Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2016:845

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
15-03-2016
Zaaknummer
200.087.696_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2011:3018
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:974
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:3065
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:3680
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:811
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

internationaal vervoerrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.087.696/01

arrest van 8 maart 2016

in de zaak van

mr C.F.P.M. Spreksel, in zijn hoedanigheid van curator van International Car Im-Export B.V.),

kantoorhoudende te [kantoorplaats]

appellant,

advocaat: mr. C.F.P.M. Spreksel te Maastricht,

tegen

Burger Port Agencies B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 5 juli 2011, 26 februari 2013, 16 juli 2013, 8 april 2014, 16 september 2014 en 13 januari 2015.

22 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 13 januari 2015;

  • -

    het deskundigenbericht van 1 april 2015;de memorie na deskundigenbericht van Burger Port van 7 juli 2015;

- de bij H-3 formulier ingediende brief van de advocaat van International Car van 14 september 2015, waarin wordt medegedeeld dat International Car op 16 september 2014 failliet is verklaard;

- de rolbeslissing van het hof van 22 september 2015 waarbij de behandeling van de oorspronkelijke conventionele vordering is geschorst op de voet van art. 29 Faillissementswet (Fw) en in het kader van de behandeling van de oorspronkelijke reconventionele vordering Burger Port in de gelegenheid is gesteld tot oproeping van de curator van International Car (hierna de curator) op de voet van art. 27 Fw;

- het oproepingsexploot in de zin van art. 27 Fw van 14 oktober 2015, naar aanleiding waarvan de curator – na beraad – op 17 november 2015 de zaak heeft overgenomen;

- de vervanging van de advocaat van appellant door mr. Spreksel op 15 december 2015;

- de antwoordmemorie na deskundigenbericht van appellant.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

23 De verdere beoordeling

23.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof het aanvullend voorschot van de deskundige vastgesteld op € 6.000,00 en bepaald dat dit door Burger Port diende te worden voldaan. De termijn voor de inzending van het deskundigenbericht is bepaald op 14 april 2015. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

23.2.1.

International Car is op 16 september 2014 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. Spreksel tot curator.

23.2.2.

De procedure is, voor zover deze ziet op de oorspronkelijke vordering in conventie van Burger Port tegen International Car tot betaling van de overeengekomen zeevracht, op de voet van art. 29 Fw geschorst.

23.2.3.

De curator heeft de procedure, voor zover deze ziet op de oorspronkelijke vordering in reconventie van International Car tegen Burger Port tot verrekening subsidiair tot betaling van schadevergoeding, op de voet van art. 27 Fw overgenomen.

Appellant zal niettemin in navolging van de tussenarresten ook in dit arrest worden aangeduid met de naam “International Car”.

23.3.

De door het hof aangezochte deskundige, dr. R. Blauwhoff van het Internationaal Juridisch Instituut, heeft ter beantwoording van de door het hof gestelde vragen zijn correspondent in Angola, dr. [deskundige] , geraadpleegd. Het advies van dr. [deskundige] d.d. 9 maart 2015 is door een beëdigd vertaler Portugees-Nederlands vertaald. Beide partijen hebben niet inhoudelijk richting de deskundige gereageerd op het conceptadvies, waarna dr. Blauwhoff het hof heeft meegedeeld dat het conceptadvies wat hem betreft - zoals aangekondigd indien er geen reactie van partijen zou komen - als definitief advies heeft te gelden.

23.4.1.

Het hof roept in herinnering dat het thans nog - zeer kort samengevat - gaat over twee in opdracht van International Car van Europa naar Luanda in Angola vervoerde vrachtwagens met oplegger. De opeisbare vrachtkosten (ook ten aanzien van andere transporten) van Burger Port werden door International Car niet betaald, waarna (ten behoeve van) Burger Port een retentierecht op deze vrachtwagens is uitgeoefend, terwijl deze in Luanda op de kade stonden. International Car was naar het oordeel van het hof reeds jegens Burger Port in verzuim op het moment waarop de afgifte van de vrachtwagens werd geblokkeerd en Burger Port heeft naar het oordeel van het hof dan ook terecht haar retentierecht uitgeoefend op de vrachtwagens.

23.4.2.

Burger Port heeft gesteld dat een van de door haar in Luanda teruggehouden vrachtwagens (chassisnr [chassisnr 1] ) - die door het MS Thebeland waren vervoerd naar Luanda - door de lokale autoriteiten is geconfisqueerd en openbaar verkocht, omdat deze te lang in de haven stond. Burger Port kon derhalve die vrachtwagencombinatie niet meer aan International Car teruggeven en zij beschikte evenmin over de opbrengst van de verkoop, die in de staatskas van Angola was gevloeid.

International Car heeft niet betwist dat als de lokale douaneautoriteiten besluiten over te gaan tot een dergelijke openbare veiling, dit overmacht oplevert voor de vervoerder, maar International Car heeft wel betwist dat in Angola een maximale bewaarperiode van zestig dagen geldt en dat bij overschrijding daarvan op grond van de wet wordt overgegaan tot verkoop ten gunste van de Staat Angola. Voorts betwistte zij dat de vrachtwagen in kwestie daadwerkelijk is geconfisqueerd en verkocht.

23.4.3.

Daarnaast is in de procedure duidelijk geworden dat met het MS Thebeland nog een andere vrachtwagencombinatie (chassisnummer [chassisnr 2] ) naar Luanda was vervoerd. Ook deze is niet door Burger Port afgeleverd omdat ook hierop retentierecht werd uitgeoefend. International Car heeft zich afgevraagd als de combinatie met chassisnummer [chassisnr 1] al openbaar zou zijn verkocht (wat zij betwist), waarom dat dan in de stellingen van Burger Port niet zou zijn gebeurd met de onderhavige combinatie.

23.4.4.

Het hof heeft aan Burger Port te bewijzen opgedragen feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de vrachtwagencombinatie met chassisnummer [chassisnr 1] door de lokale havenautoriteiten van Luanda, Angola, op grond van in Angola geldende regelgeving openbaar is verkocht en dat de opbrengst daarvan niet ten goede is gekomen aan International Car en/of de eigenaar van genoemde vrachtwagen.

23.5.1.

Ter voldoening aan deze bewijsopdracht heeft Burger Port een getuige doen horen en producties overgelegd. Het hof wenste daarnaast nog door een onafhankelijke deskundige te worden voorgelicht, hetgeen met het thans geproduceerde rapport is geschied.

23.5.2.

De deskundige heeft de door het hof gestelde vragen als volgt beantwoord.

23.5.2.1 Vraag 1. Was de Angolese douane in maart/april 2009 volgens de toen geldende Angolese wetgeving bevoegd om een in de haven van Luanda staande lading, afkomstig uit een zeeschip, in beslag te nemen en in het openbaar te verkopen, wanneer deze lading langer dan 60 dagen in de haven was opgeslagen?

Antwoord 1. Ja, als voorzien in de artikelen 1 en 10 van het Gezamenlijk Uitvoeringsdecreet 2 12/95 van 28 April en artikelen 45, 59, 477 en 484 van de Douanewet, had de Angolese douane wettelijke gronden om handelswaren te verbeuren en door openbare veiling te verkopen, indien deze goederen meer dan 60 dagen in tijdelijke opslag verbleven.

23.5.2.2. Vraag 2a. Uit welke destijds geldende Angolese wetgeving (en eventueel jurisprudentie) blijkt dit?

Antwoord 2a. (Zie bij antwoord 1). De deskundige heeft mede gezien het feit dat eerst in 2011 werkelijk vorm is gegeven aan de Commissie Koloniale Douanegeschillen, geen rechterlijke uitspraken kunnen traceren.

23.5.2.3. Vraag 2b. Aan welke vereisten moet in zo’n geval voldaan worden voordat een veiling kan plaatsvinden?

Antwoord 2b. De deskundige heeft de te nemen stappen uitvoerig beschreven, onder verwijzing naar de betreffende artikelen van de Douanewet. Samengevat komt het er op neer dat de douanedienst van de Regionale Directie der Douane verantwoordelijk is voor het administratieve proces. Zodra er voldoende zaken zijn voor een veiling wordt die bepaald. Daarnaast kunnen zaken die van nut kunnen zijn voor de staat, rechtstreeks aan de staatsdiensten worden aangeboden. De veiling, en alle gegevens daaromtrent, worden tien werkdagen daaraan voorafgaand aangekondigd aan de deuren van het douanekantoor of de veilingopslagplaats en in twee plaatselijke kranten.

Art. 481 (lid 2) van de Douanewet bepaalt dat de eigenaren van de te veilen zaken alsnog “om afhandeling ervan” (naar het hof begrijpt: alsnog inklaring) mogen verzoeken, onder verbeurte van een boete van 5% van de waarde van de zaken en betaling van alle kosten van opslag, aankondigingen e.d.

De eigenaren van de zaken krijgen nog een waarschuwing dat zij deze voor definitieve invoer of wederuitvoer moeten aanmelden, omdat de zaken anders als opgegeven ten gunste van de staat gelden (art. 484 lid 2 Douanewet).

23.5.2.4. Vraag 2c. Welke documenten worden er aan de eigenaar van de lading verstrekt?

Antwoord 2c. Er worden geen documenten verstrekt, omdat het gaat om verlies van de zaken omdat de eigenaar ervan niet heeft voldaan aan de douaneformaliteiten in het kader van de inklaring van handelswaren.

23.5.2.5. Vraag 2d. Uit welke destijds geldende Angolese wettelijke bepalingen blijkt wat er in zo’n geval met de opbrengst van de veiling gebeurt?

Antwoord 2d. Artt. 503 en 504 van de Douanewet bepalen dat het nettobedrag (na betaling van alle verschuldigde douanerechten en kosten van opslag en veiling) toekomt aan de algemene staatsbegroting.

23.5.2.6. Vraag 2e. Had de rechthebbende toentertijd rechtsmiddelen tegen dit soort beslissingen van de Angolese douane, zo ja welke?

Antwoord 2 e. Zie antwoord 2b met betrekking tot art. 481 lid 2 en 484 lid 2 Douanewet: de eigenaren kunnen alsnog alle kosten en boeten betalen, hetgeen evenwel niet meer kan als de zaken uitdrukkelijk ten gunste van de staat opgegeven zijn.

Art. 508 lid 5 sub e jo art 514 van de Douanewet verlenen de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen inbeslagneming en verbeurdverklaring. Daartoe moet binnen 10 werkdagen na de kennisgeving van inbeslagneming bezwaar worden gemaakt en, bij afwijzing van dat bezwaar, binnen 10 werkdagen na de kennisgeving daarvan kan beroep ingesteld worden.

23.5.2.7. (Met deze beantwoording is vraag 3 niet relevant meer).

Vraag 4. Wat is de rol van de ontvangstagent in de haven in Angola, gelet op bovenstaande vragen?

Antwoord 4. De ontvangstagent/expediteur assisteert de importeur/ exporteur/eigenaar van de handelswaren bij de uitvoering van de douaneformaliteiten. In dit specifieke geval weten we niet of er een expediteur betrokken was, wat zijn verantwoordelijkheid was en welke orders hem zijn gegeven, aldus de deskundige. Als er een expediteur bij betrokken was, is het volgens de deskundige legitiem te veronderstellen dat hij de exporteur of importeur had moeten waarschuwen over het risico dat de handelswaren liepen als hun afhandeling niet binnen 60 dagen zou plaatshebben.

23.5.2.8. Vraag 5. Heeft u verder opmerkingen die voor de beoordeling door het hof relevant zijn?

Antwoord 5. De deskundige acht het niet onbelangrijk om de officiële waarschuwing van het douanekantoor in Luanda in ogenschouw te nemen, waarin dit kantoor aangeeft dat het voertuig met chassisnummer [chassisnr 1] langer dan 60 dagen in de Terminal opgeslagen is en waarbij aan de importeur de mogelijkheid wordt toegekend om binnen 10 dagen tot inklaring over te gaan, op straffe van verbeurdverklaring van het voertuig. In haar rapport op blz. 33/34 heeft de deskundige aangegeven dat zij genoemde waarschuwing, d.d. 17 juli 2009, heeft kunnen identificeren vanuit informatie afkomstig van de Angolese douane Portal. Hieruit heeft zij afgeleid dat ten aanzien van deze vrachtwagen in ieder geval het directe voornemen tot veiling vanwege de te langdurige opslag bestond.

De deskundige heeft tevens aangegeven dat de werkelijke bestemming van het voertuig – uitgeklaard in de periode van 10 dagen of ingeklaard of vervallen aan de staat of verkocht via de veiling - haar niet bekend is. Wel is duidelijk dat het meer dan 60 dagen op het haventerrein is verbleven en daarom viel onder de categorie “te langdurig opgeslagen handelswaren” (blz. 34 en 41 rapport).

23.6.

Getuige [managing director Burger Port] , managing director van Burger Port, heeft onder meer verklaard:

“ (…) Ik weet niet of de betreffende vrachtwagen openbaar is verkocht. De opbrengst is in ieder geval niet bij ons terecht gekomen, meer weet ik daar niet van.

Nu u dit dicteert voeg ik hieraan toe dat wij correspondentie hebben waaruit blijkt dat de vrachtwagen verkocht is . (..)

Het is ons overkomen, wij kregen geen vooraankondiging. Wij hoorden het van Grimaldi. (..)

Ik hecht er aan nogmaals te verklaren dat tijdens het eerste kort geding is gewaarschuwd dat dit zou kunnen gebeuren als de zeevracht niet betaald zou worden. Mijn advocaat heeft gezegd: betaal dat nu. Ik was daar niet bij, maar dat blijkt uit de stukken. (..)

Mr. Thomassen vraagt mij of tijdens dat kort geding door de heer [vertegenwoordiger International Car] van International Car is aangeboden de zeevracht van de twee betreffende vrachtauto’s te betalen. Ik antwoord dat dat inderdaad is aangeboden, maar het is bij een toezegging gebleven, ook die vracht is niet betaald.

Ik was daar als gezegd niet bij, de zaak werd toen operationeel door één van mijn medewerkers behandeld en die heeft het aanbod van [vertegenwoordiger International Car] geaccepteerd. Dat heeft hij, [betrokkene 1] , mij verteld.”

23.7.1.

Burger Port heeft overgelegd (bij memorie na enquête en met vertaling bij akte 22 april 2014) een zgn. Voertuigenformulier van de Multiparques Car Terminal in Luanda, Angola, waarop staat vermeld dat met het schip MS Thebeland een vrachtwagen merk Volvo met chassisnummer [chassisnr 1] en (onder meer) een oplegger met chassisnummer [chassisnr 3] zijn “verplaatst”. De eerste verplaatsing van de vrachtwagen vermeldt “Ingekomen Voertuigenformulier” op 17 april 2009 in “Porto” (de haven, begrijpt het hof), waarna het voertuig is verplaatst onder meer naar de doorververvoeropslagplaats en als laatste verplaatsing “Verkopen in geld” en “Rechtstreeks Vertrekken Voertuigen” (d.d. 20 april 2010) staat vermeld. Voorts staat vermeld als importeur [importeur] en als exporteur “Veiling”.

23.7.2.

Ten aanzien van de oplegger is overgelegd een bericht van het Ministerie van Financiën van Angola met als titel “Vrijstelling van de heffing voor opslag” hetgeen volgens Burger Port in feite betekent dat de oplegger is geconfisqueerd door het Ministerie. Deze uitleg is door International Car niet gemotiveerd betwist.

Op het voertuigenformulier van de oplegger staat na de “doorvervoeropslagplaats” vermeld dat de oplegger op 27 augustus 2012 is overgedragen naar en aangekomen op de veiling en vervolgens geveild is, waarna staat vermeld “Rechtstreeks Vertrekken Voertuigen” op 29 augustus 2012. Als importeur staat vermeld Ministerie van Financiën en als exporteur [exporteur] .

23.8.1.

Het hof is van oordeel dat het rapport van de door het hof benoemde deskundige het relaas van de eigen deskundige van Burger Port op nagenoeg alle punten geheel onderschrijft: in Angola is er (en was er in 2009) regelgeving die erin voorziet dat zaken die langer dan 60 dagen in een haven zijn opgeslagen zonder ingeklaard te zijn, door de overheid worden verbeurd verklaard en geveild, waarbij de opbrengst toekomt aan de overheid.

Met deze rapporten in samenhang met de overige door Burger Port bijgebrachte bewijsmiddelen heeft Burger Port naar het oordeel van het hof bewezen dat de vrachtwagencombinatie met chassisnummer [chassisnr 1] door de lokale havenautoriteiten van Luanda, Angola, op grond van in Angola geldende regelgeving in april 2010 openbaar is verkocht en dat de opbrengst daarvan niet ten goede is gekomen aan International Car en/of de eigenaar van genoemde vrachtwagen. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat deze opbrengst ten goede is gekomen aan Burger Port.

23.8.2.

Nagenoeg hetzelfde geldt voor de bij de vrachtwagencombinatie [chassisnr 1] behorende trailer met chassisnummer [chassisnr 3] : deze is geconfisqueerd door het Ministerie van Financiën en vervolgens eind augustus 2012 geveild.

23.8.3.

Door Burger Port zijn bij memorie na enquête stukken overgelegd met betrekking tot de vrachtwagencombinatie met chassisnummer [chassisnr 2] en de bijbehorende trailer [chassisnr 4] . Hieruit blijkt volgens Burger Port dat deze combinatie en trailer op vergelijkbare wijze als de andere zijn verkocht c.q. geconfisqueerd. Door International Car is dit niet (meer) betwist. 23.8.4. Dit betekent dat het oorspronkelijk door Burger Port uitgeoefende retentierecht is geëindigd, omdat de teruggehouden zaken zich niet meer in haar macht bevinden.

24.9.1.

Het hof had reeds geoordeeld dat Burger Port zich terecht op haar retentierecht had beroepen jegens International Car. Dit retentierecht kwam haar toe, zolang International Car de openstaande vrachtvordering ten aanzien van de met het MS Thebeland vervoerde vrachtwagens met trailer niet heeft voldaan.

24.9.2.

Indien de procedure in conventie niet zou zijn geschorst ex art. 29 Fw, zou International Car bij dit arrest, gegeven het oordeel in het tussenarrest van 26 februari 2013, worden veroordeeld tot betaling aan Burger Port van nagenoeg de hele openstaande vrachtvordering. Na betaling daarvan zou Burger Port de teruggehouden vrachtwagens met trailer moeten teruggeven aan International Car, maar daartoe is zij niet meer in staat, nu de zaken zich niet meer in haar macht bevinden. Uit het door Burger Port bijgebrachte bewijs vloeit naar het oordeel van het hof tevens voort dat haar daarvan geen verwijt zal kunnen worden gemaakt: zij heeft in haar verhouding tot International Car de zaken terecht teruggehouden omdat haar vrachtkosten – ook na diverse aanmaningen en betalingstoezeggingen - niet betaald werden. De gevolgen daarvan zijn voor rekening en risico van International Car. Dat Burger Port thans – na afloop van de periode waarin retentierecht wordt uitgeoefend – haar verplichting tot teruggave van de vrachtwagens met trailer niet meer zal kunnen nakomen, is daarin gelegen dat nakoming van die overeenkomst verhinderd is door een beletsel aan de zijde van International Car in haar hoedanigheid van schuldeiser, en dit beletsel kan Burger Port niet worden toegerekend.

24.9.3.

Het hof volgt International Car niet in haar bij antwoordmemorie na deskundigenbericht betrokken stelling dat aan Burger Port wel degelijk verwijten kunnen worden gemaakt van het “verdwijnen” van de teruggehouden vrachtwagens.

24.9.3.1. Een expediteur had moeten waarschuwen voor de gevolgen van te langdurige opslag, vindt de deskundige. International Car sluit zich hierbij aan en zij verwijt Burger Port niet te hebben gewaarschuwd. Los van de vraag of dit niet een tardief verwijt is, heeft te gelden dat het hof reeds had vastgesteld dat Burger Port in deze als vervoerder, en niet als expediteur, was opgetreden, zodat dit verwijt reeds hierom geen doel treft.

24.9.3.2. Daarnaast stelt International Car dat Burger Port naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar heeft gehandeld, door het retentierecht zover door te voeren dat de zaken zijn geconfisqueerd. Het was voorzienbaar dat dit zou gebeuren; Burger Port was voor een deel van de vrachtwagens zelfs tevoren geïnformeerd, aldus International Car. International Car baseert deze laatste stelling op het deskundigenrapport, doch daaruit blijkt slechts dat “de importeur” (deels) geïnformeerd was over de ophanden zijnde verbeurdverklaring. Gesteld noch gebleken is dat vervoerder Burger Port (ook) de importeur van de zaken was, nu in dit verband juist de naam van [geadresseerde 3] ( [geadresseerde 2] ) [geadresseerde 3] , een handelsagent van International Car, figureert.

Wat daar van zij, uit het deskundigenrapport blijkt verder niet dat naast een ontvangstagent/expediteur (die volgens de deskundige de importeur/ exporteur/eigenaar van de handelswaren assisteert bij de uitvoering van de douaneformaliteiten) ook de vervoerder op de hoogte zou moeten zijn van deze bijzondere Angolese regels. Daarmee heeft International Car genoemd verwijt onvoldoende feitelijk onderbouwd.

24.9.3.3. Ten overvloede merkt het hof op dat de tweede verkochte/geconfisqueerde vrachtwagen met trailer (met chassisnummers [chassisnr 2] resp. [chassisnr 4] ) eerst hangende het onderhavige hoger beroep is verkocht. Uit onder meer de overgelegde stukken van een tussen partijen gevoerd kort geding, van de comparitie in eerste aanleg en de producties bij memorie van antwoord, blijkt dat te lang opgeslagen zaken in Angola verkocht worden. Ook de in ieder geval toentertijd reeds aanwezige wetenschap bij International Car omtrent het confiscatiebeleid van de Angolese overheid heeft niet geleid tot enige actie van haar kant in de richting van Burger Port, anders dan de herhaalde ontkenning dat International Car diende te presteren.

24.9.3.4. Het verwijt tenslotte dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is gehandeld wordt met name onderbouwd met de stelling dat het retentierecht ten onrechte was ingeroepen, een standpunt dat al door het hof was verworpen.

24.10.1.

De vordering, waarover het hof nog heeft te beslissen, is de in eerste aanleg ingestelde en door de rechtbank afgewezen reconventionele vordering van International Car primair tot verrekening van datgene waartoe zij in conventie zou worden veroordeeld te betalen aan Burger Port met haar vordering tot schadevergoeding ter zake de “verdwenen” vrachtauto(s) met oplegger(s), subsidiair tot betaling van schadevergoeding door Burger Port in verband met dat verdwijnen.

24.10.2.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat die vordering naar het oordeel van het hof terecht door de rechtbank is afgewezen. Voor zover de grieven daarop zien, falen zij en zal het vonnis worden bekrachtigd. International Car zal voor wat dat betreft worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, met inbegrip van de voorshands door Burger Port betaalde kosten ten behoeve van het deskundigenonderzoek en het door Burger Port betaalde vast recht nu het hoger beroep van International Car zich ook richtte tegen afwijzing van de reconventie en na voortzetting van de procedure in conventie geen andere uitkomst te verwachten is dan afwijzing (zie rov. 24.9.2).

25 De uitspraak

Het hof:

verstaat dat de procedure, voor zover deze ziet op het hoger beroep van International Car tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de oorspronkelijke vordering in conventie van Burger Port tegen International Car tot betaling van door International Car aan Burger Port van de overeengekomen zeevracht, op de voet van art. 29 Fw is geschorst;

bekrachtigt het tussen Burger Port en International Car door de rechtbank Maastricht op 2 februari 2011 gewezen vonnis, voor zover dit ziet op de afwijzing van de oorspronkelijke vordering in reconventie van International Car tegen Burger Port tot verrekening subsidiair tot betaling van schadevergoeding;

veroordeelt mr. C.F.P.M. Spreksel, in zijn hoedanigheid van curator van International Car Im-Export B.V. in de proceskosten van het hoger beroep, voor zover deze gemaakt zijn ten behoeve van de oorspronkelijke vordering in reconventie van International Car tegen Burger Port tot verrekening subsidiair tot betaling van schadevergoeding, aan de zijde van Burger Port tot op heden begroot op € 13.168,77 aan verschotten en € 4.077,50 aan salaris advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.C.J. van Craaikamp en R.R.M. de Moor en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 maart 2016.

griffier rolraadsheer