water zorgen. [appellant 1] heeft daarom de grond rondom de woning afgegraven, zodat de woning alsnog hoger kwam te liggen ten opzichte van het maaiveld. Volgens [appellant 1] heeft hij daarvan ook mededeling gedaan aan [geïntimeerde ] . [geïntimeerde ] heeft echter bestrating aangebracht, zonder eerst een gedeelte af te graven. Daardoor is het maaiveld hoger komen te liggen, zodat het hout met water/vocht in aanraking kon komen/overstromingen konden plaatsvinden en de onderste houtdelen onder het maaiveld kwamen te liggen waardoor deze direct in contact kwamen met vocht. Dit verklaart dat het hout van de aanbouw is gaan rotten. Als het niveau van het maaiveld niet was verhoogd, dan was het onmogelijk geweest dat er water in de constructie was gekomen, aldus [appellant 1] . Volgens [appellant 1] hebben de deskundige en de kantonrechter onvoldoende rekening gehouden met de verhoging van het maaiveld door [geïntimeerde ] .

3.5.

Het hof is van oordeel dat de grieven falen. Daartoe is het volgende redengevend.

3.6.

De deskundige heeft over de hoogte van het maaiveld verklaard dat die hoogte geen rol speelt, mits er voldoende maatregelen worden genomen zoals drainage en drainagegoten voorzien van terugslagkleppen voor de buitendeuren. Anders dan [appellant 1] heeft aangevoerd volgt daaruit niet dat cruciaal is dat er sprake is van drainage en dat die drainage te laat door [geïntimeerde ] is aangebracht. De deskundige heeft immers óók verklaard dat indien de woning hoger was gelegen, het probleem zich dan ook zou hebben voorgedaan. Anders dan door [appellant 1] wordt aangevoerd, is dus niet relevant dat in het rapport van de deskundige is vermeld dat het maaiveld ten tijde van de eigendomsoverdracht van de woning 5cm boven peil van de aanbouw lag. Weliswaar is heel goed mogelijk dat de onderste houtdelen zijn gaan rotten omdat deze delen vanwege een ophoging van het maaiveld met water in aanraking zijn gekomen, maar dat is niet de kern van het probleem. Uitgangspunt moet in dit hoger beroep zijn de vraag of de constructie van de aanbouw al dan niet deugdelijk was. Dat volgt immers uit het vonnis van 18 februari 2013 waartegen geen grieven zijn gericht. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerde ] aldus opgevat dat [geïntimeerde ] daaraan ten grondslag heeft gelegd dat de constructie van de aanbouw niet deugde en uit het rapport van de deskundige volgt dat [geïntimeerde ] dit standpunt terecht heeft ingenomen. Anders gezegd, het is goed denkbaar dat er extra vocht in de constructie is gekomen door de verhoging van het maaiveld, maar uit het rapport van de deskundige volgt dat ook zonder de verhoging van het maaiveld problemen zouden zijn ontstaan, omdat de constructie zodanig is dat het hout zou zijn gaan verstikken met houtrot als gevolg. Dat komt, aldus de deskundige, omdat ‘aan de buitenzijde dampdichte folie is aangebracht in de constructie in plaats van damp-open folie en ook ontbrak de ventilatie doordat de vlotdelen rechtstreeks op het stijl- en regelwerk hout zijn gemonteerd’.

3.7.

Gelet op deze passage uit het rapport en ook uit de antwoorden op de door de kantonrechter gestelde vragen B en C volgt dat de constructie volgens de deskundige niet alleen niet voldeed vanwege het gebruik van onjuiste folie, maar ook vanwege het ontbreken van ventilatiemogelijkheden. Volgens [appellant 1] heeft de deskundige ten onrechte in zijn rapport vermeld dat geen mogelijkheden voor ventilatie zijn aangebracht in de constructie. Het hof is van oordeel dat [appellant 1] dit verweer onvoldoende heeft gemotiveerd, gelet op het volgende. Het ontbreken van ventilatie is een belangrijk onderdeel van de motivering van de deskundige waarom de constructie niet voldeed aan de te stellen eisen. [appellant 1] kon niet volstaan met de enkele stelling dat er wel ventilatiemogelijkheden waren aangebracht. Van [appellant 1] mocht worden verwacht dat hij had aangegeven waar en op welke wijze in de mogelijkheid tot ventilatie is voorzien in de constructie, omdat [appellant 1] de verbouwing zelf heeft uitgevoerd, zodat hij geacht wordt te beschikken over die kennis.

3.8.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat het hof er, evenals de kantonrechter, vanuit gaat dat het aan ventilatiemogelijkheden heeft ontbroken in de constructie. Tussen partijen is niet in geschil dat dit een non-conformiteit opleverend gebrek betreft dus dat het de woning ongeschikt maakt in de zin van artikel 7:17 BW (zie rov. 4.2 van het tussenvonnis van 18 februari 2013 waartegen geen grief is gericht). Dat heeft tot gevolg dat niet nader beoordeeld hoeft te worden of het oordeel van de deskundige over de folie onjuist is, zoals [appellant 1] , onder overlegging van een rapport van de door hem ingeschakelde deskundige [deskundige aan de zijde van appellant 1] , heeft betoogd. Het gaat immers volgens de door de rechtbank benoemde deskundige óók om het ontbreken van ventilatiemogelijkheden. Om deze reden gaat het hof voorbij aan het aanbod om [deskundige aan de zijde van appellant 1] te horen als getuige.

3.9.

Uit de door [appellant 1] in het geding gebrachte brief van [deskundige aan de zijde van appellant 1] blijkt het door [appellant 1] in dit hoger beroep ingenomen standpunt zoals hiervoor in r.o. 3.4 is weergegeven, te weten dat het houtrot is veroorzaakt door het aanbrengen van straatwerk waardoor de voet van de buitenbekleding (potdekselwerk) direct in contact kwam met vocht. Het hof kan niet uitsluiten dat wanneer de voet van de buitenbekleding langere tijd in aanraking is geweest met vocht (hetgeen [geïntimeerde ] heeft betwist) dat heeft geleid tot houtrot, maar waar het om gaat is (zoals hiervoor al is overwogen) of de constructie onjuist was. Uit het rapport van de deskundige volgt dat er ook zonder ophoging van het maaiveld houtrot zou zijn ontstaan vanwege de gebreken in de constructie. De vraagstelling was (onder meer): “Voldeed de constructie van de aanbouw ten tijde van levering in 2007 aan de daaraan in het algemeen te stellen eisen, uitgaande van de door [bouw] Bouw BV gegeven omschrijving en de bouwtekeningen”. Tegen die vraagstelling is geen grief gericht. De juistheid van het antwoord van de deskundige wordt weliswaar bestreden door [deskundige aan de zijde van appellant 1] , maar gelet op hetgeen hiervoor in 3.7 en 3.8 is overwogen over (het gebrek aan) de ventilatiemogelijkheid, ziet het hof geen aanleiding om aan het oordeel van de deskundige te twijfelen, althans daar zodanig aan te twijfelen dat dit aanleiding is om een nieuw deskundigenbericht te bevelen. Evenmin ziet het hof, gelet op deze vraagstelling, waartegen geen grief is gericht, en het antwoord van de deskundige, aanleiding voor een nader onderzoek naar de oorzaak van de houtrot.

3.10.

Verder heeft [appellant 1] nog het volgende aangevoerd:

- de door de rechtbank benoemde deskundige heeft gezegd dat het niet meer te doen is om aan te geven wat nu eigenlijk de oorzaak is geweest;

- alleen aan de onderzijde van de constructie was sprake van houtrot; als de oorzaak van de houtrot een verkeerd soort folie zou zijn, dan zou de houtrot over de gehele constructie zichtbaar moeten zijn en niet slechts aan de onderzijde;

- de deskundige heeft niet in het rapport vermeld dat er na de overstroming vochtmetingen in de wanden zijn verricht waaruit is gebleken dat er geen vocht in de wanden zat; zonder ventilatie zou het vocht geen kant op kunnen en zouden de wanden vochtig moeten blijven, maar dat was niet het geval.

3.11.

Zoals in 3.9 al is overwogen, is doorslaggevend dat het gaat om de constructie. Uit het rapport van de deskundige volgt dat deze constructie onjuist was. [appellant 1] gaat met hetgeen hij heeft aangevoerd (zoals in 3.10 weergegeven) voorbij aan de vraagstelling van de rechtbank en aan de conclusie van de deskundige. Voorts is het hof van oordeel dat [appellant 1] deze verweren onvoldoende heeft onderbouwd. Weliswaar heeft [appellant 1] verwezen naar de door hem in het geding gebrachte brief van [deskundige aan de zijde van appellant 1] , maar in die brief wordt geen, althans onvoldoende, toelichting gegeven op deze drie door [appellant 1] gevoerde verweren. Hetgeen [appellant 1] heeft gesteld over vochtmetingen is te vaag. Nergens uit blijkt dat die metingen hebben plaatsgevonden, wie deze metingen heeft verricht en wanneer en hoe dat is gebeurd.

3.12.

Het hof gaat voorbij aan het door [appellant 1] aangeboden bewijs, aangezien het hof daar ofwel niet aan toekomt omdat het verweer onvoldoende is gemotiveerd, ofwel omdat het gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet tot de beslissing van de zaak kan leiden.

3.13.

De slotsom luidt dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Aan het incidenteel appel komt het hof vanwege het voorwaardelijke karakter ervan niet toe. [appellant 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,

veroordeelt [appellant 1] en [appellante 2] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde ] op € 308,- aan griffierecht, op € 632,- aan salaris advocaat voor het principaal hoger beroep en op € 316,- aan salaris advocaat voor het incidenteel hoger beroep;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, M. van Ham en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 maart 2016.

griffier rolraadsheer