Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:852

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
200.145.191_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:7814, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huwelijksvermogensrecht. Afwikkeling periodiek verrekenbeding dat niet is nageleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.145.191/01

arrest van 8 maart 2016

in de zaak van

Stam Reitsma Advocaten B.V.

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die toebehoren

of zullen toebehoren aan

[appellante]

wonende te [woonplaats 1] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als respectievelijk de bewindvoerder en [appellante] ,

advocaat: mr. J. Geuze te Best,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. E. van der Maal te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 februari 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 december 2013, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats
's-Hertogenbosch gewezen tussen de bewindvoerder als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak- en rolnr. C/01/230057/HA ZA 11-815)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de tussenvonnissen van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 september 2011 en 19 december 2012.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de akte van [geïntimeerde] met producties;

  • -

    de antwoordakte tevens akte houdende wijziging bewindvoerder met één productie van de bewindvoerder.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

3.1.1.

[geïntimeerde] en [appellante] zijn gehuwd geweest vanaf [huwelijksdatum] 1993. Zij waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden inhoudende, kort gezegd, een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding. Aan dat periodiek verrekenbeding is tijdens het huwelijk geen uitvoering gegeven.

De huwelijkse voorwaarden bevatten onder meer de volgende bepalingen:

Artikel 5

Indien en voorzover inkomsten of vermogen van de echtgenoten voor de grondslag van de heffing van inkomstenbelasting, premieheffing volksverzekeringen of vermogensbelasting worden samengevoegd, zal de op die samengevoegde inkomsten of vermogens betrekking hebbende aanslag door de echtgenoten worden gedragen naar rato van de hen toe te rekenen delen der grondslag waarover de betrokken heffing heeft plaatsgevonden.

Artikel 6

De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, die der verzorging en opvoeding van de kinderen en pleegkinderen daaronder begrepen, zullen door de echtgenoten tezamen uit hun inkomen worden gedragen naar evenredigheid van de inkomens, welke na verrekening overeenkomstig artikel 5 resteren; een overblijvend tekort zal worden bestreden uit het vermogen der echtgenoten naar evenredigheid van ieders vermogen.

Artikel 7

1. (…)

2. Verrekeningen ingevolge het in artikel 5 en 6 bepaalde zullen geschieden voor eenendertig december van het jaar volgend op het jaar waarop de verrekening betrekking heeft. Na het verstrijken van die datum zal generlei afrekening over het verleden meer kunnen worden gevolgd, onverminderd het recht van de verrekeningsplichtige echtgenoot alsnog uitkeringen uit dien hoofde te doen.

Artikel 9

Er vindt geen verrekening plaats van de waarde van aanspraken op al of niet ingegaan pensioen.

Artikel 10

De echtgenoten zijn, voorzover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking. Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar.

Artikel 11

1. Ingeval een echtgenoot in enig kalenderjaar na verrekening overeenkomstig artikel 5 en 6 een batig saldo zijner inkomsten resteert, zal betrokkene dit batig saldo bij helfte delen met de andere echtgenoot.

2. De in lid 1 bedoelde verrekening vindt niet plaats in enig kalenderjaar waarin een of meer der na te noemen omstandigheden met betrekking tot één der – of beide echtgenoten gedurende dat jaar of enig deel daarvan hebben plaatsgehad, te weten:

a. echtscheiding;

b. verbreking der huwelijkse samenwoning;

(…)

3. Het in artikel 7 lid 2 bepaalde is ten deze van overeenkomstige toepassing.

3.1.2.

Het huwelijk van [geïntimeerde] en [appellante] is op 16 november 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking d.d. 31 oktober 2007 in de registers van de Burgerlijke Stand. Voorafgaande aan de echtscheiding hebben zij – op 3 oktober 2007 – een echtscheidingsconvenant gesloten.

3.1.3.

Bij beschikking van 17 januari 2008 zijn alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [appellante] onder bewind gesteld, met ingang van de datum van de beschikking.

3.1.4.

Op 11 februari 2008 is namens [appellante] een brief aan [geïntimeerde] gezonden waarin de vernietiging van het convenant d.d. 3 oktober 2007 werd ingeroepen omdat [appellante] ten tijde van het sluiten van het convenant niet in staat was haar wil te bepalen als gevolg van een geestelijke stoornis.

3.1.5.

In de onderhavige procedure vorderde de bewindvoerder in eerste aanleg, na eiswijziging, dat voor recht zal worden verklaard dat:

a. de akkoordverklaring van [appellante] met het convenant is vernietigd;

b. [appellante] jegens [geïntimeerde] recht heeft op pensioenverevening.

[geïntimeerde] vorderde in eerste aanleg, na eiswijziging, dat voor recht zal worden verklaard dat:

a. het convenant van kracht blijft;

b. [appellante] geen recht heeft op pensioenverevening;

c. de bewindvoerder verzuimd heeft om een goed bewind te voeren;

d. de bewindvoerder aansprakelijk is voor de schade die zij daardoor “aan partijen” heeft

veroorzaakt,

alsmede te bepalen dat de bewindvoerder:

e. het convenant naleeft op straffe van een dwangsom;

f. als gevolg van de verrekening volgens de huwelijkse voorwaarden € 233.547,59,

vermeerderd met rente aan [geïntimeerde] dient te betalen;

g. al die werkzaamheden zal verrichten welke leiden tot verkoop van de in Thailand gelegen

onroerende zaken (nader gespecificeerd in de cve in reconventie) op straffe van een

dwangsom;

h. aansprakelijk is voor schade als gevolg van mogelijk achterstallig onderhoud van de

onroerende zaak van [appellante] (zoals gespecificeerd in de cve in reconventie);

i. aan [geïntimeerde] de verschillende bedragen moet betalen die zijn genoemd in het petitum van

de cve in reconventie onder de nummers 16 tot en met 24.

3.1.6.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis d.d. 19 een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag of [appellante] op 3 oktober 2007 leed aan een geestelijke stoornis en zo, of die geestelijke stoornis een redelijke waardering belette van de bij de handeling betrokken belangen, in dit geval bestaande uit haar akkoordverklaring met de inhoud van het convenant van dezelfde datum.

In het eindvonnis d.d. 11 december 2013 heeft de rechtbank, na de conclusies van de deskundige met betrekking tot de geestesgesteldheid van [appellante] te hebben overgenomen, in conventie voor recht verklaard dat de akkoordverklaring van [appellante] met de inhoud van het convenant is vernietigd; in reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [appellante] jegens [geïntimeerde] geen recht heeft op pensioenverevening en daarnaast bepaald dat de bewindvoerder q.q. een bedrag van € 371,- aan [geïntimeerde] dient te voldoen. De rechtbank heeft de vorderingen in conventie en in reconventie voor het overige afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. De rechtbank heeft de kosten van het deskundigenonderzoek volledig ten laste van [geïntimeerde] gebracht.

3.1.7.

Beide partijen hebben grieven tegen (onderdelen van) het eindvonnis van de rechtbank aangevoerd.

3.2.

[appellante] heeft vijf grieven aangevoerd. Deze grieven hebben betrekking op de beslissing van de rechtbank dat zij geen recht heeft op pensioenverevening.

De grieven van [geïntimeerde] zijn gericht tegen de afwijzing van de vorderingen die zijn vermeld onder 6, 14, 21, 22 en 24 van het petitum van zijn conclusie van eis in reconventie in eerste aanleg. Het gaat om de volgende vorderingen:

ad 6: te bepalen dat de bewindvoerder als gevolg van de verrekening volgens de huwelijkse voorwaarden € 233.547,59, althans een in goede justitie te bepalen bedrag aan [geïntimeerde] dient te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente;

ad 14: te bepalen dat de bewindvoerder al die werkzaamheden zal verrichten welke leiden tot verkoop van de in Thailand gelegen onroerende zaken (nader gespecificeerd in de cve in reconventie) op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per maand dat de bewindvoerder hieraan geen gehoor geeft;

ad 21: te bepalen dat de bewindvoerder aan [geïntimeerde] een bedrag van € 437,50 dient te voldoen uit hoofde van de kosten van de echtscheiding, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente;

ad 22: te bepalen dat de bewindvoerder aan [geïntimeerde] een bedrag van € 3.735,37 dient te voldoen uit hoofde van creditcardopnames, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente;

ad 24: de bewindvoerder te veroordelen in de werkelijke kosten van de procedures begroot op € 27.126,79, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft met betrekking tot deze vorderingen aangevoerd dat ze zijn gericht tegen de bewindvoerder als formele procespartij, dus in diens hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [appellante] .

Het hof merkt hierbij op dat, voor zover deze stellingname moet worden aangemerkt als een wijziging van eis aan de zijde van [geïntimeerde] , tegen die eiswijziging op zichzelf geen bezwaren zijn aangevoerd. Een dergelijke eiswijziging is ook niet in strijd met een goede procesorde. Het hof zal dan ook recht doen op de hiervoor vermelde vorderingen van [geïntimeerde] zoals deze zijn toegelicht in zijn memorie van grieven.

3.3.

Geen grieven zijn aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de vernietiging van het echtscheidingsconvenant. Het hof gaat er in hoger beroep daarom van uit dat het convenant terecht door [appellante] is vernietigd.

3.4.

De pensioenverevening.

3.4.1.

De grieven van [appellante] hebben, zoals overwogen, betrekking op de beslissing van de rechtbank dat zij geen recht heeft op pensioenverevening. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Het hof overweegt met betrekking tot de grieven van [appellante] het volgende.

Artikel 11 van de Wet verevening van pensioenrechten bij echtscheiding luidt als volgt: “Indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden gemaakt vóór de inwerkingtreding van deze wet algehele gemeenschap van goederen tussen hen hebben uitgesloten of beperkt, vindt verevening van pensioenrechten als bedoeld in deze wet plaats, tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding uitdrukkelijk anders hebben bepaald.”

Artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden luidt:

“Er vindt geen verrekening plaats van de waarde van aanspraken op al of niet ingegaan pensioen.”

Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat met artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden een regeling is getroffen als bedoeld in artikel 11 van de Wet verevening pensioenrechten na scheiding. Dat artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden is overeengekomen met het oog op de scheiding blijkt uit de begeleidende brief van de notaris d.d. 1 oktober 1993 bij het concept van het convenant en van de testamenten van [appellante] en [geïntimeerde] , welke concepten voorafgaande aan verlijden van de notariële akten aan [appellante] en [geïntimeerde] zijn gezonden. In de begeleidende brief is ten aanzien van artikel 9 vermeld: “bij echtscheiding zal er geen pensioenverrekening plaatsvinden: voorkomt de daaraan verbonden onredelijke effecten.”

Naar het oordeel van het hof moet, op grond van de inhoud van de brief van de notaris, als vaststaand worden aangenomen dat voldaan is aan de voorwaarde in artikel 11 van de Wet verevening pensioenrechten na scheiding dat partijen in de huwelijkse voorwaarden anders hebben bepaald “met het oog op de scheiding”.

Dat in artikel 9 van de huwelijks voorwaarden de term “verrekening” is gebruikt en niet de term “verevening” is in dit verband niet van doorslaggevend belang (vergelijk HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7893).

3.4.2.

[appellante] heeft aangevoerd dat zij in 1993 de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, dat zij destijds geen kennis heeft genomen van de brief van de notaris d.d. 1 oktober 1993 en dat zij de akte huwelijkse voorwaarden heeft ondertekend zonder behoorlijk te zijn geïnformeerd over de inhoud daarvan.

Het hof begrijpt deze stellingen van [appellante] aldus dat zij zich met betrekking tot de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden in 1993 beroept op een wilsgebrek: zij heeft zich weliswaar akkoord verklaard met artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden maar haar wil was niet in overeenstemming met haar verklaring.

[geïntimeerde] heeft dit verweer bestreden: hij heeft onderbouwd met bewijsstukken aangevoerd dat [appellante] ten tijde van het sluiten van de huwelijkse voorwaarden de Nederlandse taal voldoende beheerste om de inhoud van de huwelijkse voorwaarden en de uitleg van de notaris te begrijpen. [geïntimeerde] heeft er in dit verband op gewezen dat [appellante] destijds een vertaling van de huwelijkse voorwaarden of de bijstand van een tolk niet nodig vond. Volgens [geïntimeerde] hebben [appellante] en hij zowel het concept van de akte huwelijkse voorwaarden als de concepten van de testamenten met de notaris besproken.

Tegenover deze gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] heeft [appellante] haar stelling dat in 1993 haar wil niet in overeenstemming was met haar verklaring, onvoldoende onderbouwd, zodat die stelling niet kan worden aanvaard.

3.4.3.

Het voorgaande betekent dat de grieven van [appellante] falen.

3.5.

De vordering van [geïntimeerde] ten bedrage van € 233.547,59 (de incidentele grieven 1 tot en met 5 van [geïntimeerde] )

3.5.1.

[geïntimeerde] vordert een bedrag van € 233.547,59, althans een in goede justitie te bepalen bedrag ter zake van “verrekening”.

Met betrekking tot deze vordering merkt het hof allereerst op dat door [geïntimeerde] ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen verrekening van overgespaarde inkomsten zoals geregeld in de artikelen 1:132 en verder BW en anderzijds de vergoeding van onttrokken vermogen als bedoeld in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden en afrekening van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden. Hierdoor wordt de door [geïntimeerde] gepretendeerde vordering, ondanks de veelheid aan tekst en producties, weinig inzichtelijk en valt ook te begrijpen dat de rechtbank deze vordering als onvoldoende onderbouwd heeft afgewezen.

In hoger beroep is door [geïntimeerde] een nadere toelichting op zijn vordering gegeven. Er is door hem ook een herberekening van zijn vordering gemaakt, die uitkomt op een bedrag van

€ 243.673,20 (pagina 94 mva/mvg). In het petitum van de memorie van grieven wordt echter weer verwezen naar de vordering ten bedrage van € 233.547,59. Het hof maakt hieruit op dat [geïntimeerde] niet bedoeld heeft zijn vordering in hoger beroep te vermeerderen.

3.5.2.

Wat betreft de peildatum voor de verrekening van overgespaard inkomen zijn partijen het erover eens dat uitgegaan moet worden van de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek. Zij zijn het er echter niet over eens op welke (exacte) datum het echtscheidingsverzoek ter griffie van de rechtbank is ingediend. De echtscheidingsbeschikking (productie 1 bij de inleidende dagvaarding) geeft op dit punt geen uitsluitsel.

Uit productie 183 bij de cvd in conventie blijkt dat het echtscheidingsverzoek is gedateerd 3 oktober 2007. Naar het oordeel van het hof kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat het verzoek op 4 oktober 2007 ter griffie van de rechtbank is ingekomen en aldus is ingediend zoals partijen dat hebben begrepen. Het hof zal van deze peildatum uitgaan.

3.5.3.

[geïntimeerde] stelt dat zijn vermogen op de peildatum € 70.331,11 negatief was en hij wenst dat negatieve saldo met [appellante] te verrekenen, in die zin dat [appellante] de helft van het negatieve saldo aan hem dient te betalen.

Voor zover [geïntimeerde] deze vordering heeft gebaseerd op het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden is deze niet toewijsbaar: ingevolge het verrekenbeding kan [geïntimeerde] jegens [appellante] uitsluitend aanspraak maken op een aandeel in het overgespaard inkomen van [appellante] of in de waarde van de belegging met overgespaard inkomen.

Voor zover [geïntimeerde] een andere grondslag voor deze vordering heeft bedoeld, heeft hij dat onvoldoende duidelijk gemaakt, zodat dit onderdeel van zijn vordering niet toewijsbaar is.

3.5.4.

Omdat [appellante] haar vordering jegens [geïntimeerde] ter zake van overgespaard inkomen heeft ingetrokken, is in hoger beroep uitsluitend – wat betreft verrekening – de verrekening van overgespaarde inkomsten van [appellante] aan de orde. Daarnaast stelt [geïntimeerde] – zo begrijpt het hof – dat hij een vergoedingsrecht op [appellante] heeft ingevolge artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden en dat hij een vordering op [appellante] heeft omdat hij te veel heeft bijgedragen aan de huishoudelijke kosten tijdens het huwelijk (artikel 6 huwelijkse voorwaarden).

3.5.5.

Wat betreft de vordering van [geïntimeerde] ter zake van huishoudelijke kosten heeft [appellante] zich terecht beroepen op het vervalbeding in artikel 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden. Er zijn door [geïntimeerde] geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat aan [appellante] géén beroep op het vervalbeding toekomt.

3.5.6.

Wat betreft de door [geïntimeerde] gepretendeerde vergoedingsrechten heeft [appellante] zich beroepen op verjaring van de vordering. Volgens [appellante] is de termijn van vijf jaar, genoemd in artikel 3:307 BW (steeds) ingegaan na de onttrekking van het vermogen.

Dit verweer van [appellante] faalt. Weliswaar is in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden bepaald dat de vergoedingsrechten terstond opeisbaar zijn, maar ten aanzien van verjaring geldt het bepaalde in artikel 3:321 BW: de verjaringstermijn is gaan lopen na ontbinding van het huwelijk.

3.5.7.

Het hof zal thans de verschillende onderdelen van de verreken- respectievelijk vergoedingsvordering van [geïntimeerde] beoordelen.

3.5.8.

De vakantiewoning in Thailand.

3.5.8.1. Op 23 december 2004 is op naam van [appellante] een vakantiewoning gekocht in Thailand, aangeduid als [nummer] [adres/plaats] , dit voor een koopprijs van 1.370.000 Thai bath.

Een deel van de koopprijs, groot 200.000 Thai bath (omgerekend ongeveer € 5.000,-) is door [appellante] bij de aankoop betaald. Volgens [geïntimeerde] is het restant van de koopsom betaald in 2006 en heeft hij daartoe op 21 juni 2006 een bedrag van € 23.000,- naar een bankrekening van [appellante] in Thailand overgemaakt. (productie 22 cva/cve). Volgens [geïntimeerde] was dit bedrag afkomstig van een verhoging van een op zijn naam staande hypothecaire lening. [appellante] betwist dit.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (cva/cve, pag. 19) gesteld dat de vakantiewoning in oktober 2006 weer zou zijn verkocht en dat van de opbrengst een ander perceel zou zijn gekocht, maar [appellante] heeft dit betwist; zij stelt dat de vakantiewoning in 2010 is verkocht. Uit de mva/mvg van [geïntimeerde] (randnummer 363.1.11) begrijpt het hof dat [geïntimeerde] zijn standpunt dat de woning in 2006 is verkocht in hoger beroep niet handhaaft. Het hof gaat er daarom van uit dat [appellante] op de peildatum 4 oktober 2007 eigenaar was van de hier bedoelde vakantiewoning.

3.5.8.2. Partijen hebben geen bewijsstukken overgelegd omtrent de waarde van de vakantiewoning op de peildatum.

De aankoopprijs in 2004 is niet in geschil. Die aankoopprijs was 1.370.000 Thai bath. Omgerekend naar de koers van de Thai bath op de peildatum 4 oktober 2007 (1 euro = 44,6097444 Thai bath) is dit € 30.712,36.

[appellante] stelt weliswaar dat zij de woning in 2010 heeft verkocht voor 800.000 Thai bath, maar [geïntimeerde] betwist dit en toereikend bewijs voor de stelling van [appellante] ontbreekt.

Bij gebreke aan andere gegevens zal het hof wat betreft de waarde van de vakantiewoning op de peildatum uitgaan van een bedrag van € 30.712,36.

3.5.8.3. [geïntimeerde] stelt dat hij ten aanzien van de woning een vergoedingsrecht als bedoeld in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden heeft omdat hij eigen vermogen in de woning heeft geïnvesteerd (namelijk een voor zijn rekening komende hypotheekverhoging). [appellante] heeft deze stelling betwist.

Naar het oordeel van het hof ontbreekt toereikend bewijs voor de stelling van de man dat hij eigen vermogen in de vakantiewoning van de vrouw heeft geïnvesteerd. Er is door hem ook geen concreet bewijsaanbod op dit punt gedaan. [geïntimeerde] kan dat ook geen aanspraak maken op vergoeding in de zin van artikel 10 huwelijkse voorwaarden.

3.5.8.4. Ingevolge artikel 1:141 lid 3 BW moet ervan uit worden gegaan dat de waarde van de vakantiewoning op de peildatum tot het te verrekenen vermogen van [appellante] hoort. [geïntimeerde] kan om die reden jegens [appellante] aanspraak maken op een bedrag van

€ 15.356,18, zijnde de helft van de waarde van de woning op de peildatum.

3.5.8.5. Niet in geschil is dat er meubilair is gekocht voor de vakantiewoning in Thailand. Volgens [geïntimeerde] is voor de aankoop van het meubilair in totaal € 3.429,07 uitgegeven; [appellante] heeft dit niet weersproken.

[geïntimeerde] stelt dat dit geld afkomstig was uit zijn privévermogen. [appellante] heeft dit echter betwist en toereikend bewijs voor deze stelling van [geïntimeerde] ontbreekt, evenals een concreet bewijsaanbod.

Dit betekent dat er (op grond van artikel 1:141 lid 3 BW) van uit moet worden gegaan dat de

waarde van het meubilair op de peildatum tot het te verrekenen vermogen hoort.

Omtrent de waarde van het meubilair op de peildatum hebben partijen zich niet uitgelaten. Een feit van algemene bekendheid is dat de waarde van tweedehands meubels beduidend lager ligt dan de aankoopprijs. Om die reden zal het hof de waarde van het meubilair schattenderwijs vaststellen op € 1.000,-. [geïntimeerde] kan jegens [appellante] aanspraak maken op € 500,-, zijnde de helft van die waarde op de peildatum.

3.5.9.

Percelen grond in Thailand.

3.5.9.1. [geïntimeerde] stelt dat [appellante] ten tijde van de echtscheiding vier percelen grond in eigendom had, waarvan drie percelen zouden zijn aangekocht tijdens het huwelijk en één perceel afkomstig was uit de nalatenschap van de vader van [appellante] . Daarnaast had de vrouw, volgens de man, ten tijde van de echtscheiding een perceel in Thailand in mede-eigendom met haar zus. Hij stelt in verband met deze percelen een vergoedingsrecht en/of een verrekenvordering op [appellante] te hebben.

[appellante] betwist dat zij – buiten de hiervoor reeds besproken vakantiewoning – ander onroerend goed in Thailand in eigendom heeft gehad.

[geïntimeerde] heeft ten bewijze van zijn stelling foto’s overgelegd (productie 18 cva/cve) alsmede een akte in de Thaise taal, zonder vertaling en een ongetekende overeenkomst in de Nederlandse taal (producties 24 en 25 cva/cve).

3.5.9.2. Naar het oordeel van het hof leveren de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte producties ontoereikend bewijs op voor zijn stelling dat [appellante] op de peildatum percelen grond in Thailand in (mede)eigendom had. Een concreet bewijsaanbod ontbreekt. Een en ander betekent dat dit onderdeel van de vordering van [geïntimeerde] niet toewijsbaar is.

3.5.10

Banksaldi.

3.5.10.1. [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat de banksaldi ten name van [appellante] op de peildatum verrekend moeten worden. Het gaat volgens [geïntimeerde] om de volgende saldi per 30 september 2007 op Nederlandse rekeningen:

- Postbank girorekening [rekeningnummer 1] : € 27,09;

- Postbank girorekening [rekeningnummer 2] : € 462,53;

- Postbank spaarrekening [rekeningnummer 2] : € 11,52;

- Robeco beleggingsrekening: € 653,53.

[appellante] stelt dat voor de saldi van een andere datum moet worden uitgegaan dan 30 september 2007, maar zij geeft geen informatie waaruit kan worden afgeleid wat de precieze saldi waren op de peildatum 4 oktober 2007. Om die reden zal het hof uitgaan van de door [geïntimeerde] opgegeven saldi, behoudens wat betreft het door [geïntimeerde] genoemde saldo op girorekening [rekeningnummer 1] ad € 27,09. [appellante] heeft met betrekking tot dit saldo onweersproken gesteld dat alleen [geïntimeerde] het pasje van die rekening had en dat hij heeft beschikt over voormeld saldo op die rekening.

Het voorgaande betekent dat [geïntimeerde] een verrekenvordering op [appellante] heeft ten bedrage van de helft van (€ 462,53 + € 11,52 + € 653,53 = € 1.127,58) = € 563,79.

3.5.10.2. [geïntimeerde] stelt dat [appellante] ook over gelden beschikte op een tweetal bankrekeningen in Thailand. [appellante] heeft dit betwist.

Enig bewijs dat op de peildatum sprake was van saldi op Thaise rekeningen van [appellante] ontbreekt, evenals een concreet bewijsaanbod, zodat dit onderdeel van de vordering van [geïntimeerde] niet toewijsbaar is.

3.5.10.3. [geïntimeerde] stelt dat hij in 2007 privégeld ten bedrage van € 3.400,- heeft overgemaakt naar een bankrekening van [appellante] in Thailand. [appellante] heeft betwist dat [geïntimeerde] privégeld naar haar heeft overgemaakt. Zij stelt dat zij in 2007 enige tijd in Thailand is geweest en dat [geïntimeerde] geld heeft overgemaakt voor haar levensonderhoud.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd dat hier sprake is van een onttrekking aan zijn vermogen ten behoeve van [appellante] als bedoeld in artikel 10 van de huwelijkse voorwaarden, zodat dit onderdeel van de vordering van [geïntimeerde] evenmin kan worden toegewezen.

3.5.11.

De onderneming van [appellante] .

3.5.11.1. [appellante] heeft tijdens het huwelijk een kapsalon geëxploiteerd. Aan het eind van het huwelijk was zij doende een webshop op te zetten.

Op 11 oktober 2007 is [appellante] met een geestesstoornis opgenomen op de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis. Het hof begrijpt de stellingen van [appellante] aldus dat de onderneming vanaf dat moment niet meer bestaat. Zij leeft van een bijstandsuitkering.

3.5.11.2. [geïntimeerde] stelt dat de waarde van de onderneming van [appellante] verrekend moet worden. Hij heeft die waarde berekend op € 6.708,10. [geïntimeerde] heeft die waarde betwist. Zij wijst erop dat de onderneming in 2006 verlieslatend was en dat alle activa van de onderneming zijn achtergebleven in de voormalige echtelijke woning bij [geïntimeerde] . [geïntimeerde] betwist dit.

3.5.11.3. Bij de overgelegde stukken bevinden zich jaarstukken van de onderneming van [appellante] met betrekking tot het jaar 2006 (productie 28 cva/cve van [geïntimeerde] ). Uit die stukken blijkt dat de inventaris en inrichting een waarde hadden van € 428,39, dat het banktegoed € 250,40 bedroeg en dat de waarde van de voorraad € 683,42 was.

Gelet op deze cijfers en gelet op het feit dat [appellante] in 2007 met een geestesstoornis is opgenomen en de onderneming heeft beëindigd, ziet het hof voldoende aanleiding voor de conclusie dat de onderneming van [appellante] op de peildatum géén te verrekenen waarde vertegenwoordigde. Dit onderdeel van de vordering van [geïntimeerde] is dan ook niet toewijsbaar.

3.5.11.4. [geïntimeerde] stelt dat in de periode van 2005 tot en met 2007 privévermogen van hem is geïnvesteerd in de onderneming van [appellante] . Hij claimt – zo begrijpt het hof – in dit verband een vergoedingsrecht op [appellante] te hebben.

[appellante] heeft betwist dat [geïntimeerde] privévermogen in haar onderneming heeft geïnvesteerd.

Naar het oordeel van het hof kan de hier bedoelde stelling van [geïntimeerde] , bij gebreke van toereikend bewijs dan wel een toereikend bewijsaanbod, niet worden aanvaard, zodat zijn vordering op dit punt niet toewijsbaar is.

3.5.12.

Diverse vergoedingsvorderingen.

3.5.12.1. [geïntimeerde] vordert vergoeding van door hem betaalde vliegtickets ten behoeve van [appellante] (in totaal € 1.156,48) en van door hem voor [appellante] betaalde belastingaanslagen over de jaren 2002 en 2004 (in totaal € 636,-).

Naar het oordeel van het hof zijn deze vorderingen vervallen op grond van artikel 7 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden. [appellante] heeft zich beroepen op het vervalbeding; er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat aan haar geen beroep op het vervalbeding toekomt.

3.5.12.3. Het in de vorige rechtsoverweging vermelde geldt ook ten aanzien van de vordering die [geïntimeerde] op [appellante] stelt te hebben in verband met uitgaven voor het levensonderhoud van de ouders van [appellante] en wegens door [appellante] vergokte gelden.

3.5.13.

De conclusie is dat de vordering van [geïntimeerde] ter zake van verrekening op grond van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden toewijsbaar is tot een bedrag van € 15.356,18 + € 500,- + € 563,79 = € 16.419,97.

Artikel 11 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden bevat weliswaar een vervalbeding voor verrekenvorderingen, maar volgens vaste jurisprudentie is een beroep op een dergelijk vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, tenzij blijkt van omstandigheden die een beroep op het vervalbeding rechtvaardigen. [appellante] heeft weliswaar geen beroep op het vervalbeding gedaan, maar zij heeft in haar memorie van antwoord in incidenteel appel (randnummer 114) aangevoerd dat het om redenen van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als zij enig bedrag aan [geïntimeerde] zou moeten voldoen. Zij wijst in dit verband op de grote financiële ongelijkheid tussen partijen, op het feit dat zij tijdens het huwelijk niet de mogelijkheid heeft gehad carrière te maken of relevant vermogen op te bouwen en op het feit dat zij thans leeft van een bijstandsuitkering.

Naar het oordeel van het hof zijn deze omstandigheden ontoereikend om te kunnen concluderen dat de verrekenaanspraak van [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

[appellante] heeft het hof verzocht te bepalen dat zij het door haar verschuldigde in maandelijkse termijnen van € 50,- kan voldoen.

Ingevolge artikel 1:140 lid 1 BW kan de rechter een dergelijk verzoek honoreren wegens gewichtige redenen. Dergelijke redenen zijn door [appellante] echter niet aangevoerd, zodat haar verzoek reeds om die reden niet toewijsbaar is.

3.6.

Grief VI van [geïntimeerde] is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn vorderingen voor zover deze waren gericht tegen de bewindvoerder als materiële procespartij. Volgens [geïntimeerde] heeft hij zijn vorderingen niet gericht tegen de bewindvoerder als materiële procespartij maar tegen de bewindvoerder in hoedanigheid van procesvertegenwoordiger.

[appellante] heeft er in reactie op deze grief terecht op gewezen dat de stellingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg moeilijk anders kunnen worden gelezen dan dat hij heeft bedoeld (ook) vorderingen in te stellen tegen de bewindvoerder als materiële procespartij. De grief is echter niet van betekenis in die zin dat [geïntimeerde] thans in hoger beroep slechts vorderingen instelt tegen de bewindvoerder in hoedanigheid van procesvertegenwoordiger van [appellante] . Voor zover op dit punt sprake is van een eiswijziging in hoger beroep is deze toelaatbaar, zoals in het voorgaande reeds is beslist.

Het voorgaande betekent dat de zesde grief geen doel treft.

3.7.

Grief VII van [geïntimeerde] heeft betrekking op de kosten van de echtscheidingsprocedure. [geïntimeerde] stelt dat hij de kosten ten bedrage van € 875,- heeft betaald en hij vordert de helft van het bedrag van [appellante] . In eerste aanleg baseerde hij deze vordering op het convenant. De rechtbank heeft de vordering afgewezen omdat het convenant terecht door [appellante] is vernietigd. In hoger beroep baseert [geïntimeerde] de hier bedoelde vordering op de stelling dat het redelijk en gebruikelijk is dat de kosten van een echtscheidingsprocedure op gemeenschappelijk verzoek door beide partijen bij helfte worden gedragen.

Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende grondslag voor de vordering van [geïntimeerde] . De enkele omstandigheid dat het redelijk en gebruikelijk zou zijn om de kosten te delen is ontoereikend.

Dit betekent dat de zevende grief faalt.

3.8.

Grief VIII van [geïntimeerde] heeft betrekking op de afwijzing door de rechtbank van zijn vordering ten bedrage van € 3.735,37. Het betreft uitgaven van [appellante] door middel van een creditcard tijdens haar verblijf in Thailand in juli 2007. [geïntimeerde] stelt dat de hier bedoelde kosten ten laste van zijn bankrekening zijn gekomen en door hem zijn gedragen.

In eerste aanleg baseerde [geïntimeerde] zijn vordering op het tussen partijen gesloten (en door [appellante] vernietigde) convenant. In hoger beroep baseert hij zijn vordering op verkwisting en artikel 1:139 BW.

Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende grondslag voor deze vordering van [geïntimeerde] . Anders dan [geïntimeerde] stelt, biedt artikel 1:139 BW geen basis voor een vordering als deze. Dit geldt ook voor het bepaalde in artikel 11 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden waar [geïntimeerde] zich op beroept. Dat artikellid heeft immers slechts betrekking op verrekenvorderingen als bedoeld in het eerste lid van artikel 11.

Het voorgaande betekent dat de achtste grief van [geïntimeerde] faalt.

3.9.

De grieven IX tot en met XII van [geïntimeerde] zijn gericht – zo begrijpt het hof – tegen de beslissing van de rechtbank om de kosten van het deskundigenonderzoek ad € 6.146,80 geheel ten laste van [geïntimeerde] te brengen.

Deze grieven falen. Het deskundigenonderzoek werd door de rechtbank noodzakelijk geacht teneinde te kunnen beoordelen of [appellante] ten tijde van de ondertekening van het convenant leed aan een geestelijke stoornis en daardoor onvoldoende in staat was om haar wil te bepalen. De rechtbank achtte het onderzoek noodzakelijk nadat [geïntimeerde] in eerste aanleg had weersproken dat van een dergelijke stoornis bij [appellante] sprake was.

Op basis van de resultaten van het deskundigenonderzoek is [geïntimeerde] op dit punt in het ongelijk gesteld. Naar het oordeel van het hof is hij dan ook terecht in de kosten van het deskundigenonderzoek veroordeeld.

Dit betekent dat de grieven IX tot en met XII falen.

3.10.

Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep in reconventie niet in stand kan blijven, voor zover de verrekenvordering van [geïntimeerde] geheel is afgewezen. Zoals overwogen in rechtsoverweging 3.5.13 is die vordering toewijsbaar tot een bedrag van

€ 16.419,97. De wettelijke rente over dit bedrag is (gelet op HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU9561) toewijsbaar vanaf de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, zijnde 4 oktober 2011. Voor het overige zullen de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep in conventie en in reconventie voor het overige bekrachtigen.

Gelet op het feit dat [geïntimeerde] en [appellante] ex-echtgenoten zijn zal het hof ook in hoger beroep de proceskosten compenseren.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het eindvonnis waarvan beroep, gewezen in reconventie, voor zover daarin de verrekenvordering van [geïntimeerde] geheel is afgewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de bewindvoerder q.q. als gevolg van verrekening volgens de huwelijkse voorwaarden een bedrag van € 16.419,97 aan [geïntimeerde] dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 oktober 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] ter zake van verrekening voor het overige af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep zowel in conventie als in reconventie voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, W.Th.M. Raab en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 maart 2016.

griffier rolraadsheer